De verzwegen bijslaap

Is nu zelfs het zoete terugverlangen voorgoed voorbij? De Pasar Malam Besar in Den Haag is niet meer. Na vijftig jaar gaat de ’nostalgische Indische markt’ (aldus Van Dale) verder onder de naam Tong Tong Fair. Maar, bezweert de organisatie, die verandering betreft alleen de naam. Ze wil volgend jaar met de nieuwe naam duidelijk maken dat het om een Indisch cultureel festival gaat, met lezingen, tentoonstellingen, workshops, zang, dans, muziek en theater, dat het meer is dan het cliché van een door petroleumlampen verlichte avondmarkt met kramen en nasitentjes. Al blijft die markt er natuurlijk ook. In feite is de Pasar Malam op het Malieveld in Den Haag al uitgegroeid tot, zegt een persbericht, ’het grootste Euraziatische festival ter wereld ’ – dit jaar bezocht door een recordaantal van 133.000 bezoekers.

Ik bezoek op de valreep de laatste editie van de Pasar Malam. Indië is er nog aanwezig, ik zie Tante Lien op het programma en je kunt jezelf bij de entree van de tentenarchipel nog laten fotograferen op de veranda van een oud-Indisch plantershuis, er zal wel altijd een vleug tempo doeloe bewaard blijven. Maar om iets te beleven van de ambities van de organisatie laat ik de druk gonzende markt en de daarachter liggende eetwijken voor wat ze zijn en betreed het cultuurpaviljoen, met kleine tentoonstellingen over de geschiedenis van de Pasar Malam (dit najaar in boekvorm) en de muziekcultuur in Indië. Grote drukte is er in de lezingentent waar een exposé gegeven wordt onder de titel Bandoeng en Bandung, maar roerend is vooral de tentoonstelling over de njai, de inlandse huishoudster en bijslaap van de Hollandse koloniaal. Foto’s hangen er, portretten, in korrelig zwart-wit. En teksten. Daar lezen we: ’De njai, portret van een vergeten oermoeder. ’ Oermoeder? Ja, want uit deze ongelijke relaties, die overigens lang niet altijd gespeend van liefde waren, werden de Indo’s geboren, de Indische Nederlanders. Van hen en hun nazaten zijn er inmiddels zo’n achthonderdduizend, vertelt Reggie Baay, die niet alleen de tentoonstelling samenstelde maar ook over deze vrouwen een boek schreef.

Hij is zelf nazaat van zo’n inlandse vrouw. Achter een tafeltje signeert hij zijn boek en er is veel aandrang, want de njai is niet alleen een verzwegen figuur uit de koloniale geschiedenis, ze is ook een bron van schaamte, omdat haar kinderen zich bastaards voelden. Er waren kinderen die met moeder en al werden verstoten, maar na 1870 werden de kinderen vaker erkend. De schaamte over hun afkomst is echter lang blijven hangen. Aangrijpend is een gedichtje aan de wand:

Gelukkig vindt men het niet veel/ Maar toegeschroefd wordt mij de keel/ Als ’k over de sawah haar zie sjouwen/ Gewapend met een tak achter een troep karbouwen/ Het blonde kampongkind.

Het taboe om de njai lijkt eindelijk te zijn gebroken. Bij een van de foto’s staat een kleindochter die hier op de pasar haar oermoeder terugvond – in grote dankbaarheid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden