DE VIER ZUILEN VAN DE FILOSOFIE

“Het wonderlijke is, wanneer een filosofisch werk eenmaal in het collectief bewustzijn is doorgedrongen, dat iedereen zegt: ja natuurlijk, dat is zo; wat daar geschreven staat is de grondslag van onze ervaring.” Hoogleraar wijsbegeerte Theo de Boer neemt afscheid van de universiteit met een redevoering over de vier zuilen van de filosofie. Twee collega-wijsgeren reageren bij deze gelegenheid op verschillende elementen uit De Boers gedachtengoed. Veronica Vasterling wijst op 'de vreemdheid van het vertrouwde', Guy Widdershoven interpreteert de 'roepende in de woestijn'. Bij het emeritaat van Theo de Boer verschijnen vier boeken: een Liber Amicarum. Over kunst, literatuur en filosofie, onder redactie van H. J. Pott, V. Vasterling, R. van de Vall en K. Vintges (Boom, Amsterdam), en Hermeneutiek en politiek, een liber amicorum onder redactie van G. Widdershoven en A. Mooij, (Eburon, Delft). Van Theo de Boer zelf verschijnt bij uitgeverij Gieben, Amsterdam, in de fraaie serie 'Amsterdam Studies in Jewish Thought' The Rationality of Trancedence. Studies in the Philosophy of Emmanuel Levinas, en tevens Pleidooi voor interpretatie, bij Boom.

De idee achter deze rede heb ik te danken aan de lectuur van een viertal lezingen van onze grote volksschrijver Gerard Reve onder de titel Zelf schrijver worden. Hij spreekt daarin van De Vier Zuilen Van Het Proza. Ik las het deze zomer in mijn vakantie. In de nacht daarop, terwijl ik de slaap niet kon vatten, kwam de gedachte bij mij op dat de filosofie ook vier zuilen heeft. Men zou dit inspiratie kunnen noemen. En daarmee ben ik meteen bij mijn eerste zuil.

Bij inspiratie is er iets dat door mij heen vaart. Als die wind door je heen blaast, verlies je de macht over jezelf. Dat lijkt in strijd met een van de dragende ideeën van de filosofie: het zelf denken, zonder van iets of iemand afhankelijk te zijn. Tegenwoordig heeft men er, meer dan vroeger, begrip voor dat er ook iets is wat mij te denken gééft.

In plaats van inspiratie had ik de eerste zuil ook 'oriëntatie' kunnen noemen. Het gaat mij om iets specifieks, om een ingeving die richting geeft. Het gaat om de vraag Cui bono? (Waar is het goed voor?) De studenten vragen op college wel eens: wat bezielt die Husserl of die Derrida? Wat willen ze eigenlijk? De docent moet daar een antwoord op kunnen geven maar dat is soms bepaald niet eenvoudig.

Laat ik een voorbeeld geven uit eigen ondervinding. Ik ben bij de voorbereiding van mijn promotie jaren bezig geweest het vroege werk van Husserl, zijn Filosofie van de aritmetica en zijn Logische onderzoekingen. Het heeft me enkele jaren gekost dit werk te doorgronden waarin Husserl uitlegt waarop trucjes die we op de lagere school leren bij zulke eenvoudige handelingen als optellen en aftrekken, gebaseerd zijn - hij komt dan bijvoorbeeld tot de conclusie dat het begrip 'voorstelling' dertien betekenissen kan hebben. Dit is een uiterst gedetailleerde bijdrage aan de kennistheorie. Ik herinner me nog hoe verbaasd ik was in een veel later werk van Husserl, dat ook over formele logica gaat, in het voorwoord de opmerking aan te treffen dat het in de filosofie gaat om een waarlijk bevredigend en gelukkig leven. Dát was het dus wat hem dreef. Op de achtergrond van veel technische uiteenzettingen staat een engagement.

We moeten oog hebben voor wat een filosofie bezielt. Inspiratie is wat we het meest nodig maar ook het minst in de hand hebben. Zij is een dragende kracht, een genade. Ik vraag me wel eens af als ik het oeuvre van bepaalde filosofen overzie: hoe hielden ze het vol? Dat moet wel door inspiratie zijn.

Een vraag die op college eveneens vaak gesteld wordt is: waar gaat het eigenlijk over? Deze vraag staat gegrift op de tweede zuil van de filosofie: ervaring. Filosofen hebben de neiging zich te verliezen in abstracties waarbij de band met de ervaring zoek raakt. Het gaat bijvoorbeeld over: de eigenschappen van het zijn, de zelfontplooiing van het begrip, de reconstructie van de voorwaarden van de ervaring, of over het Niets, over het Zelfde en het Andere. Hier is het de taak van de docent duidelijk te maken dat deze beschouwingen onze alledaagse realiteit raken. Ik heb als proef op de som mijn studenten wel eens uitgedaagd een willekeurige krant mee te nemen. Ik zou dan aantonen dat er altijd een aantal filosofisch relevante artikelen instaan waaronder minstens één over het onderwerp dat op het college aan de orde is. Trouw van 3 februari 1996 bleek, afgezien van Letter & Geest, negen filosofische artikelen te bevatten waarover ik tweeënhalf uur college heb gegeven. Hegel noemde de krant het ochtendgebed van de realist.

Over de rol van de ervaring in de wetenschap is veel nagedacht in de wetenschapstheorie. Mij gaat het om de vraag: Wat is filosofische ervaring en waarom moeten bij de beschrijving ervan zulke abstracte begrippen gebruikt worden? Wat is de aardigheid daarvan?

Filosofie wordt vaak gezien als begripsanalyse waarbij het begrip gezien wordt als iets wat het onveranderlijke wezen van de werkelijkheid vat. Het begrip staat dan tegenover de ervaring van de zintuigen die betrekking hebben op het veranderlijke. Dat is een manier van denken met oude papieren, teruggaande tot de Griekse Oudheid. Ook Husserl voelde zich als wiskundige daartoe sterk aangetrokken. De wiskunde gaat immers over zaken die we niet kunnen waarnemen maar wel denken of schouwen. Husserl benadrukt echter dat we bij dat schouwen van het wezen altijd een individueel voorbeeld nodig hebben. Het inzicht in het wezen ontspringt aan de ervaring van een individueel zijnde. Met andere woorden: de dagelijkse ervaring is meer dan een illustratie van het begrip. Het is niet zo dat we denkend altijd al weten waar het over gaat en de ervaring erbij halen voor een passend plaatje. Ook in de krant werkt de vormgeving niet zo. Dat is echter wel eeuwenlang de gangbare visie geweest op de relatie van ervaring en begrip: zintuiglijk ervaring, beeldvorming is alleen nodig voor het gewone volk dat te dom is voor het begrip. Gemeenschappelijk aan deze traditie, die nog het hele denken van de moderniteit en de Verlichting beheerst, is dat geen zelfstandige betekenis gehecht wordt aan de vorm, de zegswijze of de stijl. Deze factoren stichten met andere woorden niet zelf betekenis maar zijn een decoratie van de altijd gelijke inhoud. Het begrip is voor de filosofen, het beeld, het verhaal, de allegorie voor het volk. Dat bepaalt ook de visie op de Bijbel, bijvoorbeeld bij Lessing en Spinoza. Alles wat de zintuigen aanspreekt, het verhaal, de wonderen en de engelen, eigenlijk alles wat de Bijbel leuk maakt, is niet van belang. Het is aankleding van eeuwige waarheden die de filosoof kan terugvinden.

Wat is nu filosofische empirie? Het gaat in de filosofie wel degelijk om een inzicht dat de concrete ervaring te boven gaat; om het laten oplichten van een omvattende dimensie, een horizon waarbinnen we ervaringen opdoen. Maar die horizon kan toch alleen zichtbaar gemaakt worden aan de hand van concrete fenomenen. Er is wel eens opgemerkt dat de originaliteit van filosofen bestaat in het bedenken van frapperende voorbeelden. Bij hem, en andere 'filosofen van de gewone taal', gaat dat meestal in de vorm van vragen over wat we kunnen zeggen en niet zeggen. We kunnen zeggen: hij is eigenwijs en lastig, maar niet: hij is dood en lastig (hoe lastig hij ook geweest moge zijn). We kunnen zeggen: hij viel per ongeluk van de trap, maar we kunnen niet zeggen: val per ongeluk van de trap! Alsof dat ook opzettelijk zou kunnen. Er is verschil tussen gebeurtenissen en handelingen. We kunnen zeggen: zij heeft hard gewerkt en is daarna glansrijk geslaagd, maar niet: zij heeft glansrijk gewerkt en is daarna hard geslaagd. Werken en slagen zijn blijkbaar verschillende categorien van activiteiten. Het verwaarlozen van die verschillen leidt tot misvattingen over een doorzictige, aan zichzelf tegenwoordige geest.

De kunst van het argumenteren in de filosofie bestaat inderdaad vaak in het bedenken van een effectief tegenvoorbeeld. Het aardige hiervan, althans voor filosofen, is dat dergelijke reconstructies inzicht geven in de domeinen of gewesten van de ervaring alszodanig; van de horizonten waarin we ons altijd al bewegen en die grondslag liggen aan concrete ervaringen. Filosofen vinden dat fascinerend en houden daarom van hun vak.

Als de ervaringsbasis als leidraad in de filosofie ontbreekt, dan belanden we in abstracties en onvruchtbare probleemstellingen. Een voorbeeld is mijns inziens de huidige milieufilosofie waarin de natuur gedefinieerd wordt als een 'waarde in zichzelf'. Waarde in zichzelf is een begrip met een vage, normatieve strekking dat geen enkel inzicht geeft in de natuur. Tegen dit abstracte denken is de poëzie een tegenwicht. Zij is immers de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Als we de natuurpoëzie van Gorter of Gezelle lezen zien we dat dit lege begrip van de natuur wordt opengebroken tot een differerende, conflicterende veelheid, waar we als mensen partij zijn en daarom partij kunnen kiezen.

Bij het denken over de vier zuilen van de filosofie heb ik, geïnspireerd door Reve die als derde zuil de stijl noemt, in een eerste opwelling gedacht dat dit in de filosofie ook zo is. De meeste filosofen zijn goede stilisten en ik heb de neiging te denken dat wie slecht leesbaar is, ook beter niet gelezen kan worden. Toch heb ik dat vooroordeel prijs moeten geven. Een werk van wijsbegeerte is geen werk van letterkunde. Wijsbegeerte heeft stijl, als het goed is, literatuur ís stijl Er zijn filosofen die slecht schrijven en toch iets te zeggen hebben. Ik heb me dus laten meeslepen door de literatuur toen ik aanvankelijk de derde zuil stijl noemde.

Een begrip dat stijl nadert maar niet hetzelfde is, is compositie. Compositie is voor de filosofie belangrijk. Mijn ervaring bij het begeleiden van proefschriften, dat het grootste probleem de compositie is, is ook mijn eigen ervaring. De tekstverwerker biedt voor compositieproblemen een handzame oplossing: Shift F3, F5 Enter, Positioneren, 1, Alt F4, Blok, Control F4, 1, 1, Enter, en zie: de gedachtengang is weer gered. Een ongelukkige voetnoot in hoofdstuk twee staat plotseling tevreden te pronken in de inleiding van hoofdstuk vijf. We ervaren hier ook iets van de vreugde van het denken, het gevoel dat er iets op zijn plaats valt. Maar de procedure zegt natuurlijk iets over onze manier van denken. Ten eerste dat we van nature warhoofden zijn, niet in staat onze gedachten te denken op de plaats waar ze horen. Maar ten tweede ook dat we dat kunnen leren; dat we ons daarvoor nu juist aan de universiteit bevinden, om de gedachten te disciplineren, te ordenen. Juist om deze reden kan echter de compositie evenmin de derde zuil van de filosofie te zijn.

Reconstructie zou een goede benaming zijn van de derde zuil ware het niet dat we bij constructie aan iets kunstmatigs denken, aan knutselwerk. Het gaat echter om een inspanning van het voorstellingsvermogen, om een ontwerpend denken. Ik noem de derde zuil daarom: verbeelding. Het bedenken van uitdagende, tot denken aanzettende voorbeelden waarvan ik boven gewaagde, is bij uitstek een prestatie van de verbeelding. De derde zuil geeft antwoord op de vraag: hoe komen ze erbij? Nieuwe ideeën wekken vaak bevreemding. Het duurt, denk ik, gemiddeld een generatie voor een oorspronkelijk filosofisch werk enigszins begrepen wordt. Waar komt het vandaan? Uit de mysterieuze diepten van de Einbildungskraft (Kant). En het wonderlijke is, wanneer dat werk eenmaal in het collectief bewustzijn is doorgedrongen, dat iedereen zegt: ja natuurlijk, dat is zo; wat daar geschreven staat is de grondslag van onze ervaring. Het is wel een product van verbeelding maar geen constructie; het is, ondanks de inventiviteit, gevonden niet uitgevonden.

Bij de laatste zuil gaat het om de vraag: hoe bewijs je dat allemaal? Men vindt in recensies nog wel eens de kwalificatie 'brillant bearguenteerd'. Wat bedoelt men daarmee?

Het bijzondere van filosofische redeneringen schuilt in het reconstrueren van de achtergronden van de ervaring. De argumenten ontlenen hun kracht aan het feit dat ze appeleren aan iets wat altijd al aangenomen werd maar ongereflecteerd. Het onderscheid in domeinen van werkelijkheid is in het geding. Een voorbeeld van een zeer scherpzinnig redenering is die van Husserl tegen het psychologisme in de logica. Men spreekt in het cabaret wel eens van een dubbele zweepslag; er is een grap met een pointe en onmiddellijk daarop volgt een tweede pointe. Het argument van Husserl is een soort driedubbele zweepslag.

Ik kan hier Husserls redenering niet volledig weergeven. Een korte samenvatting moet volstaan. De leer van het psychologisme houdt in dat logische wetten generalisaties zijn van het feitelijk denken van mensen. Het argument ertegen is drieledig. Ten eerste zijn onderzoekingen die dat moeten bewijzen nooit gedaan. Ten tweede zou een dergelijk onderzoek, als het gedaan werd, zoals elk empirisch onderzoek, nooit meer dan een waarschijnlijk resultaat opleveren. Logische wetten moeten echter absoluut zeker zijn. Laten we echter ten derde aannemen dat het beoogde onderzoek ook zekere resultaten heeft opgeleverd, dan blijkt de onhoudbaarheid van de psychologistische positie eerst recht want als het waar is dat de logische wetten empirische wetten zijn, zou dat inhouden dat elke redenering geldig is als we maar een wet vinden die haar verklaart. Dat nu, zegt Husserl, is absurd. Een verklarende oorzaak kan nooit een rechtvaardigende grond zijn. Dit is inderdaad een briljante redenering. Husserl had er zoveel succes mee dat het na zijn boek onmogelijk werd psychologisten nog aan Duitse faculteiten te benoemen. Mij gaat het erom dat we in de argumentatie de typische eigenschappen van een filosofische redenering herkennen. De geconstateerde tegenspraak heeft vooral heuristische waarde. Het gaat er om het verschil tussen 'zijn' en 'behoren' te laten zien. Inzoverre wordt er meer iets aangewezen dan bewezen.

Een laatste voorbeeld ontleen ik aan Wittgenstein. Hij zegt ergens dat de bewering dat er een laatste oordeel bestaat voor de gelovige consequenties heeft voor zijn manier van leven. Hieruit trekt hij de conclusie dat deze bewering iets anders betekent voor de gelovige dan voor de ongelovige; en daar volgt weer uit dat de bewering dat het hiernamaals niet bestaat van de ongelovige niet in strijd is met de bewering dat het wel bestaat van de gelovige. Ik heb de neiging dat ook een briljant argument te vinden. Het is een argument tegen het platte denken over godsdienst dat in deze lage landen soms hoogtij viert.

Tot zover over de vier zuilen van de filosofie. Er is nog een gezichtspunt van algemene betekenis dat ook bij Reve een belangrijke rol speelt, en waar ik veel belang aan hecht. U zult zich misschien afgevraagd hebben: waarom deze volgorde? De volgorde is er mijns inziens een van afnemende bezieling en toenemende beheersbaarheid of leerbaarheid. De weg van zuil n naar zuil vier is, om zo te zeggen, de weg van de inspiratie naar de transpiratie of, in theologische termen, van genade naar verdienste. Ik had ook met de laatste zuil kunnen beginnen maar dat zou geen reformatorisch roure geweest zijn. Laten we om deze orde te demonstreren nog een keer de rij zuilen langs gaan bij de laatste beginnend. Logisch redeneren kun je leren, tot op zekere hoogte. Verbeelding teert, zoals ik al zei, op goede invallen, maar je kunt de verbeelding oefenen, bijvoorbeeld door poëzie te lezen. Ervaringen hebben we echter nauwelijks in de hand. Inspiratie tenslotte is pure genade.

Als filosofie niet zonder meer maakbaar is, is dat natuurlijk een probleem voor het ministerie dat de filosofie betaalt. Hiermee ben ik bij de toepassing van mijn indeling aangeland. Hoe kunnen we de filosofie 'aansturen'? Een groot probleem. De ervaring leert dat het nauwelijks mogelijk is n promovendus aan te sturen, laat staan een hele groep, laat staan een hele filosofische bevolking. Gezien de orde van toenemende beheersbaarheid - gaande van zuil n naar zuil vier - ligt het in de rede dat de 'aansturing' van de filosofie bij de laatste zuil een aangrijpingspunt zal zoeken om zo vat te krijgen op het geheel. Het resultaat van die aansturing is niet moeilijk te voorspellen, want de orde van de toenemende maakbaarheid is ook die van de afnemende inspiratie, ervaring en verbeeldingskracht.

Ik heb in de loop van mijn jaren aan de universiteit ontdekt dat er maar drie taken zijn voor een hoogleraar in de filosofie: lezen, schrijven en voorlezen. Ik zou al mijn collega's tot hetzelfde willen opwekken. Hou eens op met alle onzin en ga gewoon aan het werk: lezen, schrijven en voorlezen. Tot de onzin van het huidig filosofenbestaan reken ik: het verplichte groepsdenken, onderzoeksscholen, visitatiecommissies, pilotstudies, dieptestrategische ontwerpplanningsinitiatieven (DOPI), leerstoelgroepen (of groepsleerstoelen) enzovoort. Maar er is gelukkig ook een zinvolle kant en die bestaat, zoals u nu zo langzamerhand wel weet, uit vier elementen: inspiratie, ervaring, verbeelding en redelijk denken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden