De verleiding als uitlaatklep

Nooit zal hij er los van komen, van zijn huishouding, Jan Steen. Altijd zal het bij hem een zooitje blijven en dat, terwijl hij toch van goede komaf was en ook bijzonder ordelijk en 'beschaafd' werk heeft achtergelaten. Donald Haks, als historicus verbonden aan het Instituut voor Nederlandse geschiedenis in Den Haag, specialiseerde zich in de sociale geschiedenis van de zeventiende en achttiende eeuw. Hij relativeert Steens janboel in een gesprek over dat berucht geworden huishouden, over feestvierders en over de moraal van het geschilderd verhaal.

Terwijl in het door historici als Romein, Huizinga en Rogier bevestigde beeld de Hollandse soberheid, properheid en ordelijkheid van de protestantse middenklasse voorop staat, wijst de katholieke Steen op het tegendeel: veel herbergen, veel leven op straat; veel vette, boerse humor en slappe lach; en niet te vergeten ook veel drank en toespelingen op de sexualiteit.

Wat zegt Steen nu over die zeventiende eeuw? Moet hij gezien worden als een sociaal fotograaf van zijn tijd of is deze 'psycholoog-in-het-komische', zoals Jan en Annie Romein hem ooit typeerden, vooral een allegorist?

“Het moeilijke bij alle zeventiende eeuwse schilderkunst, is dat je er niet van uit kunt gaan dat de dingen die je ziet ook werkelijk voorkwamen in het jaar dat het schilderij gemaakt werd. Er vindt vaak een vertekening plaats. Ook bij Steen. Neem de kleding. Vaak beeldt hij mensen af in oudere kleren dan zij normaal droegen.”

Aan de grote tafel van zijn werkvertrek boven de Koninklijke Bibliotheek, zoekt Donald Haks naar een voorbeeld. “Kijk”, zegt hij, wanneer hij 'Vrolijk gezelschap op een terras' (ca.1673-1675; op deze pagina afgebeeld) in de catalogus gevonden heeft: “Die luitspeler rechts draagt een zeer gedateerde pofbroek. Steen wil hier bij dit tafereel vooral als commentator optreden. Om effect te sorteren, laat hij sommige figuren er 'raar' uitzien. Juist bij Steen mag je details niet al te letterlijk opvatten. Ze hebben vaak een symbolische waarde.”

Hoewel Haks er meteen bij zegt dat Steen in sommige gevallen, zoals 'De dorpsschool' (ca.1670-1672) de verleden werkelijkheid wel natuurgetrouw weergeeft, ligt de historische betekenis van zijn werk vooral in de duiding van enkele veelbesproken maatschappelijke thema's uit de Gouden Eeuw, vooral de zedelijke moraal.

Haks: “De moraal zit er bij Steen overduidelijk in, maar is niet altijd zo direct als wij wel eens denken. Neem dat bekende huishouden van Jan Steen - wat betekent dat nou? Neemt hij een loopje met de in die tijd gepropageerde netheid, of is hij toch meer een moralist dan wij vermoeden en wil hij de kijker voorhouden, 'als je zo leeft als op dit schilderij, dan gaat het helemaal fout...' Dat is niet altijd even helder.”

Interessant noemt Haks de manier waarop hij de sexualiteit als thema naar voren heeft gehaald. “In de zeventiende eeuw bestond er een grote spanning tussen de moraal die vrij onderdrukkend was en de driften die men kende. Men trouwde vrij laat, gemiddeld tussen de 26 en 28 jaar oud, en omdat sex voor het huwelijk niet geaccepteerd werd, was er behoefte aan een uitlaatklep. En het zou mij niet verbazen als het werk van Steen met zijn openlijke verwijzingen naar sexualiteit daarin voorzag.”

Een duidelijk voorbeeld biedt 'In weelde siet toe' (1663, zie afbeelding op pagina 4) waarbij een jongen openlijk flirt met een prostituee. Haks: “De kleren van de vrouw zijn te kleurrijk, te frivool, voor een gewoon meisje. Normaal gesproken droegen vrouwen donkere kleding.” Ook het al genoemde 'Vrolijk gezelschap op een terras' blijkt een duidelijke uitlaatklep. Steen heeft hier een van de onbeschaamdste en weelderigste verleidsters uit de schilderkunst afgebeeld; je kijkt niet een beetje 'naar binnen'; haar blik en de rode schoentjes doen de rest.

Een schilder dus, die in een wereld met een strenge zedelijke moraal de druk van de ketel weghaalt. Volgens Haks bestaat er een parallel met de functie van de populaire schelmenroman uit dezelfde periode.

“De context van die romans was realistisch. Er komen geen wonderlijke huizen in voor, maar de schrijver schetst een omgeving zoals je die bij het dagelijks leven in de zeventiende eeuw kunt voorstellen. Binnen die rustige context beleven de hoofdfiguren allerlei sexuele avonturen, waarbij op een luchtige wijze aan de gevoelens van de lezer geappelleerd wordt.”

“Neem het populaire boekje 'Het Kind van Weelde of de Haagsche Lichtmis'. Tussen 1679 en 1765 haalde het maar liefst vier drukken en werd het ook in het Duits en Frans vertaald. De hoofdfiguur wordt voortdurend omringd door vrouwen. Hij beleeft allerlei koddige gebeurtenissen, waarbij de precieze moraal heel moeilijk te achterhalen is. Maar net als bij Steen, die er in zijn bewuste schilderijen vaak lachend bij staat, valt op dat de zware lading in het thema ontbreekt. Er wordt juist veel gelachen.”

Als er wèl een moralistische lading bij Steen te vinden is, vertelt Haks, dan zie je die terug in de rol van het kind. Hij bladert en terwijl de catalogus opengeslagen wordt bij het schilderij met Simson en Delila (1668) waar twee kinderen zich in een hoekje op de voorgrond ontfermen over de opvoeding van een hondje. 'Zit!' lijkt het ene jongetje te zeggen, terwijl hij het beestje een lepel voorhoudt.

“Vaak staan de kinderen er wat zijdelings bij en lijkt Steen te zeggen: 'Als je je huishouden zo laat lopen, dan worden zij het kind van de rekening.' In dit verband is het wel aardig dat buitenlandse reizigers vaak opmerkten dat de kinderen in de Republiek weinig gedisciplineerd werden opgevoed. Terwijl er veel over opvoeding gesproken werd en er ook vrij veel over geschreven werd, zeker vanuit calvinistische hoek. Neem Cats maar.”

Hoe ongedisciplineerd het er ondanks veel waarschuwingen en lijfstraffen in de zeventiende eeuw toe kon gaan, blijkt uit 'De dorpsschool'. Alles en iedereen loopt door elkaar en van onderwijs, zoals wij dat kennen, lijkt geen sprake. “Dat klopt ook”, zegt Haks. “De kinderen van de (gegoede) burgerij kregen eerst privéles en gingen dan naar de Latijnse school. Maar veel dorpsscholen zoals Steen die ook heeft geschilderd waren bovenal bewaarscholen voor de lagere klassen. Niet voor de onderste laag, die leidde een zwervend bestaan, maar voor de groep daarboven. Voor de vissers, werklieden en knechten met een vaste woonplaats. Ongeveer een derde van de bevolking hoorde daartoe.”

De eenvoudige sociale klassen die in het werk van Steen zo'n rote rol spelen, brengen Haks op een ander belangrijke nuancering die Steen aan het propere geschiedbeeld van de Gouden Eeuw aanbracht: hoewel zij niet in aanmerking meer kwamen voor de uitoefening van openbare ambten en hun geloof slechts in schuilkerken mochten belijden, drukten de katholieken een groter stempel op het openbare leven dan men op het eerste gezicht denkt.

“Je ziet bij Steen heel goed dat ondanks de calvinisering het dagelijkse leven gewoon doorging. Vijfendertig procent van de bevolking bleef katholiek en de typisch katholieke feesten zoals Driekoningenavond en Sinterklaas bleven gewoon bestaan. Daarbij zie je dat een groot deel van het leven zich nog op straat afspeelde. Later, in de achttiende eeuw werd dat anders. In de tijd van Steen had het leven een publieker karakter.”

“Voor mijn proefschrift 'Huwelijk en gezin in Holland in de 17e en 18e eeuw' heb ik veel bronnen gevonden waarin dat benadrukt wordt. Moest een getuige zijn verhaal vertellen in een zaak waarbij een voorechtelijk bezwangerde vrouw bijvoorbeeld haar vriend wilde dwingen tot een huwelijk of schadevergoeding, dan verwees hij vaak naar de kermis. 'Het was een paar weken na de Leidse kermis' staat er dan. De kermis speelde in het tijdsbesef van de mensen een belangrijke rol en was een baken in het jaar.”

“Om een vergelijking te maken: hier in Den Haag is er op Prinsjesdag een kermis en dat is het zo'n beetje. Maar destijds had elk dorp en iedere stad wel zijn eigen jaarlijkse kermis. Als je wilde, kon je er binnen een straal van dertig kilometer heel wat bezoeken. Dat gebeurde dan ook. Er werd kennisgemaakt, je ontmoette er je toekomstige man of vrouw, je zocht er vertier.”

“Iedereen kwam er. Rijk en arm. Ook figuren als Constantijn Huygens. Hoewel het verschil tussen de sociale klassen groter was, stond de elite niet zo ver af van de volksgewoonten als tegenwoordig. Steen zelf is er misschien wel het beste voorbeeld van.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden