De verplatting van de samenleving

Sinds de jaren zestig-revolutie worden we niet langer afgemeten aan onze bijdrage aan de samenleving maar aan ons inkomen. Wie waardering wil, wordt beursspeculant.

Wat nu de 'kredietcrisis' heet, voelde ik vagelijk aankomen eind jaren negentig. Ik gaf toen les op een opleiding voor maatschappelijk werkers. De studenten vertelden me dat ze op verjaardagsfeestjes niet meer durfden te vertellen welke opleiding ze volgden. 'Losers', kregen ze dan van hun leeftijdsgenoten te horen, 'dan kun je een BMW wel vergeten'.

Een gezonde samenleving geeft ruimte aan heel verschillende talenten van mensen en heeft ook een heel palet aan manieren om waardering daarvoor te uiten. Voor sommige talenten is er een wat hogere financiële beloning (vaak gekoppeld aan leidinggevende posities), voor andere talenten is er veel aanzien en respect weggelegd.

In de Noordwest-Europese samenlevingen is sinds de Middeleeuwen hoe langer hoe meer geëxperimenteerd met het idee dat jouw bijdrage aan de samenleving niet direct vastgesteld is met je geboorte maar te maken heeft met je eigen talenten. Een molenaarszoon kon zo een wereldvermaard schilder worden - Rembrandt. Maar ook minder spectaculair: een heel spectrum van beroepen kreeg vorm, met eigen bronnen van waardering, predikant, onderwijzer, zeeman, arts, boer, verpleegkundige, timmerman, enzovoort. Zo ontstond een heel subtiele structuur van wederzijdse erkenning tussen mensen op grond van de eigen bijdrage die ieder aan de samenleving gaf.

Dit eeuwenlang ontluikende en her en der gerealiseerde ideaal leek in de jaren zestig-revolutie van de vorige eeuw tot een afsluitend hoogtepunt te komen. Ieder kiest wat hij of zij doet, de weg tot zelfontplooiing ligt vanaf nu voor ieder open, zonder vooraf gegeven kaders, regels of dwang. Vrijheid en creativiteit als toverwoorden. Maar ook: laten we vooral niet spreken over de morele betekenis van die vrije keuzes.

Een generatie later schamen maatschappelijk werkers, onderwijzers, verpleegkundigen, 'ambachtswerkers' et cetera zich voor hun beroep. Geen erkenning krijg je, 'loser' ben je. Hoe durf je het om niet je fortuin te zoeken in de financiële wereld?

Wat is er met het prachtige ideaal gebeurd?

Allereerst werd de basisgedachte dat jouw inzet een bijdrage is aan de samenleving, ingeruild voor de idee van zelfontplooiing als bijdrage aan je eigen levensproject. Daarmee werd wel erg onduidelijk waarvoor je dan waardering van anderen kon krijgen. Loop jij in je zelfgekozen zelfontplooiingsproject de kantjes er niet van af? Deze onzekerheid over elkaars 'ontplooiing' is de aanjager geworden van een weergaloos wantrouwige afreken- en cijfercultuur.

De jaren zestig-revolutie sloeg bovendien wel heel in het bijzonder neer in de economische theorie en vervolgens in de economische praktijk. De idee van absolute individuele vrijheid werd de basis van een geheel nieuwe fase in het internationale kapitalisme, het anti-autoritaire kapitalisme. Milton Friedman, Margaret Thatcher en Ronald Reagan zijn - gek genoeg - kinderen van de jaren zestig. Deregulering werd het grote toverwoord. En ook hier raakt men vervolgens gebiologeerd door cijfers, door modellen, door kwantitatieve resultaten, door geld. Alsof dat de enige taal wordt waarin zelfontplooiende individuen zich met elkaar kunnen verstaan. Eén van de wezenlijke kenmerken van een gezonde samenleving, een heel palet aan waardering voor de kwalitatieve verscheidenheid van mensen, is hiermee verdampt. De samenleving is plat geworden, de mens eendimensionaal.

In die situatie gaat alle maatschappelijke waardering dan ook naar die sector waarin datgene gemaakt wordt, wat wij allen als enige goed nog gezamenlijk waarderen: geld. De geldproductiesector is 'the place to be'. Werken doe je op Wall Street, in de Londense City, op de Zuid-As. En hoe meer men hier geld schept, hoe 'creatiever' men is, hoe meer we er in bewondering naar kijken. 'Bubbles' zonder reële waarde, de ultieme vorm van zelfontplooiende creativiteit. Of dat nog bijdraagt aan de samenleving, is de vraag niet meer.

In een gezonde samenleving daarentegen zijn er inkomensverschillen, maar niet al te groot. Immers, we moeten ervan uitgaan dat iedereen zich inzet, niet alleen de top. Zodra je met mensen doorspreekt over hun diepere drijfveren, blijkt al snel dat veel van het besef van een gezonde samenleving nog volop levend is, zowel in het bedrijfsleven als in de non-profit sectoren. Zeer veel mensen doen hun werk niet puur voor de hoogte van het bedrag aan het eind van de maand, maar als mogelijkheid om een bijdrage te leveren aan anderen, aan de samenleving.

Onze taal is echter verarmd, verplat. En zo zijn we ook gaan handelen. Het is nu tijd voor een nieuwe jaren zestig-revolutie, maar deze keer goed. De 'Occupy Wall Street'-beweging kan er een voorbode van zijn. Als men maar beseft dat een gezonde samenleving een diepere mentaliteitsverandering vergt dan het aan de schandpaal nagelen van bankiers.

Dit is het derde deel in een serie over de oorzaken van de financiële crisis.

Govert Buijs is hoogleraar politieke filosofie & levensbeschouwing aan de Vrije Universiteit

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden