De vier pijlers waarop Bush de strategie heeft gebouwd waarmee hij zal zegevieren in de vierde wereldoorlog

We weten het allemaal heel zeker: de Amerikanen zijn oppervlakkig en Bush is dom. Willen we wel meer horen dan alleen clichés? We verdiepen ons niet echt in Amerika en al helemaal niet in Bush. Wie kent zijn speech van 20 september 2001? Wie kent zijn de State of the Union-speech van 29 januari 2002, zijn speech in West Point op 1 juni 2002 en zijn verklaring over het Midden-Oosten van 24 juni 2002. Volgens de neoconservatief Norman Podhoretz is de oorlog tegen het terrorisme gebaseerd op vier pijlers, die te zamen het fundament vormen van de Bush-doctrine.

Na de Tweede Wereldoorlog werden we geconfronteerd met het vooruitzicht van een nieuwe wereldoorlog: de Koude Oorlog. Die oorlog zou niet helemaal 'koud' zijn. Er stierven alleen al meer dan 100.000 Amerikanen op de slagvelden van Korea en Vietnam. De militaire strateeg Eliot A. Cohen meent dan ook dat de 'Koude Oorlog' een nieuwe naam moet krijgen. 'De Koude Oorlog', schrijft hij, was eigenlijk 'de Derde Wereldoorlog'. En nu zitten we in de Vierde Wereldoorlog, stelt Cohen.

De Derde Wereldoorlog en de Vierde Wereldoorlog (WO IV) hebben met elkaar gemeen dat beide werden afgekondigd door een presidentiële doctrine. De Truman Doctrine van 1947 stelde dat 'de Verenigde Staten vrije volken moeten steunen tegen gewapende minderheden en druk van buitenaf'. De strategie begon met hulp voor Griekenland en Turkije, die toen bedreigd werden door een communistische machtsovername, maar werd algauw vervangen door een veel omvangrijker programma van economische hulp: het Marshall Plan. Doel was het herstel van de door oorlog verwoeste economieën van West-Europa. Dit gebeurde niet alleen omdat het op zichzelf goed was en omdat het in het Amerikaanse belang was, maar ook omdat het zou helpen om de grieven weg te nemen waarop het communisme kon gedijen.

Maar de communistische coup in Tsjechoslowakije (1948) toonde aan dat economische maatregelen niet volstonden om het gevaar van een communistische staatsgreep te bezweren. Ook bleven er zorgen over een Russische invasie in West-Europa. Zodoende ontstond de Navo.

Terwijl de Truman Doctrine zich geleidelijk ontvouwde, werd de Bush Doctrine in één enkele speech afgekondigd, op 20 september 2001, verhelderd in de State of the Union-speech van 29 januari 2002, de speech in West Point op 1 juni 2002 en de verklaring over het Midden-Oosten van 24 juni 2002. De tijdgenoten van Bush waren minstens zo verbijsterd als die van Truman. Want hier stond George W. Bush - die in buitenlandse aangelegenheden een volgeling van zijn vader was geweest - en sprak namens de hele wereld, als een vurig aanhanger van Ronald Reagan.

In schril contrast tot Reagan - algemeen beschouwd als een gevaarlijk ideoloog - werd Bush sr. er vaak van beschuldigd tekort te schieten in wat hij onelegant afdeed als 'het visieding'. Bush sr. was een sterk voorstander van het 'realisme': behoud van stabiliteit was de enig juiste koers voor het buitenlands beleid van de VS. Toen Saddam Hoessein in 1990 het machtsevenwicht in het Midden-Oosten verstoorde door Koeweit binnen te vallen, verklaarde Bush sr. hem niet de oorlog om de regio opnieuw te ordenen, maar om de status quo te herstellen. Toen Saddam uit Koeweit was verdreven, was het diezelfde zorg om stabiliteit waardoor Bush sr. hem de macht liet behouden.

Bush jr. leek vóór 9/11 even slecht in 'het visieding' als zijn vader. Daarom was zijn rede op 20 september 2001 ook zo'n grote verrassing. Negen dagen na de aanvallen van 9/11, bleek George W. Bush niet langer een realist zoals zijn vader, maar ontpopte hij zich als een gedreven democratische idealist à la Reagan. Deze speech markeerde ook het begin van de Bush Doctrine en die verwees net zo duidelijk naar WO IV als de Truman Doctrine naar WO III. Over het 'wereldwijde terroristische netwerk' dat ons op eigen bodem had aangevallen, zei hij: 'We hebben hun soort eerder gezien. Ze zijn de erfgenamen van alle moordzuchtige ideologieën van de 20ste eeuw. Door mensenlevens te offeren voor hun radicale visioenen, door elke waarde af te zweren behalve de wil tot macht, treden zij in de voetsporen van fascisme, nazisme en totalitarisme. En zij zullen dit pad tot aan het einde toe volgen, tot in het naamloze graf van afgedankte leugens.'

Het einde van de speech toonde de visie van Bush: 'De voortgang van de menselijke vrijheid hangt nu van ons af. Onze natie zal de duistere dreiging van geweld wegnemen. Hoe dit conflict zal verlopen, is niet bekend, maar de uitkomst is zeker. Vrijheid en angst, gerechtigheid en wreedheid zijn altijd in oorlog geweest en wij weten dat God niet neutraal is in deze strijd.'

Twee en een half jaar later keerde Bush zich bijzonder ondiplomatiek tegen het realisme: 'Decennialang hebben vrije landen onderdrukking getolereerd in het Midden-Oosten omwille van de stabiliteit. In de praktijk leidde dit tot weinig stabiliteit en veel onderdrukking. Daarom heb ik het beleid veranderd.' En: 'Sommigen die zich realisten noemen, betwijfelen of wij ons wel moeten bezighouden met het verspreiden van democratie in het Midden-Oosten. Maar de realisten hebben in dit geval het contact verloren met een fundamentele realiteit: Amerika is altijd minder veilig geweest als de vrijheid op de terugtocht was; Amerika is altijd veiliger geweest als de vrijheid zegevierde.'

Bovendien maakte Bush duidelijk dat dit beleid het stempel droeg van de Reagan-versie van het Wilsoniaanse idealisme: ,,Dit conflict zal vele tegenslagen kennen op weg naar de overwinning. Maar wij geloven in Ronald Reagan's woorden dat 'de toekomst behoort aan de vrijen'.''

De Eerste Pijler

De eerste pijler van de Bush Doctrine bestaat uit de verwerping van het moreel relativisme en uit de overtuiging dat het goed is om moreel te oordelen over de gebeurtenissen in de wereld. Bush oogstte bij velen applaus voor de 'morele helderheid' van zijn speech van 20 september 2001, maar hij oogstte nog meer afkeer en walging onder 'hoogontwikkelde' en 'fijnzinnige' denkers. In zijn State of the Union-speech van 29 januari 2002 maakte Bush hun woede nog groter door specifieker te worden. Had hij in september alleen in algemene bewoordingen gesproken over de vijand in WO IV, nu sprak hij over drie naties - Irak, Iran en Noord-Korea - die hij omschreef als een 'as van het kwaad'. Opnieuw trad hij hiermee in de voetsporen van Ronald Reagan, die de Sovjet-Unie, onze vijand in WO III, aan de kaak had gesteld als een 'rijk van het kwaad', waarop vanaf de kansels, universiteiten en krantenpagina's over de hele wereld een werkelijk hysterisch geschreeuw volgde. Kwaad? Wat deed zo'n woord in het woordenboek van internationale kwesties? En hoe zou een verlicht persoon het ooit in zijn hoofd halen om het op te delven uit het graf van vergeten begrippen? Maar in de ogen van de 'experts' was Reagan geen verlicht persoon. Hij was een 'cowboy', een B-film acteur, die door een perverse democratische gril in het Witte Huis terecht was gekomen.

Bij de reacties op Bush waren de oude schimpscheuten en scheldkanonnades opnieuw niet van de lucht. Wie zou zijn toevlucht nemen tot archaïsche morele waardeoordelen als 'goed' en 'kwaad', behalve een minkukel en een leeghoofd - of een fanatieke religieuze fundamentalist van hetzelfde soort dat Bush de oorlog had verklaard? Het was ongekend simplistisch om een heel land te brandmerken als kwaad, en alleen een dwaas als Bush kon geloven dat nou juist de VS het goede vertegenwoordigden. Natuurlijk kon alleen een nitwit, iemand die nog nooit een boek gelezen had, de ontelbare misdaden vergeten zijn die de VS gepleegd hebben - misdaden die de leidinggevende intellectuelen van het land zo rijk gedocumenteerd hebben dat ze tot het standaard academische verhaal zijn gaan behoren van onze geschiedenis.

Al snel werd duidelijk dat Bush zich niet liet afschrikken. 'Sommigen vinden het ondiplomatiek of onbeleefd om de taal te spreken van goed en kwaad. Daar ben ik het niet mee eens. Andere omstandigheden vragen om andere methoden, maar niet om andere morele stelsels. We zitten in een conflict tussen goed en kwaad, en Amerika zal het kwaad bij zijn naam noemen.'

Vervolgens waagde Bush zich in het grote debat van het post-Koude Oorlog tijdperk door zich vierkant achter Fukuyama's 'einde van de geschiedenis' te stellen: 'De 20ste eeuw eindigde met één model van menselijke vooruitgang, gebaseerd op de niet-onderhandelbare eisen van menselijke waardigheid, rechtsorde, grenzen aan de staatsmacht, respect voor vrouwen en privé-eigendom, vrijheid van meningsuiting, gelijkheid voor de wet en religieuze tolerantie.' En Bush keerde zich tegen Huntington's 'botsing der beschavingen': 'Als het gaat om de gemeenschappelijke rechten en behoeften van mannen en vrouwen, bestaat er geen botsing van beschavingen. De bevolking van de islamitische naties verlangt en verdient dezelfde vrijheden en kansen als de bevolking van ieder ander land.'

De Tweede Pijler

De eerste pijler van de Bush-doctrine is een nieuwe morele houding, de tweede is een al even dramatische verandering in het denken over terrorisme. Volgens het nieuwe inzicht - steeds weer bevestigd door het feit dat de meeste terroristen uit welgestelde families komen - komt terrorisme niet voort uit economische factoren. Deze moordzuchtige plaag gedijt niet in de moerassen van armoede en honger, maar van politieke onderdrukking. Alleen door die 'droog te leggen' met een strategie van 'regimeverandering' kunnen we ons beveiligen tegen de terroristische dreiging en de mensen in 'de hele islamitische wereld' de vrijheden geven die 'ze verlangen en verdienen'.

Volgens het nieuwe inzicht zijn terroristen mensen in dienst van organisaties die gefinancierd worden door verschillende regeringen. Bush heeft gezworen dat wij het hele netwerk van terroristische organisaties met wereldwijd bereik zullen vernietigen. Niet langer zullen we terroristen behandelen als criminelen die gearresteerd moeten worden en voor de rechter gebracht. Van nu af aan worden ze beschouwd als de ongeregelde krijgers van een militaire alliantie die in oorlog is met de VS en de beschaafde wereld.

Na 9/11 worden nog wel eens verouderde zinsneden gebruikt zoals 'de terroristen zullen hun gerechte straf ondergaan', maar niemand kan nog langer dromen dat het Amerikaanse antwoord begint met een FBI-onderzoek en eindigt met een serie gewone strafzaken. Aan de VS was de oorlog verklaard en oorlog voeren zouden we.

Maar tegen wie? Omdat het zeker was dat Osama bin Laden het brein was achter 9/11, en omdat hij en de belangrijkste leiders van Al-Kaida zich hadden ingegraven in Afghanistan, lag het eerste doel voor de hand. Maar voor hij overging tot militair geweld, stelde Bush een ultimatum aan de islamitische radicalen van de Taliban die toen heersten over Afghanistan, met de eis dat ze Osama en zijn mensen aan ons zouden overdragen en dat ze alle terroristische trainingskampen zouden sluiten. De Taliban verwierpen dit ultimatum. En dus begonnen de VS op 7 oktober 2001 een militaire campagne tegen Al-Kaida en tegen het regime dat haar 'hulp en onderdak' bood.

Er kwam betrekkelijk weinig oppositie tegen het openen van het eerste front in WO IV. De Afghaanse campagne kon gemakkelijk gerechtvaardigd worden als vergelding van de terreuraanvallen. Hoewel er gemopperd werd over de gevaren van het streven naar 'regimewijziging', was er buiten de islamitische wereld weinig sympathie voor de Taliban. De oppositie nam vooral de vorm aan van scepsis. Toen er bijvoorbeeld iets fout leek te gaan met de Afghaanse strijders van de Noordelijke Alliantie, riep R.W. Apple van de New York Times onmiddellijk de geest van Vietnam op. We waren het slachtoffer geworden van de illusie dat we konden vertrouwen op een incompetente locale strijdmacht die de strijd op de grond zou voeren, terwijl wij voor advies en luchtsteun zorgden. Deze strategie zou ons hetzelfde 'moeras' inzuigen als in Vietnam. Was Afghanistan voor de Sovjet-Unie niet óók een 'Vietnam' geweest? Hoe konden wij denken dat we het beter zouden doen?

De B-52's en de 15.000 pond zware 'Daisy Cutter'-bommen wisten de geest van Vietnam tijdelijk te verdrijven, en daarmee de angst van sommigen en de hoop van anderen dat we op weg waren naar een moeras. Zelfs de New York Times moest toegeven dat de Daisy Cutters 'doordat ze vlak boven de grond explodeerden en alles binnen een straal van honderden meters vernietigden, een angstaanjagende psychologische uitwerking hadden'. Maar ook de 'slimme bommen' waren van cruciaal belang. In Afghanistan waren die bommen - bestuurd door 'verkenners' op de grond, vaak te paard, uitgerust met radio's, laptops en lasers en gesteund door onbemande satellieten - ongelofelijk precies in het voorkomen van burgerslachtoffers én in het vernietigen van de vijand. Deze 'nieuwe vorm van Amerikaanse macht', aldus de New York Times, 'stelde een oppositie van janhagel in staat' (dezelfde Noordelijke Alliantie die ons het moeras in zou voeren) om de 'in de strijd geharde troepen' van de Taliban in minder dan drie maanden volledig te verslaan, met een minimaal verlies aan Amerikaanse levens.

De campagne in Afghanistan maakte glashelder wat volgde uit het nieuwe inzicht in het terrorisme: regeringen die terroristen onderdak bieden en weigeren hen uit te zetten, vragen de VS om dat voor hen te doen en vragen ook om aan de kant gezet te worden door nieuwe leiders met democratische aspiraties. Afghanistan liet zien dat de militaire optie open stond en dodelijk effectief was.

De Derde Pijler

De derde pijler van de Bush-doctrine is ons recht om preventief aan te vallen. In de State of the Union-speech van januari 2002 was Bush hier heel duidelijk over: 'Ik zal niet werkloos toezien, terwijl de gevaren almaar groter worden. De VS zal de gevaarlijkste regimes ter wereld niet toestaan ons te bedreigen met de meest destructieve wapens ter wereld.' Bush wilde preventieve acties ondernemen. Maar deze boodschap drong pas door bij de derde belangrijke speech van de Bush-doctrine, die van 1 juni 2002 in West Point: 'Amerika's defensie in de Koude Oorlog was gestoeld op afschrikking en indamming. Maar nieuwe bedreigingen vereisen een nieuw denken. Afschrikking - de dreiging met een massale vergelding tegenover naties - heeft geen enkele betekenis tegenover schimmige terroristische netwerken die geen natie of burgers te verdedigen hebben.'

Ook wees Bush wapenbeheersing en non-proliferatieverdragen af als middelen om ons te verdedigen tegen de as van het kwaad: 'We kunnen onze hoop niet stellen op het woord van tirannen die plechtig non-proliferatieverdragen tekenen en er vervolgens systematisch inbreuk op maken.' Onverbiddelijk ging Bush door: 'Als we wachten tot de dreigingen volledig werkelijkheid zijn geworden, hebben we te lang gewacht. We moeten de strijd naar de vijand verplaatsen, zijn plannen ontwrichten en de confrontatie aangaan met de ergste bedreigingen voordat zij zijn opgedoken. Actief optreden is de enige weg naar veiligheid. En deze natie zál optreden.'

Het directe doel was de Iraakse dictator ten val te brengen voor hij de kans kreeg massavernietingswapens te leveren aan terroristen. Maar dit was geenszins de enige of beslissende overweging. Het idee van Bush was om het 'droogleggen van de moerassen', waarmee in Afghanistan een begin was gemaakt, uit te breiden en de hele regio op weg te helpen naar democratisering. Want als Afghanistan onder de Taliban het religieuze gezicht was van het terrorisme van het Midden-Oosten, dan was Irak onder Saddam Hoessein zijn machtigste seculiere partner.

Anders dan bij Afghanistan, veroorzaakte het idee om Irak binnen te vallen en Saddam omver te werpen een storm van kritiek. Eerder waren er al grote bezwaren gemaakt tegen het idee van de preventieve aanval. Sommigen beweerden dat dit een schending van het internationale recht was; anderen betoogden dat het een gevaarlijk precedent zou scheppen, waardoor Pakistan India zou kunnen aanvallen of omgekeerd. Maar toen de discussie verschoof van de Bush Doctrine naar de kwestie-Irak, werden de bezwaren meer specifiek.

Die bezwaren werden begin augustus 2002 bijeengebracht in een artikel in de Wall Street Journal onder de kop 'Val Saddam niet aan'. De auteur was Brent Scowcroft - nationaal veiligheidsadviseur onder president Bush sr.

Scowcroft beweerde dat er 'weinig bewijs was voor een verband tussen Saddam en terroristische organisaties en nog minder voor zijn betrokkenheid bij de aanslagen van 11 september'. Volgens Scowcroft zou de meest verschrikkelijke consequentie van een aanval op Saddam het effect in de regio zijn. 'De regio is algemeen van mening dat Irak voor de VS een obsessie is. Maar de obsessie van de regio is het Israëlisch-Palestijnse conflict.'

Voor de Amerikaanse 'obsessie' toonde Scowcroft weinig achting, maar om de regionale obsessie bekommerde hij zich des te meer: 'Als wij met onze rug naar dat bittere (Israëlisch-Palestijnse) conflict zouden gaan staan om Irak aan te vallen, zou er een explosie van woede tegen ons losbarsten. In hun ogen zouden we een essentieel belang van de moslimwereld negeren ten faveure van wat wordt gezien als een beperkt Amerikaans belang.' Dit zou, volgens Scowcroft, 'de Arabische regimes in de regio heel goed kunnen destabiliseren', wat voor een typische realist als hij het ergste was wat zou kunnen gebeuren.

Door impliciet in te stemmen met de opvatting dat het omverwerpen van Saddam niet meer dan 'een beperkt Amerikaans belang' was, gaf Scowcroft ook steun aan de linkse leuze dat het de oliemaatschappijen en de grote bedrijven waren, vooral Halliburton (waarvan vice-president Dick Cheney directeur was geweest), die ons in een onnodige oorlog zouden meeslepen.

Hetzelfde geldt voor de nadruk die Scowcroft legt op het oplossen van 'het Israëlisch-Palestijnse conflict' - een eufemisme voor het onder druk zetten van het 'onbuigzame' Israël dat als het voornaamste beletsel voor vrede wordt beschouwd. Door te insinueren dat Ariël Sjaron een grotere bedreiging voor ons vormde dan Saddam Hoessein, gaf Scowcroft een respectabel motief aan de vijandigheid tegen Israël, een vijandigheid die steeds kwaadaardiger werd. Volgens 'paleoconservatief' rechts waren het minder de oliemaatschappijen dan Israël dat ons meesleepte in een invasie van Irak. Algauw zou links dezelfde beschuldiging uiten.

De invasie van Irak zou in het geheim bekokstoofd zijn door een groep joodse ambtenaren die niet handelden in het belang van hun eigen land maar in dienst van Israël. Aanvankelijk vonden de bedenkers van deze lasterlijke beschuldiging het tactvoller om de samenzweerders niet als joden te identificeren maar als 'neoconservatieven'. Alleen neoconservatieven met joods klinkende namen werden genoemd, de vele andere leden van de groep werden genegeerd.

Deze tactiek was al beproefd door Patrick J. Buchanan, met zijn oppositie tegen de eerste Golfoorlog van 1991. Volgens Buchanan 'zijn er maar twee groepen die hameren op oorlog in het Midden-Oosten: het Israëlische ministerie van defensie en de groep die er ja en amen op zegt in de VS'. Van degenen die er 'ja en amen' op zeiden, koos hij vier prominente haviken uit met joods klinkende namen en stelde hen tegenover 'jongens met namen als McAllister, Murphy en Gonzales' die in feite het gevecht moesten leveren als deze joden hun zin kregen.

In 2001 maakte Richard Perle - volgens de geschriften van Buchanan en andere paleoconservatieven een van de vier haviken uit 1991 - een come-back. Maar Perle werd nu vergezeld door Paul Wolfowitz en Douglas Feith, die beiden hoge posities bekleedden in het Pentagon, en door herkenbaar joodse intellectuelen buiten de regering. Net als hun voorgangers in 1991, werden zij afgeschilderd als agenten van hun oorlogszuchtige geestverwanten in de Israëlische regering. Maar er was ook een verschil: De nieuwe groep was erin geslaagd te infiltreren in de bovenste lagen van de Amerikaanse regering. Toen ze dit hadden klaargespeeld, hadden ze samengezworen om hun niet-joodse bazen - vice-president Cheney, minister van defensie Donald Rumsfeld, nationaal veiligheidsadviseur Condoleezza Rice en George W. Bush zelf - te bewerken om Irak binnen te vallen.

De leveranciers van deze theorie brachten zelf triomfantelijk het 'bewijs' naar voren brachten. Dat 'bewijs' bestaat uit gepubliceerde artikelen en uitspraken waarin de vermeende samenzweerders openlijk en ondubbelzinnig precies dat beleid bepleiten dat ze de Bush-regering in het geniep zouden hebben aangesmeerd. De zogenaamde geheime samenzweerders hadden nooit onder stoelen of banken gestoken dat ze ervan overtuigd waren dat het omverwerpen van Saddam Hoessein en een beleid gericht op democratisering van het hele Midden-Oosten, niet alleen goed zou zijn voor de VS en voor de bevolking van die regio, maar ook voor Israël. (Wat is daar eigenlijk verkeerd aan?, vroeg Richard Perle verbijsterd aan een vijandige interviewer.)

De Vierde Pijler

Als je het gelamenteer van Scowcroft hoort, zou je denken dat Bush het Israëlisch-Palestijnse conflict volkomen genegeerd heeft. Maar al voor 9/11 was bekend dat Bush zich een openlijk voorstander wilde tonen van een Palestijnse staat, als enige weg naar een vreedzame oplossing van het conflict. En in oktober 2001 werd hij de eerste Amerikaanse president die dat ook deed. Maar in de maanden die volgden, lijkt hij te hebben beseft dat er iets bizars zat in het steunen van een Palestijnse staat die geleid zou worden door terroristen als Jasser Arafat. Waarom zouden de VS de vestiging steunen van nóg weer een staat die het terrorisme huisvest en steunt, en dat nu we in oorlog waren om de wereld te bevrijden van juist dat soort regimes? Deze prikkelende vraag zette Bush waarschijnlijk aan tot de verklaring van 24 juni 2002, waarin hij voorwaarden stelde aan zijn steun aan een Palestijnse staat: 'Op dit moment keren de Palestijnse autoriteiten zich niet tegen het terrorisme, maar moedigen het aan. Dat is onaanvaardbaar. De VS zullen de vestiging van een Palestijnse staat niet steunen tot de Palestijnse leiders een permanent gevecht aangaan tegen de terroristen en hun infrastructuur ontmantelen.' Daarvoor is de verkiezing vereist van 'nieuwe leiders die niet gecompromitteerd zijn door de terreur' en die zich inzetten voor de opbouw van 'nieuwe politieke en economische instituties, gebaseerd op democratie, markteconomie en optreden tegen het terrorisme'.

Hiermee bracht Bush zijn visie op een Palestijnse staat die vreedzaam naast Israël bestaat, in overeenstemming met zijn algehele perspectief op het kwaad van het terrorisme. Vervolgens plaatste hij de Palestijnse kwestie opnieuw in de bredere context waar de Arabische propaganda haar uit los had gemaakt. Deze stap was bijzonder belangrijk, maar bleef vrijwel onopgemerkt. Daarom is het de moeite waard er nog even bij stil te staan.

Al voor Israël in 1948 werd gesticht, hadden de islamitische landen van het Midden-Oosten gevochten tegen de vestiging van een Joodse staat op grondgebied dat Allah volgens hen gereserveerd had voor de trouwe volgelingen van zijn profeet Mohammed. Vandaar dat het Arabisch-Israëlische conflict honderden miljoenen Arabieren en andere moslims, die gezamenlijk meer dan vierentwintig landen en enorme stukken grond bezaten, wist op te zetten tegen niet meer dan driekwart miljoen Joden die leefden op een piepklein stukje land ter grootte van New Jersey.

Maar toen kwam de Zesdaagse Oorlog van 1967. De bedoeling van deze oorlog was om Israël van de kaart te vegen, maar hij eindigde ermee dat Israël in het bezit kwam van de Westelijke Jordaanoever (voordien van Jordanië) en Gaza (voordien van Egypte). Arabische propagandisten bogen deze vernederende nederlaag in de loop der tijd echter om in een retorische en politieke overwinning, door de voortgaande oorlog van de hele islamitische wereld tegen de Joodse staat te herdefiniëren als een strijd tussen Palestijnen en Israëliërs. Zo veranderde het imago van Israël van een David in een Goliath, een zet die veel van de oude sympathie voor een in de minderheid zijnde en belegerde Joodse staat verloren deed gaan.

Bush keerde deze omkering van zaken weer om. Hij zei de Palestijnen de waarheid, namelijk dat ze decennialang waren gebruikt 'als pionnen in het Midden-Oosten conflict'. Hij liet zich ook rechtstreeks uit over de naties die thuishoorden in het grotere verband: ,,Ik heb gezegd dat naties met ons of tegen ons zijn in de oorlog tegen de terreur. Iedere leider die werkelijk de vrede voorstaat, moet ophouden met aanzetten tot geweld en moet zelfmoordaanslagen publiekelijk veroordelen. Iedere natie die werkelijk een voorstander is van vrede moet een eind maken aan de stroom aan geld, middelen en mensen, die vloeit naar terroristische groeperingen die uit zijn op het vernietigen van de staat Israël, waaronder Hamas, Islamitische Djihad, en Hezbollah. Iedere natie die voorstander is van vrede moet de scheepsladingen met Iraanse voorraden voor deze groeperingen stoppen en zich verzetten tegen regimes die het terrorisme steunen, zoals Irak. En Syrië moet de goede kant kiezen door terroristische trainingskampen te sluiten en terroristische organisaties het land uit te zetten.''

Hier liet Bush de context zien waarin het Midden-Oosten conflict begrepen moet worden. Hij paste niet alleen de Palestijnse Autoriteit, maar de gehele islamitische wereld in in zijn concept van de oorlog tegen het terrorisme.

Zo werd de laatste inconsistentie uit de wereld geholpen door deze vierde pijler. En daarmee was de Bush Doctrine stevig, coherent en compleet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden