De vervlogen idealen van Pierre de Coubertin

Geraadpleegde bronnen: Pierre de Coubertin, The Olympic Humanist, Canrado Durántez. The Modern Olympics, Peter J. Graham, Horst Ueberhorst. The Olympic Crisis, John Hoberman. Sport en Vrede, Nederlandse Katholieke Sportfederatie.

Dromen, het zwakke punt van De Coubertin, de oprichter van wat 's wereld meest aansprekende besloten club is geworden, het Internationaal Olympisch Comité. Zo er oorlogen moesten worden uitgevochten, ze zouden volgens hem 'humaner' verlopen indien de legers uit sporters zouden bestaan. Zelfs in 1936 werd de Fransman niet wakker, toen Hitler het evenement misbruikte ter promotie van zijn nationaal socialisme. “Het imposante succes van de Berlijnse Spelen heeft het Olympisch ideaal geweldig gediend”, verklaarde de Baron na afloop. Zelf bezocht hij de Spelen sinds 1924 niet meer, maar hij schreef Hitler persoonlijk een brief om hem zijn felicitaties over te brengen.

Scherp stond die werkelijkheid van '36 en volgende jaren afgetekend tegen de idealen zoals de Olympische beweging die bij haar oprichting op 23 juni 1894 verwoordde:

- door sportbeoefening de ontwikkeling bevorderen van morele en lichamelijke kwaliteiten;

- de jeugd door sport opvoeden in een geest van verdraagzaamheid en vriendschap om te komen tot een betere en verdraagzamer wereld;

- door het uitdragen van de Olympische idealen te komen tot betere internationale verhoudingen;

- de atleten van de wereld uitnodigen voor een vierjaarlijks sportfestijn: de moderne Olympische Spelen.

De filosofie die De Coubertin via zijn Olympische beweging wilde uitdragen stoelt op twee pijlers: de klassieke Olympische Spelen uit de Griekse oudheid en het Engelse en Amerikaanse sportsysteem voor studenten. De Coubertin zag in de Engelse sport-gentleman de moderne versie van de Griekse modelatleet.

Voor zover valt na te gaan vonden de eerste Klassieke Spelen plaats in 776 voor Christus in de heilige vallei van Olympia. Ze werden bijna 300 maal gevierd alvorens ze in 393 werden verboden door emperor Theodosius. Het professionalisme was toen al eeuwenlang gemeengoed. In eerste aanleg kregen de winnaars een lauwerkrans op het hoofd; bij drie triomfen werd de atleet in Olympia vereeuwigd in een beeld. Tijden, afstanden en records werden pas 500 voor Christus ingevoerd, daarvoor was slechts het plezier van de onderlinge wedijver tijdens het naakt sporten van belang.

De sportmanifestatie viel samen met religieuze ceremonies ter ere van de oppergod Zeus en was slechts toegankelijk voor bewoners van de Helleense wereld. Althans het mannelijke deel ervan, vrouwen die werden betrapt op het bezoeken van het gebied, werden van rotsen geworpen of gestenigd. De vierjaarlijkse Spelen vormden een ontmoetingsplaats voor handelsbesprekingen, het uitdragen van wetenschappelijke theorieën, diplomatieke besprekingen en kunstbeoefening. Oorlogen werden ten tijde van de Spelen stilgelegd (de godsvrede) om deelnemers een veilige aan- en afreis te garanderen. Deze Helleense sport- en spelcultuur verbrokkelde met de invoering van het professionalisme - met doping en omkoping als gevolg - en invloeden van buiten, met name van de Romeinen.

De Helleense wereld vormt een soort gemenebest, waarin gemeenschappelijke culturele, godsdienstige en samenlevingsaspecten een belangrijke rol spelen. Een totaal andere cultuur dan de onze, waardoor het twijfelachtig is of de Klassieke Spelen wel een voorbeeld voor de moderne samenleving konden zijn. De Coubertin idealiseerde echter het romantische beeld dat van die tijd bestond. De Fransman beschouwde sport als katalysator voor vrede, zijn Spelen zouden de internationale verstandhouding tussen landen en volkeren verbeteren.

Aanvankelijk zette de Baron zich in voor zijn eigen nationale samenleving. De Coubertin stamt uit een rijke familie van Italiaanse afkomst die in 1471 in de adelstand werd verheven. Hij studeerde in Parijs politieke wetenschap en reisde veel naar Amerika en Engeland. Daar deed hij zijn kennis op van het sportsysteem op de scholen en universiteiten.

De Coubertin was zoals zoveel van zijn generatiegenoten getraumatiseerd door de Frans-Pruisische oorlog van 1870. Het verwerken van de nederlaag werd bemoeilijkt door het slechte sociale klimaat. Volgens De Coubertin konden de Fransen door sport hun eigenwaarde terugkrijgen en daardoor weer, zoals Engeland, een sterk koloniaal bolwerk worden. Door sport zouden lichamelijke en morele kwaliteiten gelijkmatig worden ontwikkeld, sportieve competitie zou bijdragen aan wederzijdse waardering, respect en verdraagzaamheid. Toen zijn ideeën in eigen land niet aansloegen, begon De Coubertin internationaal te denken en groeide het idee om de Olympische Spelen nieuw leven in te blazen.

Incidenteel waren er al wel eens wat plaatselijke activiteiten op poten gezet, zoals de Nationale Griekse Olympische Spelen in de negentiende eeuw en de tweedaagse Engelse Olympische Spelen tussen 1620 en 1860. Maar toen De Coubertin in 1892 voor het eerst in het openbaar zijn Olympische opvoedingsplan kenbaar maakte, wilde hij zoveel mogelijk landen bereiken. Twee jaar later stelde hij het Internationaal Olympisch Comité samen uit financieel onafhankelijke mannen die internationalisme boven nationalisme stelden. Met als decreet dat het bestuur eeuwig zijn eigen leden zou aanwijzen. De stichter zag zelf Parijs in 1900 als eerste locatie voor de Spelen. De Griek Demitrious Bikelas overtuigde als eerste IOC-voorzitter zijn bestuur ervan dat de primeur op historische grond in Athene thuishoorde.

Wat de Coubertin met de Spelen voorhad, was niet de vorm waarin ze nu zijn gegoten. Zijn vrees was dat zij zouden uitgroeien tot een verzameling wereldkampioenschappen. “De Spelen vormen een vierjaarlijks festival van de alomvattende jeugd, de bloei van de mensheid, een festival van opperste krachtsinspanning, veelzijdige ambities en alle vormen van jeugdige activiteit gevierd door elke opeenvolgende generatie die is gearriveerd op de drempel van volwassenheid.”

Daarbij past soberheid. In 1925, bij zijn aftreden als IOC-voorzitter, waarschuwde hij dat het de verkeerde kant opging. Hij zag schoonheid en kunst steeds meer plaats maken voor overwinningsdrang. Voorts vond hij dat de lengte en de kosten van de Spelen aan banden moesten worden gelegd. Te veel luxe - waarin de huidige Olympische regenten baden - zou leiden tot “toenemende sociale verschillen”.

De moderne Spelen kwamen van de grond in een tijd waarin verwoed discussie werd gevoerd over prof- en amateursport. Die is onlosmakelijk met de Spelen verbonden gebleven, ook nu ze 'open' zijn. De huidige artiesten krijgen op de Spelen immers nog altijd niet betaald voor hun diensten. Voor De Coubertin, die er voor zorgde dat sporters hun reis-en verblijfkosten niet zelf hoefden te betalen, bleven betalingen taboe, ofschoon hij zich niet altijd een als puritein uitte. Hij was van mening dat veel sporters ten onrechte het stempel professional droegen. “Voor mij is sport een religie met zijn eigen kerk, dogma's en dienst. Maar boven alles is het een religieus gevoel en het lijkt me even kinderachtig om een voorbehoud te maken voor een atleet die vijf franc heeft ontvangen, als een koster van een parochie als ongelovige te beschouwen omdat hij een salaris ontvangt om op de kerk te passen.” Vlak voor zijn dood zei hij zelfs de geringste interesse te hebben verloren in het amateurvraagstuk.

Dat hadden zijn opvolgers niet. Tot in 1988 de Spelen geleidelijk werden opengesteld voor professionals, was amateurisme een voortdurende bron van discussie. Met de deelneming van het Oostblok vanaf 1952 deed het staatsamateurisme zijn intreden en waren de Spelen goedbeschouwd 'open'. Om het onmiskenbare voordeel van dat 'beroepsamateurisme' te beschermen, kantte het Oostblok zich tegen elke opening die naar professionalisme riekte. Het bleek kortom onmogelijk een sluitende regel te ontwerpen voor de uiteenlopende ideologieën van de leden. Nu sportmiljonairs deelnemen, is sprake van een omgekeerde situatie. Al jaren doet het IOC pogingen de Spelen te verrijken met de beste voetballers van de wereld, maar de FIFA blokkeert dat streven om haar eigen WK te beschermen.

Onverbeterlijk was de Baron bij het weren van vrouwen. Hij meende dat de glorie van een vrouw het meest tot haar recht komt door het aantal kinderen dat ze baart, en wat de sport aangaat, haar grootste vaardigheid was haar zoons te stimuleren uit te blinken. De Spelen waren volgens De Coubertin “De plechtige en periodieke geestvervoering van mannelijke atletiek met internationalisme als basis, loyaliteit als middel, kunst als omlijsting en vrouwelijk applaus als beloning”.

Uitgerekend de organisatoren van Parijs hadden in 1900 tot verbijstering van De Coubertin met tennis en golf plaats voor vrouwen ingeruimd. 'Officieel' stond vrouwensport pas in 1912 in Stockholm op het programma (tennis en zwemmen), maar het zou nog zestien jaar strijd vergen om atletiek op de kalender te krijgen. Het was haast symbolisch dat tijdens die Amsterdamse Spelen in 1928 De Coubertin voor het eerst ontbrak op en rond het sportterrein.

Twintig jaar later was Fanny Blankers-Koen een verschijning van een andere planeet, toen ze als moeder van twee kinderen vier gouden medailles won. De vrouwensport nam pas een vlucht met de intrede van het Oostblok in 1952. Er moest worden opgebokst tegen voorzitter Brundage, die nog twintig jaar lang een rem zette op de emancipatie. Van 1920 tot 1972 kroop het percentage deelnemende vrouwen van twee naar 23 procent.

Lag oorspronkelijk de nadruk op het samen sporten door deelnemers uit alle landen, al snel kregen de Spelen met het vormen van landenploegen het huidige karakter van nationaal machtsvertoon. De mondiale belangstelling groeide, het belang van medaille-klassementen werd steeds hoger aangeslagen en er ontstond een atmosfeer waarin politiek prestige in de sportarena het voornaamste doel was. Zelfs het binnenhalen van de Spelen werd een strijd op zich. Amsterdam wordt genoemd als eerste Spelen die als nationaal promotiemiddel werden gebruikt. Het land van Calvijn gooide er in 1928 twee miljoen gulden tegenaan, hetgeen binnen de eigen grenzen veel kritiek ontlokte.

Berlijn '36 is het eerste uitgesproken voorbeeld van politiek misbruik. Er is dan definitief een kloof geslagen tussen de oorspronkelijke idealen zoals De Coubertin die formuleerde en de harde werkelijkheid van de steeds politieker wordende wereld. Die verwijdering bereikte in de jaren zestig, zeventig en tachtig nieuwe dieptepunten in de tweestrijd communisme-kapitalisme. Het ontaardde in twee omvangrijke politieke boycots die het einde van de Spelen leken in te luiden: in 1980 toen onder meer de Amerikanen niet in Moskou verschenen wegens de Sovjet-inval in Afghanistan, en in 1984 toen het Oostblok en Cuba als tegenzet het evenement in Los Angeles ontliepen.

De Olympische regenten bleven doen alsof ze boven de politiek verheven waren, zoals in 1972 in München ten overvloede duidelijk werd. Na het bloedbad onder Israeliërs tijdens een gijzelingsactie van Palestijnse terroristen, sprak Brundage de legendarische woorden: The Games must go on. Lang slaagde het IOC er inderdaad in neutraal te blijven, vooral door het negeren van politiek. Tot zij in 1968 bezweek voor de druk en vooral in haar eigen belang besloot Zuid-Afrika en Rhodesië uit te sluiten. Maar een motie verwierp om nationale vlaggen en volksliederen te verbieden. De regel van 1975: 'geen discriminatie toegestaan tegen land of persoon op grond van ras, religie of politiek', gaf het IOC een middel om zich van nationale misstanden te kunnen afwenden. En het idealistische beginsel 'sport voor iedereen' te negeren.

In zijn memoires feliciteert De Coubertin zijn club met haar kwaliteit “de kameleon spelen”. Het IOC trachtte haar kwetsbaarheid te verminderen door zich aan te passen, niet door idealen te volgen. Volgens een medebestuurder was De Coubertin “bereid concessies in publicatie en actie te doen aan iedereen zolang de Spelen maar in stand bleven.” Zijn opvolgers zouden zich daar aan houden. Heeft ook de huidige IOC-voorzitter Samaranch niet veel weg van een kameleon? De Catalaan steunde in de jaren dertig en veertig de Spaanse dictator Franco in woord en daad en speelt nu aan de hand van de commercie de vredesduif. Die de in '80 bijna failliete Spelen tot een geldmachine verbouwde. Bijvoorbeeld door het jubileum van honderd jaar Spelen niet te vieren op de plaats van oorsprong maar ze te verkopen aan Coca Cola. Aan Atlanta, waar in dit jaargetijde sport bedrijven in de buitenlucht een kwelling zal blijken in plaats van een genot.

De Britse oud-Olympisch atleet en historicus John Lucas noemt De Coubertin een “man van monumentale ambivalentie” en zijn publicaties “een martelend labyrint van inconsequenties”. Vooral omdat hij geen scheidslijn kon trekken tussen zijn twee levenswerken: de wereldwijde verbreiding van lichamelijke opvoeding en het vergroten van de draagwijdte van de Spelen. Hij hoopte dat de deelnemers aan de Spelen invloed zouden hebben op de gezondheid en fitheid van de massa. Lucas: “Door al zijn geschriften beweegt De Coubertin zich tussen de zorg om een gelijk lichamelijk welzijn voor de massa en die voor 's werelds beste atleten. Ik geloof dat De Coubertin zichzelf een enorme staat van grootheid onthield in zijn falen de Spelen te zien als een zeldzame verzameling van kampioenen - mannen en vrouwen - die een bijzondere behandeling verdienen en eisen. Zijn al te standvastige gewoonte om dezelfde criteria, gedragsregels en filosofie toe te schrijven aan zowel Olympische atleten als recreatieve sportmensen, was de enige grote zwakheid van deze Olympische filosoof.”

Toen de Baron in 1937 stierf, werd zijn lijk overeenkomstig zijn wens gedeeld. Zijn lichaam werd begraven in Zwitserland, het land dat in tegenstelling tot Frankrijk zijn werk begrip en onderdak gaf. Zijn hart rust in het heiligdom van Olympia.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden