De verkrachting van muze Clio

Banned Frank, T., (printsandtherevolution.nl)

Een 19de-eeuwse koets die een film over een vroegere eeuw komt binnenrijden, Anne Frank in Tsjechië: alles is geoorloofd om de publieksbehoefte aan historisch drama te bevredigen. Nelleke Noordervliet verkent de grenzen. „Het is tijd voor een Meldpunt Geschiedenis.”

Clio is een hoer. Dat weet iedereen. Ze staat achter een raam op de Wallen. Ze is een gulle, wulpse vrouw, die zowel de verlegen academicus als de luidruchtige filmregisseur bedient. Ze lonkt naar vrouwen en mannen gelijkelijk en geeft ieder wat hij verlangt. Een ingetogen copulatie, een lange en trage balts, een heftig bijtend drama, passie, ze draait haar hand er niet voor om. Ze speelt het spel. Maar wie ze werkelijk is: niemand weet het. Ze houdt haar ware aard geheim en lacht als Mona Lisa, wanneer iemand haar ernaar vraagt. Ze lijkt eeuwig jong, al is ze zo oud als de wereld, ouder nog dan haar beroep.

Clio, muze van de geschiedenis, heeft vaste klanten, maar soms neemt de belangstelling voor haar sterk toe. Zoals nu. In Nederland en in andere Europese landen wordt de hernieuwde aandacht voor de geschiedenis gekoppeld aan identiteit. Men zegt dat het te maken heeft met onzekerheid en verandering, met immigratie en ontworteling. Men zegt dat bij Clio troost en erkenning en gemeenzaamheid zocht wordt. En dat het goed is. Hoe meer toeloop naar het peeskamertje van Clio, hoe beter. Ik weet niet of dat waar is. Daarom leg ik u een aantal gevallen voor.

Vorig jaar was ik in Salem, Massachusetts. Een historischer oord is nauwelijks te vinden in de Verenigde Staten. Voor verwende Europeanen is het een aardig maar betrekkelijk jong stadje. Natuurlijk kende ik de geschiedenis van de heksenprocessen en de tragische dood van negentien vrouwen en mannen, onder wie John Proctor. Op de oude begraafplaats in het centrum herinnerde een opschrift eraan. Bescheiden. Mooi. De activiteiten eromheen werden gedomineerd door straatverkopers die puntmutsen en heksenmaskers verkochten. Er was een spookhuis. Om de sfeer compleet te maken wemelde het van de waarzeggers, de kaartleggers, de tarotlezers, die in de bordelen van het occulte hun clientèle ontvingen. De middenstand leefde van hekserij, kerkers, vleermuizen en Harry Potter-achtig vermaak. Het is een afgeleide industrie die op veel historische sites te vinden is: bij de piramiden van Gizeh, de Maya-tempels, de Taj Mahal, de Akropolis. Maar de waarzeggers van Salem ergerden me meer dan de snuisterijenverkopers van Caïro. Waarom? Een mini-mummie doet het verhaal van de geschiedenis geen geweld aan. De handlezer in Salem wel. Het is een profanatie, een vulgarisering. De astrologen van Salem teren op de angst en de goedgelovigheid van hetzelfde publiek, dat Proctor ter dood veroordeelde.

Als de vader van Anne Frank, Otto, zijn kantoor niet op 1 december 1940 van het Singel, waar ik woon, naar de Prinsengracht had verhuisd, dan had ik nu elk jaar honderdduizenden bezoekers langs mijn deur zien schuiven. Anne’s dagboek, dat aanvankelijk niemand uit wilde geven, is bewerkt tot toneelstuk, tot film, tot televisieserie, tot ’Anne Frank, the musical’. Ik hoop dat er enige integriteit en piëteit schuilt in de bewerkers van het materiaal. Zelfs als de Amerikaanse makers van de tv-serie uit financiële overwegingen een Tsjechische locatie kiezen, die naar hun idee sprekend lijkt op Amsterdam – maar die net zoveel op Amsterdam lijkt als ik op president Obama –, dan nog kan ik het hen vergeven. Als ze van Anne maar geen Paris Hilton maken.

Een heel wat complexer historisch probleem deed zich voor toen de oude boom, waarop Anne uitkeek in het Achterhuis, doodziek bleek en geruimd moest worden. Maar Anne’s boom mocht niet sterven. In zijn levende cellen draagt hij de herinnering aan Anne’s blik en dat maakt Anne levend. Zolang de boom leeft, is Anne niet dood. De wens de geschiedenis ongedaan te maken werd vertaald in de wens Anne’s boom te behouden. De boom heeft geen keus, die onderwerpt zich aan de loop der dingen. Mensen komen in opstand tegen het lot. Er zit iets heroïsch in maar ook iets bedenkelijks. Hebben we dan werkelijk een boom nodig om Anne te gedenken? Twee weken geleden nam de natuur de beslissing voor ons.

Anne Frank werd een icoon. Een icoon is een lege huls waarin mensen al hun verlangens, hun frustraties, hun behoefte aan bewondering, hun schuldgevoelens, hun minderwaardigheidscomplexen kunnen projecteren en sublimeren. Een icoon is losgezongen van zijn oorspronkelijke identiteit, zijn eigenheid. Anne Frank is veel meer geworden dan een intelligent en talentvol meisje dat een verschrikkelijke dood tegemoet ging. Anne is door de herdenkingsindustrie een voorwerp van verering geworden, waaruit haar persoonlijkheid totaal is verdwenen. De sentimentele pelgrims die zich geen enkele voorstelling kunnen maken van de realiteit tijdens de oorlog, komen diep onder de indruk uit het Achterhuis vandaan, waar ze uit het raam de kastanje konden zien, die Anne zag. Ze zijn diep onder de indruk van hun eigen emoties. Het is historisch rampentoerisme van het zuiverste water.

Hoe moeten we herdenken? Hebben we daar voorwerpen voor nodig? Plaatsen van herinnering? Monumenten? Ja, rituelen zijn zinvol. Maar het ritueel mag niet tot hysterie leiden. De Anne Frank-verering heeft in onze tijd de trekjes aangenomen van de celebrity-cultus die van levende mensen starre poppen maakt, karikaturen, uitvergrotingen van eenvoudige eigenschappen. Ik weet niet hoe Anne was, ik ken haar alleen uit haar dagboek.

Ik kocht de dvd van ’The Tudors’, van plan me te buiten te gaan aan historisch drama. Het zou allemaal vast wel wat overdreven zijn, maar who cares! Ik was bereid veel voor lief te nemen, tot ik een shot zag waarin een Elisabethaans (!) geklede acteur naar Hampton Court wordt vervoerd in een Victoriaanse koets: een blinkend zwart ding met lantaarns op de hoeken en ruitjes opzij en aan de achterkant. Ik schrok: de illusie was kapot. Toen schoot ik in de lach. Van drama was het klucht en pastiche geworden. Wat geeft het, hebben de makers gedacht, zo’n koets is ook oud, en het is een mooi plaatje. Middeleeuwen of Romantiek, het is één pot nat, het is allemaal vroeger.

Geloofwaardigheid en historische accuratesse worden niet noodzakelijk geacht voor een slecht geïnformeerd publiek, dat alleen vermaakt wil worden. Maar hoe interessant is het dan nog een historisch drama te maken? De kwaliteit ervan wordt niet gewaardeerd als het publiek enige basiskennis van de periode ontbeert. Wanneer op zijn minst de juiste weergave van feiten noodzakelijk is voor het aanvaarden van een nieuwe dramatische visie op de geschiedenis, zal het hervertellen van een gebeurtenis dubbel succesvol zijn als het geloofwaardig is. Een boeiende presentatie leidt dan tot meer kennis en begrip van de gebeurtenis. Dat is de toegevoegde waarde van goed historisch drama. Omgekeerd doet opzettelijke onzorgvuldigheid de historische werkelijkheid geweld aan en verspreidt het een soms persistent fout beeld van de geschiedenis. Clio wordt verkracht.

Natuurlijk: geschiedenis is altijd interpretatie. Elke generatie vormt zijn eigen beeld van het verleden. De visie op het verleden is net zo beweeglijk als de tijd zelf. Officiële geschiedschrijving kan even voos zijn als historisch drama: niet vrij te pleiten van geschiedvervalsing met een politiek doel. Iedere dienaar van een totalitair regime zet het verleden naar zijn hand. Daartegenover vormt de poëtische vrijheid in ’The Tudors’ toch een minimale ergernis?

Ik schreef een roman over Everdine Douwes Dekker-Van Wijnbergen, de eerste vrouw van Multatuli. We weten veel over haar leven en dat van Multatuli, maar er zijn witte vlekken overgebleven. We weten dat zij aan het eind van haar leven een brief schreef aan haar man, die met zijn nieuwe vriendin aan de speeltafels in Wiesbaden hun schamele bezittingen vergokte. Over die brief, die verloren is gegaan, was Multatuli ’zeer ontdaan’, zoals hij aan een vriend schreef. Ik veronderstelde dat zij geheel tegen alle adviezen van familie en vrienden en ook geheel tegen haar eigen gevoelens in Multatuli de vrijheid had teruggegeven en in scheiding toestemde. Dat bezorgde me een mooi einde aan mijn roman. Ik heb geaarzeld, dat geef ik toe, maar ik zag geen bezwaar zolang op mijn boek het woord ’roman’ verscheen. Nu was dit niet de enige witte vlek die ik had ingevuld met een plausibele veronderstelling en zeker had ik me ook bezondigd aan de aanmatiging te vertellen wat historische personen dachten en zeiden zonder enig bewijs te kunnen leveren voor de authenticiteit. Dit klemt vooral in gevallen waar historische personen als personages worden opgevoerd. In andere romans, die het verleden uitsluitend als decor gebruiken, ligt de verhouding met de geschiedwetenschap iets soepeler.

Hierboven zijn vier grensoverschrijdende manieren om met het verleden om te gaan beschreven. Dat het gebeurt en dat er geen kruid tegen gewassen is zal iedere historicus zuchtend beamen. Daarom bewaakt de gemiddelde academische historicus zorgvuldig de grenzen van zijn terrein, paspoortcontrole en toelatingsbeleid zijn streng. De houding van de academicus is vooral defensief, met een incidentele agressieve uithaal. De schrijver van historische romans wordt met achterdocht ontvangen en nauwelijks serieus genomen. Naarmate de pretenties van de romanschrijver groter zijn is ook de weerstand van de academische historicus groter. Niemand zal zich druk maken om de sensuele avonturen van Angelique, maar Hilary Mantel over Thomas Cromwell is een ander geval. De professionele popularisator van de geschiedenis, de journalist of de schrijver of de presentator die voor zijn werk gebruik maakt van complex historisch onderzoek wordt op elke vergissing of sweeping statement afgerekend.

Vanzelfsprekend zijn er ook postmoderne en post-postmoderne denkers die juist een onbekommerde representatie van het verleden bepleiten en daarbij alle gasten welkom heten. In ’Manifestos for History’ waarschuwt David Harlan voor de ivoren toren die van historici een priesterkaste maakt die het contact met de werkelijkheid heeft verloren. Hij roept geschiedenisstudenten op om „knutselaars te worden die op een slimme manier multimediale lappendekens maken, die gewiekst en gevat alle vormen benutten waarin het verleden gegoten is, pendelend tussen toen en nu, terwijl ze al knippend en plakkend naar eigen inzicht hun interpretaties ermee verweven”.

Het komt mij voor dat er zowel tegen de defensieve academicus als tegen de postmoderne allemansvriend iets is in te brengen. Hoe moet de beroepshistoricus zich verhouden tot de amateur?

Wanneer door plotselinge grote omwentelingen de band met vroeger aan een zijden draadje hangt, voelen mensen zich meer dan ooit genoodzaakt hun houding ten opzichte van het verleden te definiëren. De Franse Revolutie veranderde het oude Europa. Toen eenmaal de revolutie was uitgeraasd en een strook verbrande aarde het heden van het verleden scheidde, voorzagen schrijvers als Walter Scott in een behoefte door het verhaal van het verleden te romantiseren en weer nabij te brengen. Het besef van breuk en de behoefte aan continuïteit drong diep door. De literatuur dichtte de kloof met behulp van de verbeelding. De geschiedwetenschap scheidde zich af van de literatuur en zocht methode. Methode moest de geschiedenis scheiden van de madness.

Ook nu, tijdens de millenniumwisseling, nu het mondiale machtsevenwicht is gekanteld, massale migratiestromen van arm naar rijk trekken, en politieke systemen failliet gaan, proberen we greep te krijgen op de gebeurtenissen door de geschiedenis te hulp te roepen. Wie zijn we, bij wie horen we, wat is onze herinneringsgemeenschap, hoe geven we het verleden door aan nieuwe generaties, welk verleden is dat, en wat doen we met nieuwe burgers afkomstig uit een andere cultuur met een ander verleden, een andere herinneringsgemeenschap?

Rotterdam is de eerste grote Europese stad met een moslimburgemeester. Tijdens een debat over de manier waarop we de herinnering aan het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 het beste kunnen doorgeven aan jongeren en allochtonen, bekende Ahmed Aboutaleb dat hij nog steeds moeite heeft om naar Duitsland te gaan. Plagerig riposteerde ik dat zijn integratie kennelijk nog niet was voltooid, omdat wij Nederlanders inmiddels het na-oorlogse Duitsland zien als een solide democratie die op voorbeeldige wijze is omgegaan met de loodzware erfenis van het verleden. Alleen hele oude verzetshelden of kampslachtoffers volharden nog – begrijpelijk – in hun Duitslandmijdend gedrag.

Als kennis van de geschiedenis onderdeel is van goed burgerschap, dwingen veranderingen en crises tot nadenken over wat goed en wat verkeerd was aan de manier waarop we tot dusver vorm hebben gegeven aan de samenleving. Daar ligt een taak voor de historicus die functioneert binnen een samenleving die, zoals Edmond Burke schreef, niet alleen de levenden verbindt, maar ook de doden en de komende generaties. De historicus dient ’recht te doen aan hun levens’. De historicus levert het materiaal aan de politicus, maar zou hij dan geen zeggenschap hebben over het gebruik ervan? De historicus levert het materiaal aan de schrijver en de filmmaker, maar laat hen vrij in het misbruik ervan? Dat doet geen recht aan de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de historicus. Dat zou hij dus niet moeten willen. De historicus is de eerst aangewezen persoon om zich actief op te stellen in de maatschappij en om overal waar dat nodig is op te komen voor de rechten van de verleden mens.

De historische roman en populaire historische non-fictie zijn succesvoller dan ooit. Wat willen de auteurs ervan? Inspelen op de behoeften van lezers aan historische troost, aan nostalgie, aan escapisme, aan romantiek? Bieden ze het verleden aan als vlucht voor de grimmige werkelijkheid? Of bieden ze de lezer via een omweg een nieuwe blik op de eigen werkelijkheid? Daarover kan een literair criticus een uitspraak doen, maar zeker ook de historicus.

Historici bemoeien zich zelden met de claims van historische romans. Ze vinden het vaak beneden hun stand. Dat is jammer. Het nastreven van een beeld van de geschiedenis, van een periode, gebeurt in een roman met literaire middelen. De historicus voelt zich niet competent het gebruik van die middelen te beoordelen, en dus houdt hij zijn mond. Simpelweg te zeggen wat de schrijver goed heeft en wat fout is ook niet genoeg.

Wat hoop ik, als schrijver van historische romans? Ik verwacht geïnformeerde kritiek, die zich rekenschap geeft van de eisen van fictie. In hoeverre klopt het fictionele beeld met mogelijke interpretaties en analyses van de ’echte’ historicus, wat voegt de verbeelding eraan toe? Daar zijn historici in verlegenheid, getraind als ze zijn hun verbeelding thuis te laten zodra ze het verleden betreden. De enkele historicus die juist in zijn stijl en schwung het verleden tot leven tracht te bewegen kan rekenen op zuinige kritiek van collega’s.

Historici mogen zich meer met de literatuur bemoeien. Ze moeten zich niet beperken tot de termen van de narratologie, en die vervolgens toepassen op hun wetenschap, maar kunnen een bijdrage leveren aan de serieuze literatuurkritiek, die een dergelijke injectie van deskundigheid overigens best kan gebruiken.

Populariserende en onderwijzende bewerkers van de historische akkers zijn doorgaans betamelijke lieden. Zij maken van Clio een eerlijke vrouw. De vulgarisatoren en vervalsers misbruiken Clio en betalen haar niet eens voor haar diensten, ze laten een Victoriaanse koets door Tudor Engeland rijden, ze sjoemelen met uiterlijk en karakters, met feiten en cijfers. Waarom is dat zo erg? Iedereen is immers vrij om te doen wat hij wil, omdat de muze van geschiedenis geen rechtspersoon is die een proces kan aanspannen tegen ieder die haar ’demoniseert’. Ze is nu eenmaal van iedereen. Niettemin is er historische respectabiliteit en historische criminaliteit. Er is standsverschil.

Af en toe een stevig protest als de eerbaarheid van Clio te zeer door het slijk gaat kan het vak geen kwaad doen. Verbieden? Nee, verklaren. Laten zien waar vulgarisering, iconisering, vervalsing en speculatie de grens overschrijden. Er zou een Meldpunt Geschiedenis moeten zijn, een databank die gevallen van flagrante schending van de rechten van de mensen uit het verleden verzamelt. Zo nu en dan brengt het meldpunt een rapport uit met hilarische, komische en ergerniswekkende casussen. Gebruikers kunnen het Meldpunt Geschiedenis raadplegen om fouten en onzorgvuldigheden te vermijden. Het Meldpunt geeft gevraagd en ongevraagd advies aan filmmakers, schrijvers, overheden, architecten, fabrikanten van souvenirs, organisatoren van festivals. Het legt de verbinding tussen wetenschap en maatschappij.

Als u een ommetje maakt over de Wallen, ziet u de sinds 2000 gelegaliseerde liefdesindustrie. De meisjes en vrouwen betalen inkomstenbelasting en hebben recht op het sociale vangnet dat voor iedereen die een eerlijke boterham probeert te verdienen wordt gespannen. Controle door politie en artsen houdt het vak eerlijk en gezond. Clio is een hoer, ja. Maar een respectabele.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden