DE VERWOESTENDE MINACHTING VAN EEN LIEFDESLEVEN

David Vogel, 'Huwelijksleven', uit het Hebreeuws vert. door en met nawoord van Kees Meiling, uitg. Meulenhoff, Amsterdam 1992, 479 blz. - 49,50.

Tijdens een van zijn omzwervingen door Wenen loopt Rudolf Gurdweill, hoofdpersoon uit David Vogels 'Huwelijksleven', te peinzen over de rusteloosheid van de stad. Voortgedreven door zorgen, verveling of angst, zo mijmert hij, zijn de mensen onophoudelijk op zoek naar vertier en ontucht. En dat allemaal om maar niet 'recht en moedig de onrust in hun eigen ziel onder ogen te zien'. "Het gebrek aan houvast is na de oorlog nog groter geworden, zelfs zo groot dat je soms de indruk krijgt dat het al die mensen eigenlijk spijt dat ze het overleefd hebben."

Een reddeloze samenleving, dat is Wenen in de jaren twintig. In het fin de siecle hadden de ontbindende krachten vrij spel gehad. De aristocratie, met keizer Franz Joseph aan het hoofd, was na een langdurige doodsstrijd ten onder gegaan. Maar de christelijke en de socialistische politiek boden nauwelijks alternatieven voor de oude moraal. Hoogtijdagen dus voor een naar alle kanten wegschietend individualisme, dat in kunsten en wetenschappen weliswaar voor het ene hoogtepunt na het andere zorgde, maar de hulpeloze Weense burgermassa's in diepe eenzaamheid dompelde.

De Eerste Wereldoorlog had het lot van de ontredderde stad bezegeld. Voordien de hoofdstad van het machtige Habsburgse imperium werd Wenen nu het waterhoofd op de romp van een onaanzienlijke Alpenrepubliek. Een kleine twee miljoen inwoners bevolkten de stad, een aantal dat extra was opgestuwd door de toevloed van vluchtelingen uit door de oorlog geteisterde gebieden. Velen van hen waren afkomstig uit Galicie, op de grens van Polen en Rusland - arme orthodoxe joden die zich vestigden in het Tweede District van Wenen, Leopoldstadt, door de Donau gescheiden van het oude centrum. 'Een vrijwillig getto' noemde Joseph Roth de overbevolkte jodenwijk.

En Wenen had al zo veel joden. Merendeels liberale, 'geassimileerde' burgers, die vooral in de vrije beroepen werkzaam waren. In de handel dus en in het bankwezen, in de artsenij en de advocatuur, in de journalistiek en de kunsten. Het joodse aandeel in de bevolking zat voor de oorlog net onder, na de oorlog even boven de tien procent. Een substantieel aandeel inderdaad, in ieder geval groot genoeg om als aangrijpingspunt te dienen voor de enige 'moraal' die vat wist te krijgen op de Weense bevolking: het antisemitisme.

Het antisemitisme was sluipenderwijs onderdeel geworden van de condition viennoise. Het waren jaren vol incidenten rond rabiate jodenhaters als Georg Ritter von Schonerer, gelegenheidsjodenhaters als de christelijk-sociale burgemeester Karl Lueger en alledaagse jodenhaters zoals die overal in de Weense cafes, trams en parken te vinden waren. Het antisemitisme was op den duur net zo kenmerkend voor de psyche van de gemiddelde Wener als diens overvloedige seksuele neurosen. Zoals de joodse arts/schrijver Arthur Schnitzler zei: antisemitisme en seksuele ziekelijkheid zijn twee zijden van een en dezelfde medaille.

Het is zo om en nabij 1925, het jaar waarin het antisemitisme eigenlijk voor het eerst tot massale rellen en kloppartijen leidde toen in Wenen het veertiende Internationale Zionistencongres plaatsvond. Op een mooie lentedag wandelt Rudolf Gurdweill, een joodse jongeman met vage literaire ambities, van zijn woning aan de Kleine Stadtgutgasse in Leopoldstadt via de Praterstrasse richting centrum. Bij de brug over de Donau is een kleine menigte te hoop gelopen. Gurdweill dringt naar voren en ziet hoe een meisje dat uit het water is gevist in een lijkwagen wordt gedragen. Even rolt de deken van haar hoofd en kijkt Gurdweill in het opgezwollen gezicht van de zelfmoordenares. "De mooie lentedag was voor Gurdweill bedorven."

Met deze scene opent Vogels roman 'Huwelijksleven'. Meteen is alles er: de hoofdpersoon en het decor, de toon en het thema. Alleen laat de schrijver de hierboven geschetste politieke en historische achtergrond uit zijn verhaal weg. Antisemitisme is slechts hier en daar zichtbaar in de roman, alsof het een vanzelfsprekend, alledaags verschijnsel is. Een man in de tram begint Gurdweill en zijn vrienden voor vuile joden uit te maken; Gurdweills niet-joodse vrouw vertelt hem dat haar broer joden haat (maar wel dolverliefd is op een joods meisje); Gurdweill ziet in een cafe een aankondiging voor een bijeenkomst van Arische Natuurminnaars. Allemaal terloopse gebeurtenissen, door Vogel quasi opgevoerd als onderdeel van de naturalistische schildering van Gurdweills wereld.

Maar 'Huwelijksleven' is allesbehalve een naturalistische roman. Er wordt niets in beschreven omdat het er nu eenmaal is of omdat het verhaal nu eenmaal een decor moet hebben. Alles, werkelijk alles wat Vogel vermeldt is een onmisbare draad in het weefsel van de roman. Vierhonderdvijftig pagina's, en geen woord te veel. Overigens zonder dat het proza kaal en compact is. Integendeel, de eerste indruk is er een van wijdlopigheid. Maar al lezend begin je te beseffen dat ieder detail, ieder straatgeluid, iedere regenbui, iedere passant waar de schrijver gewag van maakt, ja zelfs iedere sigaret die hij zijn personages laat opsteken - en dat zijn er nogal wat - een functie vervult in het drama dat zich in de roman voltrekt.

Net zoals het antisemitisme een terloopse maar niet weg te denken rol vervult, zo geldt dat voor wat Schnitzler daar de keerzijde van noemde: de seksuele perfiditeit van de Weners. Nog diezelfde mooie lentedag dat Gurdweill onverhoeds in het gelaat van een jonge zelfmoordenares keek, een scene met een sterke onheilspellende werking, raakt hij verstrikt in de netten van baronesse Thea von Takow, die hem met een eindeloze reeks seksuele vernederingen te gronde zal richten.

Het komt tot een huwelijk tussen Thea von Takow en Rudolf Gurdweill: een lid van de ontluisterde aristocratie en een berooide Galicische jood. Hoewel Gurdweill niet belijdend is, wordt het huwelijk ingezegend in de beroemde synagoge aan de Seitenstettengasse in de oudste jodenbuurt van Wenen. Thea moet zich eerst tot de joodse godsdienst bekeren, maar daar tilt ze bepaald niet zwaar aan; het gemak en de onverschilligheid waarmee ze dat doet tekenen haar decadentie.

Van de hartstocht die Thea bij de verovering tentoonspreidt - zij verleidt Gurdweill door hem mee te slepen naar een Stundenhotel, waar ze hem op vampierachtige wijze 'neemt' - blijft na de huwelijksvoltrekking weinig over. Zij regisseert de lust door Gurdweill naar believen in haar bed toe te laten of hem - wat veel vaker gebeurt - naar zijn slaapplaats op de bank te dirigeren. Ondertussen pakt ze iedere man die ze krijgen kan en heeft ze zelfs een volwaardige verhouding met haar werkgever. Gurdweill houdt zich er blind en doof voor, zijn verlangen naar een normaal huwelijksleven is sterker dan zijn zin voor de realiteit, hoe vaak ook zijn vrienden, en met name de heimelijk verliefde Lotte, hem met de neus op de feiten drukken.

De volstrekte perfiditeit van Thea's gedrag wordt door Vogel in schitterende, beklemmende tableaus neergezet. Hoe ze hem onverwacht een felle klap geeft op het moment dat hij haar sussend over de rug aait. Hoe ze hem het verhaal van zijn eerste vrijage ontlokt en hem als beloning toefluistert: "Kleed je uit, konijntje, je mag vannacht bij me slapen." Hoe ze hem op schoot trekt en hem dwingt een sigaret te roken die ze zojuist van een minnaar heeft gekregen, onderwijl in detail tredend over wat ze met die geliefde in bed heeft uitgespookt.

En het kan allemaal nog erger. Zodra ze zwanger is houdt ze hem keer op keer voor dat hij vast en zeker niet de vader is. Maar wanneer de baby er eenmaal is, laat ze die volledig aan Gurdweills zorg over. En wanneer de boreling al snel weer overlijdt, beweert ze ineens heel overtuigd dat die wel degelijk van hem was. Thea domineert, castreert en maltraiteert Gurdweill naar hartelust. Ze is dan ook de nietzscheaanse beginselen toegedaan: "Vurige hartstocht en spierkracht, dat is waar het om gaat. . . ! Het echte, bruisende leven heeft niets van doen met gepieker!" En: "Kracht alleen is wat telt en aan krachtelozen valt niets te herstellen, zij moeten maar snel deze wereld verlaten. . . !" Een uitspraak die later in het verhaal op navrante wijze bewaarheid zal worden.

Ze plaagt me maar een beetje, maakt Gurdweill zichzelf wijs. En ieder teken dat erop wijst dat in Thea wel degelijk nog enige liefde, mildheid en mededogen schuilt, grijpt hij met beide handen aan. Gurdweill blijft tegen beter weten in hopen op redding uit de morele ruine die Wenen geworden is en waarin Thea zich thuis lijkt te voelen als een heks in de Walpurgisnacht. Want Thea en Wenen staan in Gurdweills overpeinzingen vaak op een lijn: zij zijn zijn tegenstrevers, de krachten die hem verhinderen een normaal, bevredigend leven te leiden, die hem gevangen houden in een gesloten cirkel van liefde en haat, van verleiding en vernedering, van vertrouwdheid en vervreemding, en van hoop en vertwijfeling.

Gurdweill is, welbeschouwd, de klassieke belichaming van het beroemde 'onbehagen in de cultuur' waaraan Freud in diezelfde jaren twintig zijn spraakmakende opstel wijdde, een onbehagen dat de drijfveer vormde voor de individuele vlucht in de neurose en de collectieve vlucht in de rassenwaan. Het is dit onbehagen, deze rusteloosheid van Gurdweills ziel, waar Lotte, die een diepe hartsverwantschap met Gurdweill voelt, zich zo zorgen over maakt. Ze noemt het zijn 'metafysische wezen' en voorvoelt dat het zijn ondergang zal worden. "Het is net of je constant in gevaar bent, Gurdweill!"

Maar Gurdweill wil van geen gevaar weten. Ergens diep verscholen in zijn ziel koestert hij nog altijd een vage verwachting van verlossing. Op een gegeven moment bemerkt hij hoe "het reikhalzend uitzien naar de lente, waar de natuur van doortrokken was, onbewust ook zijn eigen ziel was binnengesijpeld, ondanks de scheidsmuur van de stad met zijn jachten en jagen." Het is deze 'inwendige band met de natuur', deze 'in wezen gezonde instincten' die hem het gevoel geven dat er nog redding is, dat het hem gegeven zal zijn ooit nog eens iets waardevols te scheppen dat hem uit het moeras van dodelijke eenzaamheid zal optrekken.

Op dat soort momenten voelt hij zelfs een tedere liefde voor Wenen, 'deze stad vol licht, die honend-uitdagend en tegelijk zo gedwee-onschuldig was'. "Hij hield van de lichtzinnige en levensblije inwoners van deze stad, de frivole en oppervlakkige sfeer van uitgelatenheid waarvan ze doortrokken was."

Maar hij wordt onmiddellijk afgestraft. Iedere keer wanneer hij door zo'n zeldzaam geluksgevoel wordt overvallen, loopt hij pardoes de vreselijke Heidelberger tegen het lijf, een botte, opdringerige praatjesmaker, die Gurdweill op een gegeven moment zelfs zijn dommige vrouw opdringt - waarlijk een hoogtepunt van perfiditeit, waarbij vergeleken Thea's latere voorstel om met de Heidelbergers partnerruil te plegen maar een onschuldig ideetje is. Helemaal aan het slot van de roman, waarover nadere mededelingen hier maar beter achterwege kunnen blijven, zal blijken hoe omineus deze ontmoetingen met Heidelberger zijn.

Dat opduiken van Heidelberger iedere keer dat Gurdweill net weer even een sprankje hoop heeft - het is maar een van de vele vondsten die van 'Huwelijksleven' zo'n volmaakt gecomponeerde roman maken. Een beetje te klassiek misschien, met zijn aristotelische indeling in vijf 'bedrijven', zijn traditionele rolverdeling in hoofdpersoon (Gurdweill), helper (Lotte) en tegenstander (Thea), zijn onvermijdelijk tragische afloop, en zijn beroep op het inlevingsvermogen van de lezer. Maar deze en andere klassieke technieken worden door David Vogel met zo'n meesterschap gehanteerd dat de lezer ze pas na afloop ontdekt, nadat hij zich eerst door alle verleidingstrucs van de schrijver heeft laten meeslepen en de ontknoping hem van de tragische spanning heeft bevrijd.

Nee, 'Huwelijksleven' is geen vernieuwende roman, en was dat ook niet in de tijd dat hij geschreven werd. En toch verdient hij een plaats naast de andere grote romans uit die tijd, die wel de klassieke schema's doorbraken. 'Ulysses' van James Joyce, 'Petersburg' van Andrej Bjelyj, 'Berlin Alexanderplatz' van Alfred Doblin - net als 'Huwelijksleven' allemaal grotestadsromans, handelend over de crisis van het moderne leven, maar veel gedurfder van vorm en experimenteler in hun technieken. 'Huwelijksleven' overtuigt door de precisie en perfectie waarmee Wenen met al zijn geuren en geluiden tot leven wordt gebracht, door de prachtige dialogen, met als hoogtepunten de 'dialogues interieurs' die zich in het hoofd van de verscheurde Gurdweill afspelen, door de theatrale uitdrukkingskracht van de personages, die emoties vertonen van een grootsheid die in een opera niet zou misstaan, en door de tijdloosheid van het onderwerp, hoezeer plaats en tijd ook bepalen hoe een en ander zich voordoet.

Wie is dan deze modelschrijver, David Vogel, en waarom hebben we nooit eerder van de man gehoord? Het antwoord op de laatste vraag ligt verborgen in die op de eerste. En voor het antwoord daarop zijn we aangewezen op het zeer informatieve nawoord van vertaler Kees Meiling. David Vogel werd in 1891 geboren in Podolie, een streek ten zuidoosten van Galicie. Zijn moedertaal is dus Russisch. Omzwervingen, begeleid door armoede en ontbering, voeren hem via Wilna, Odessa en Lwow (in Galicie) naar Wenen. Het is dan 1912 en wanneer niet lang daarna de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, wordt hij vanwege zijn Russische staatsburgerschap geinterneerd. Na de oorlog blijft hij in Wenen, tot zijn huwelijk op de klippen loopt.

Opnieuw begint een periode van omzwervingen, die hem naar Parijs, Palestina, Berlijn, Galicie, opnieuw Wenen en ten slotte weer Parijs voeren. Wanneer de Tweede Wereldoorlog uitbreekt wordt hij net als bij de Eerste geinterneerd, nu omdat hij het Oostenrijkse staatsburgerschap heeft. Na Frankrijks capitulatie vestigt hij zich in de buurt van Lyon, vanwaar hij in februari 1944 naar een concentratiekamp wordt gedeporteerd. Dat is het laatste wat er van hem bekend is.

Dus in welke taal schreef Vogel? Russisch? Duits? Frans? Jiddisj? Nee, in het Hebreeuws. En dat is de reden waarom 'Huwelijksleven' zo lang onopgemerkt is gebleven. Uitvoerig legt Meiling uit welke plaats Vogels werk inneemt in de Hebreeuwse literatuur. Wat die uiteenzetting duidelijk maakt is dat 'Huwelijksleven' een veel te Europese roman was om in de Hebreeuwse letteren een belangrijke rol te spelen, behalve dan op het gebied van de taalverrijking, wat gezien Vogels meertalige achtergrond niet verwonderlijk is. Het gevolg van het een en ander was dat Vogels 'Huwelijksleven' pas in 1988 in Europa werd ontdekt en vertaald. (Over de kwaliteit van Meilings vertaling durf ik, onbekend als ik ben met het Hebreeuws, alleen maar te zeggen dat het Nederlands voortreffelijk is.)

"De Eeuwige Jood - rust kent hij niet. . ." , schrijft Vogel over Gurdweill wanneer die door Thea uit drift het huis is uitgezet en doelloos de straten van Wenen afschuimt. "Hij dacht allang niet meer aan de oorzaak van zijn dwalen - hij wist alleen nog dat hij almaar voort moest lopen, ondanks zijn verschrikkelijke vermoeidheid." Het is niet de enige passage die doet vermoeden dat er in Gurdweill veel Vogel zit. Net als Vogel trekt Gurdweill kort voor de Eerste Wereldoorlog van Galicie naar Wenen. Aldaar zoekt Gurdweill net als Vogel zijn geluk in het schrijverschap. Gurdweills huwelijksdrama ontrolt zich in de jaren 1924-25, vlak voordat Vogel - vanwege zijn eigen mislukte huwelijk? - naar Parijs vertrekt, waar hij aan de roman begint. En zit in Vogels beide oorlogsinterneringen niet iets van de schlemieligheid waardoor ook Gurdweills lot in ruime mate wordt gekenmerkt?

Want voor alles is Gurdweill een klassieke schlemiel, iemand die altijd op het verkeerde moment en op de verkeerde plaats de verkeerde mensen tegenkomt die hem prompt de verkeerde weg wijzen. Op die manier loopt de schlemiel de beste kansen van zijn leven mis - en dat is precies wat Gurdweill overkomt. Het hele boek door en met steeds grotere heftigheid probeert de lieve, mooie, slimme, toegewijde Lotte hem ervan te overtuigen dat Thea niets voor hem is en zij alles. Maar Gurdweill ziet het niet, tot het te laat is en hem van Lotte niets anders rest dan het beeld van haar gezicht toen hij haar voor het laatst sprak: een ovaal, wit gezicht het bloed weggetrokken, de ogen strak op het plafond gericht. Leek dat niet op het gezicht uit de allereerste scene van het boek?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden