De vertaler: daarom dus die lange zinnen

De taal van Peter Handke is niet eenvoudig en zeker niet toegankelijk. Toch werd de afgelopen weken op deze plaats zijn winterliche Reise onder de titel 'Gerechtigheid voor Servië' integraal gepubliceerd.

Het pamflet onderbrak - 'niet hinderlijk, maar wel nadrukkelijk' - het grote werk waar Hans Hom, die sinds 1979 veel van de Oostenrijkse schrijver vertaalde, al enige tijd aan bezig is: de vertaling van Mein Jahr in der Niemandsbucht. Ein Mürchen aus den neuen Zeit. Deze roman van Handke verscheen in 1994 in Duitsland en de vertaling zal komend najaar in Nederland verschijnen bij uitgeverij De Prom.

Veel mensen lazen 'Gerechtigheid voor Servië', veel mensen dachten in hun hart ook: kan het niet korter? Minder lang en langdradig? Het antwoord van Hom is kort en duidelijk: 'Nee, korter kan niet'. Om vervolgens behoedzaam formulerend ('ik ben geen spreker'), zoekend en tastend bijna, uit te leggen waarom het niet kan. Hom: “Handke gebruikt de taal van de gedichtenlezer, de Bijbellezer, de taal van de klassieke literatuur. Handke's taal is niet het proza van de romancier, maar het poëtische proza van de klassieke verteller.”

“Vreemd genoeg is die klassieke verteltrant in Nederland 'weggezuiverd'. Bij ons staat de ironie hoog in het vaandel, niet de ernst of de verhevenheid. Vreemd genoeg, want Nederland heeft wel degelijk een traditie, waarin die twee een plaats hadden, maar met de ontzuiling en de democratisering is ook de taal veranderd, vlakgetrokken. Reve bijvoorbeeld kan zijn verheven stijl alleen nog gebruiken op een ironische manier.”

“Er heerst in Nederland een angst persoonlijk te schrijven over de liefde - ik bedoel niet de liefde tussen twee mensen, maar de liefde voor een object, een gedachte, een idee, de natuur of de mensheid. Wie dat doet, is een beetje belachelijk. In Duitsland staan ze nog iets dichter bij de taal van het verleden, althans, bij het gebruik ervan. Maar ook daar wordt de taal steeds zakelijker en korter en wint de taal die op de televisie en in kranten gebezigd wordt, terrein. Maar er is daar met die grote intellectuele traditie toch nog een stroompje van verhevenheid zichtbaar.”

“U vraagt om een voorbeeld. Neem de passages over de Drina. 'Ik stak mijn hand in het water van de Drina...' enzovoorts, enzovoorts. Het zijn alinea's die elkaar opvolgen, bijna bijbelse evocaties, waarin de herhaling een grote rol speelt.”

Hom pakt het dikke boek dat hij nog aan het vertalen is en vertelt dat met name Handke's reispassages sterk lijken op de passages uit de Niemandsbucht. “Waar hij ook over schrijft, hij komt altijd weer uit bij de sneeuw, de bomen en het stromen van een rivier. Zulke passages zijn zo herkenbaar dat ik ze blind zou kunnen raden.”

Hom bladert verder en vertelt dat Handke die zeer bewustgekozen stijl juist in zijn nieuwste boek verdedigt. Met de vinger bij bladzijde 826 van de Duitse gebonden Suhrkamp-editie van de Niemandsbucht: “Hij maakt hier de opmerking dat de critici hem waarschijnlijk zullen verwijten dat de handeling maar niet van zijn plaats komt en de zinnen ('hoe kan het anders') te lang zijn. En dan schrijft Handke: 'Ik liet ze zo lang worden, zoals ze zich uit het beeld dat in mij was en dat mij aandreef, voortvloeiden. Maar ik moet wel zo'n beeld hebben... het beeld dicteert de lengte van de zinnen.' Hij voegt er aan toe dat wanneer die zinnen dan wellicht ook nog langdradig zijn, die langdradigheid dan ook gevoeld werd en in harmonie staat met het beeld dat hem overkwam; 'met het trillen van de rimpels in het water'. Daarom dus die lange zinnen.”

“De zinnen moeten een hypnotisch effect hebben op de geest van de lezer. Handke gebruikt de lange zin om te overtuigen, om de lezer in een andere sfeer te brengen dan de zakelijke sfeer waartegen hij ten strijde trekt en waar ook dat cynische, korte taalgebruik bij hoort.”

Hom verlegt zijn hand van de roman naar de krant: “Daarom is dit stuk ook zo belangrijk. Handke gooit enkel literaire middelen in de strijd tegen die 'andere' wereld, tegen die ogenschijnlijk zo correcte westerse wereld, waarin alles is verstard. Handke wil de verstarring in het denken over Servië en de Serviërs doorbreken. Daar gaat het hem om.”

“Vrijwel niet één woordcombinatie is in het woordenboek te vinden. Handke gebruikt bijna allemaal nieuwgevormde woorden. Kijk maar (Hom schuift Trouw opzij en pakt de Süddeutsche Zeitung van 6 januari): Hochblöchen, herbst- blütterverstreuenden, Grenzfluss, Geldberuf, Freundswelt, Tendenzkartütschen... bijna Homerische combinaties zijn het. Of neem dat woord hier: Verdunkelung. Dat staat wel in het woordenboek, in de zin van verduistering, maar bij Handke krijgt het ook de betekenis van verborgenheid. Een trek, weg van het licht.”

“Ook in het Nederlands moet je de woorden verbuigen tot het echt niet meer kan. De zeggingskracht is er een van beknoptheid... ja, beknoptheid; ondanks de langdradige zinnen staat er enorm veel informatie in.”

“Zijn taal weerspiegelt ook zijn worsteling met zichzelf en de moderne wereld. Handke is geen romancier zoals Vestdijk of Hermans, hij is een episch autobiograaf - ja, dat is een geschikte typering. Altijd is er die botsing van het eigen bewustzijn met de moderne tijd waar hij zo weinig in ziet. Hij vindt dit een verschrikkelijke tijd en toch wil hij zich er aan overgeven, hem doorgronden.

Wie zegt dat Handke nu een lofzang op Servië heeft geschreven, heeft dan ook weinig van hem begrepen. Al zou hij het willen - hij kan het niet. Hij confronteert slechts. Niets is ook af, of mooi of virtuoos of erudiet. Virtuositeit en eruditie zijn bij hem zelfs uit den boze. Wie ergens vat op heeft, wie zegt het allemaal te weten, is verloren. Handke probeert daarentegen elke dag opnieuw weer de dagen op de wereld te veroveren. Door middel van de taal zoekt hij zich een weg in dit leven. Daarom beoordeelt hij anderen ook op hun taal. Wat zeggen mensen? Is hun taal oprecht of onoprecht? De taal is zijn maatstaf. Daar rekent hij de ander op af. Vandaar ook dat hij voor nieuwe filosofen als Alain Finkielkraut en André Glucksmann geen goed woord over heeft.''

“Je zou Handke dus een epische autobiograaf kunnen noemen. Niet een subjectieve, maar een epische. Dat wil zeggen dat hij met zijn leven ook het leven van de tijd beschrijft. Als hij het woord 'ik' niet meer kan gebruiken, is hij nergens meer.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden