De verinnerlijkte fatwa

3 maart 1989: in gebed verzonken voor de Britse ambassade in Den Haag. Daar was die dag een demonstratie van ruim 5000 Nederlandse moslims tegen ¿De duivelsverzen¿. (FOTO ANP) Beeld
3 maart 1989: in gebed verzonken voor de Britse ambassade in Den Haag. Daar was die dag een demonstratie van ruim 5000 Nederlandse moslims tegen ¿De duivelsverzen¿. (FOTO ANP)

In februari 2009 is het exact twintig jaar geleden dat ayatollah Khomeini een fatwa uitsprak over Salman Rushdie. Toentertijd werd het recht van een schrijver om te publiceren wat hij wil nog in brede kringen verdedigd – ook al zouden zijn boeken mensen wellicht kunnen kwetsen. Vandaag de dag, constateert de Indiaas-Britse publicist Kenan Malik, wordt het vermijden van ’cul turele pijn’ belangrijker gevonden dan „zoiets abstracts als de vrijheid van meningsuiting".

Toen ’De duivelsverzen’ in september 1988 uitkwam werd al verwacht dat het boek de wereld in vuur en vlam zou zetten. Maar niet helemaal op de manier zoals dat uiteindelijk gebeurde. Salman Rushdie was op dat moment misschien wel de meest gevierde Britse romanschrijver van zijn generatie. Hij had zijn reputatie gevestigd met ’Middernachtskinderen’, zijn allesomvattende, humoristische en satirische epos over het India van na de onafhankelijkheid, waarmee hij in 1981 de Booker Prize won en later nog de Bookers of Bookers, als de beste van alle Booker Prize-winnaars.

Twee jaar na ’Middernachtskinderen’ kwam ’Schaamte’, dat de geschiedenis van Pakistan hervertelde als satirisch sprookje. En toen kwam ’De duivelsverzen’. Omdat Rushdie er vijf jaar aan schreef, en omdat hij van zijn uitgever Penguin het voor die tijd ongehoorde voorschot van 850.000 pond had gekregen, kleefde er al iets mythisch aan het boek voordat het überhaupt verschenen was. Maar de echte mythen zijn pas ontstaan nadat het boek daadwerkelijk uitkwam.

Binnen een maand werd ’De duivelsverzen’ in Rushdies geboorteland India in de ban gedaan. Tegen het einde van het jaar werd een exemplaar van het boek in de straten van het Britse Bolton verbrand. En toen, op 14 februari 1989, kwam de gebeurtenis die de affaire deed kenteren – de fatwa, uitgesproken door ayatollah Khomeini. De fatwa veranderde de Rushdie-affaire van een discussie die zich hoofdzakelijk beperkte tot Groot-Brittannië en het Indische subcontinent, in een wereldwijd conflict met historische gevolgen. Van een debat over blasfemie en het vrije woord tot een zaak van terreur en geopolitiek.

Voor velen leek het of de controverse uit de lucht kwam vallen. Voor velen, vooral in het Westen, leken het brandende boek en de fatwa voorboden van een nieuw soort conflict in een nieuw soort wereld. Zwarten en Aziaten waren vaker op bittere wijze in conflict geraakt met de Britse autoriteiten, vanaf de rellen in de Londense wijk Notting Hill in de jaren vijftig via het langlopende Grunwick-conflict in 1977 (waarbij vooral Aziatische arbeidsters tegen lage lonen protesteerden) tot de onlusten in het centrum van Londen in de jaren tachtig. Maar dit waren in hoofdzaak politieke conflicten, of kwesties van orde en gezag. Conflicten over discriminatie, integratie of politiegeweld waren al vóór de grote immigratiegolven een bekend fenomeen.

De Rushdie-affaire leek anders. Het was het eerste grote culturele conflict, een conflict dat in geen enkel opzicht leek op wat Groot-Brittannië eerder had meegemaakt. De woede van de moslims leek niet gevoed door zaken die met mishandeling, discriminatie of armoede te maken hadden, maar met het pijnlijke gevoel dat de woorden van Rushdie hun diepste overtuigingen hadden aangetast.

Twintig jaar later lijkt de Rushdie-affaire opnieuw uit een ander tijdperk afkomstig te zijn – maar om andere redenen. Niet alleen zijn de kwesties die hierdoor aan de orde zijn gekomen – het wezen van de islam, de betekenis van multiculturaliteit, de grenzen van tolerantie in een liberale samenleving, de grenzen van het vrije woord in een multiraciale samenleving – inmiddels de karakteristieke kwesties van onze tijd. Ook de politiek van het pre-Rushdie-tijdperk lijkt vandaag de dag ver weg.

Dat we in een multiculturele wereld leven is nu breed geaccepteerd, evenals de notie dat het belangrijk is om andere mensen en hun cultuur niet te beledigen. Zoals de socioloog Tariq Modood het stelt: „Als mensen zonder conflict dezelfde politieke ruimte moeten delen, dan zullen ze de mate waarin ze elkaars fundamentele overtuigingen bekritiseren moeten inperken.”

Vlak voor ’De duivelsverzen’ uitkwam zei Salman Rushdie tegen een journalist dat het „absurd zou zijn te veronderstellen dat een boek rellen zou kunnen veroorzaken. Dat is een raar soort kijk op de wereld.” Nu hebben we moeten accepteren dat boeken inderdaad rellen kunnen veroorzaken en dat we dus inderdaad voorzichtig moeten zijn wat voor soort boeken we schrijven, of welke cartoons we tekenen, of welke grappen we vertellen, of welke kunst we maken.

Om na te kunnen gaan wat voor aardverschuivingen er de afgelopen twintig jaar hebben plaatsgevonden, hoeven we eigenlijk alleen maar de reacties op ’De Duivelsverzen’ te vergelijken met die op ’The Jewel of Medina’.

Dit boek werd geschreven door de Amerikaanse journaliste Sherry Jones, en is een levendig, romantisch, bijna boeketreeksachtig verhaal over Aisha, de jongste vrouw van de profeet Mohammed. Het werd aanvankelijk aangekocht door American Publishers met een voorschot van 100.000 dollar. Vervolgens veroordeelde de Amerikaanse Denise Spellberg, hoogleraar islamitische geschiedenis, de roman als ’beledigend’. De uitgever liet het boek prompt vallen. Geen enkele andere grote Amerikaanse uitgever durfde zich er daarna nog aan te branden.

In 1989 kon het zelfs het doodvonnis van de ayatollah de publicatie van ’De duivelsverzen’ niet tegenhouden. Rushdie werd gedwongen om gedurende bijna tien jaar onder te duiken. Vertalers en uitgevers werden vermoord, boekwinkels opgeblazen en het personeel van Penguin moest kogelvrije vesten dragen. Maar Penguin heeft er geen moment over gepiekerd om het boek uit de circulatie te halen.

Vandaag de dag is een brief van een boze wetenschapper al voldoende om een uitgave ondergronds te doen gaan. In de twintig jaar die zijn verstreken tussen de publicatie van ’De Duivelsverzen’ en de terugtrekking van ’The Jewel of Medina’, is de fatwa in feite verinnerlijkt.

Deze verschuiving in het politieke en culturele landschap heeft zijn eigen mythen over de Rushdie-affaire doen ontstaan, over de oorzaken en de lessen die we daaruit zouden moeten trekken. Het is de moeite waard om opnieuw naar de affaire te kijken omdat deze mythen op dit moment onze houding bepalen tegenover het vrije woord, multiculturalisme en de radicale islam.

De eerste mythe betreft de opvatting dat de controverse rond Rusdies roman religieus geïnspireerd was. Dat was niet het geval. Het was een politiek conflict. ’De duivelsverzen’ werd allereerst een zaak in India omdat er in november 1988 verkiezingen zouden zijn, twee maanden nadat de roman was uitgekomen. Radicaal islamitische groeperingen gebruikten Rushdies boek om politieke concessies af te dwingen. Vervolgens werd het in Groot-Brittannië een kwestie toen het boek een wapen werd in de strijd tussen verschillende islamitische groepen.

Belangrijker nog was de strijd tussen Saoedi-Arabië en Iran om de suprematie in de islamitische wereld. Vanaf de jaren zeventig had Saoedi-Arabië oliegeld gebruikt om wereldwijd salafistische organisaties en moskeeën te financieren en zo zijn positie als woordvoerder van de oemma verder te verankeren. Toen kwam de Iraanse revolutie van 1979, waarbij de sjah van de troon werd gestoten, een islamitische republiek werd gevestigd, Teheran de hoofdstad werd van het moslimradicalisme met ayatollah Khomeini als spiritueel leider. Alles bij elkaar vormde dit een directe uitdaging aan het adres van Riaad.

De Rushdie-affaire zou een sleutelrol vervullen in het conflict tussen Saoedi-Arabië en Iran. De Saoediërs richtten het Britse Action Committee on Islamic Affairs op, de voornaamste anti-Rushdie groepering in Groot-Brittannië. Saoedi-Arabië zorgde voor geld en een co-voorzitter, een Saoedische diplomaat. (De andere voorzitter was toevalligerwijs Ibqal Sacranie, die later de eerste secretaris-generaal van de in 1997 opgerichte Britse moslimraad zou worden; het was Sacranie die in het spoor van de fatwa over Rushdie opmerkte dat „de dood nog te goed voor hem zou zijn”.) De fatwa was een poging van Iran om het initiatief van de Saoediërs weer terug te veroveren, vooral in een tijd waarin Iran gezichtsverlies had geleden door zich terug te trekken uit de oorlog met Irak en politieke hervormers in Teheran de overhand kregen.

De tweede mythe is dat alle moslims zich geschoffeerd voelden door ’De duivelsverzen’. In werkelijkheid maakten de meeste moslims zich er nauwelijks druk om. Tot aan de fatwa was de campagne tegen ’De duivelsverzen’ grotendeels beperkt tot het Indische subcontinent en Groot-Brittannië. In de Arabische landen (op Saoedi-Arabië na), in Turkije en in de moslimgemeenschappen van Frankrijk en Duitsland was weinig animo voor een campagne. Toen Saoedi-Arabië eind 1988 probeerde de roman in moslimlanden wereldwijd te laten verbieden, waren er maar een paar die reageerden. Zelfs in Iran was het boek openlijk leverbaar en werd het gerecenseerd in talloze kranten.

Vandaag de dag betekent ’radicaal’ in een islamitische context ’religieus fundamentalistisch’. Twintig jaar geleden betekende het precies het tegenovergestelde: ’militant seculier’. In Groot-Brittannië hadden organisaties als de Asian Youth Movements, die zowel tegen racisme ageerden als tegen de macht van de moskeeën, behoorlijk veel aanhang. Voor veel van deze seculiere moslims was Rushdie een held en geen boef, omdat ze hem zagen als een uitgesproken kampioen van het antiracisme én van het antiklerikalisme.

De derde mythe is het beeld als zouden de betogers tegen Rushdie allemaal mannen van middelbare leeftijd zijn geweest, laagopgeleid, slecht geïntegreerd, ultravroom – hetzelfde beeld als nu bestaat van moslimterroristen. Velen waren dat inderdaad. Maar evenzoveel waren jong, links, welbespraakt, hoogopgeleid en geïntegreerd. Een minderheid was religieus, en al helemaal niet fundamentalistisch. Veel waren lid van de Asian Youth Movement, actief in linkse organisaties en tallozen zagen Rushdie als een belangrijke figuur in hun strijd.

Waarom raakten zij dan toch betrokken bij de campagne tegen Rushdie? Aan de ene kant uit teleurstelling over seculier links, aan de andere kant doordat het multiculturalisme geïnstitutionaliseerd raakte. Het uiteenvallen van links in de jaren tachtig, het verwerpen van universalisme ten gunste van etniciteit, de verschuiving van een politiek gebaseerd op ideologie naar een politiek gebaseerd op identiteit – het dreef talloze jonge Aziaten in de armen van het islamisme. Dat het multiculturalisme in toenemende mate vertrekpunt was van politiek en beleid, stimuleerde dit proces.

Zo vond de gemeente Bradford dat iedereen in de ’multiraciale, multiculturele stad’ evenveel recht had op zijn „eigen identiteit, cultuur, taal, religie en gebruiken”. Dit multiculturele beleid bevorderde dat het identiteitsgevoel gefragmenteerd raakte. Tegelijkertijd schakelden lokale en nationale bestuurders regelmatig de hulp in van religieuze leiders. De Raad van Moskeeën in Bradford bijvoorbeeld – organisator van de beruchte demonstratie in januari 1989 waarbij een exemplaar van ’De duivelsverzen’ werd verbrand – was in het leven geroepen door de gemeenteraad zelf, om een stem te zijn voor de moslims in Bradford. Die nauwe relatie tussen de lokale overheid en de moskee gaf de conservatieve religieuze leiders aanzien, en marginaliseerde de meer seculiere groepen. Seculiere moslims werden meer en meer beschouwd als verraders van hun cultuur (zij hoorden bij ’blank links’), terwijl de radicale islam niet alleen acceptabeler werd maar voor velen ook authentieker.

Multiculturalisme heeft de radicale islam niet geschapen, maar het heeft er wel de ruimte voor gecreëerd binnen de Britse moslimgemeenschappen – een ruimte die vóór de late jaren tachtig niet bestond. De aandacht van het antiracistische protest verschoof in de loop van de jaren tachtig van politieke thema’s als immigratie naar religieuze en culturele thema’s. Zie de roep om moslimscholen en om apart meisjesonderwijs, zie de campagne voor halalmaaltijden op scholen, en het meest explosief, de controverse rond ’De duivelsverzen’.

Het protest tegen Rushdie kwam dus niet uit de lucht vallen. Het was een exponent van het veranderende sociale en politieke landschap in de jaren tachtig. Het protest heeft daarnaast het landschap zélf helpen hervormen. En het kon dat doen doordat progressieven tot op grote hoogte bereid waren hun eigen principes overboord te zetten.

Twintig jaar geleden verdedigden de meesten van hen nog het recht van Rushdie om ’De duivelsverzen’ te publiceren – ook al zouden veel moslims erdoor gekwetst worden.

Vandaag de dag menen velen dat zoiets principieel weliswaar juist kan zijn, maar dat je in de praktijk religieuze en culturele gevoeligheden moet ontzien omdat die zo diep zitten. Het vermijden van ’culturele pijn’ vinden zij belangrijker dan zoiets abstracts als de vrijheid van meningsuiting.

Maar zo’n houding creëert precies de problemen waarop ze een antwoord wil zijn. Neem de opwinding rond ’The Jewel of Medina’. Geen enkele moslim had nog protest aangetekend toen uitgeverij Random House het boek terugtrok. Het is zeer waarschijnlijk dat helemaal niemand dat had gedaan als de uitgever gewoon had doorgezet. Maar toen Random House een kwestie had gemaakt van de aanstootgevendheid van het boek, was het onvermijdelijk dat in elk geval sommige moslims zich beledigd zouden voelen.

Nadat Random House ’The Jewel of Medina’ had laten schieten, werd het binnengehaald door de kleine, onafhankelijke uitgeverij Gibson Square, wier directeur Martin Rynja een ferm verdediger is van het vrije woord. Op 26 september 2008 – precies twintig jaar na de publicatie van ’De duivelsverzen’ – werd het kantoor van de uitgever getroffen door een brandbom. Martin Rynja zit nu ik dit schrijf nog steeds ondergedoken.

Of de brandbom gegooid zou zijn als Random House het boek zonder enige ophef had uitgegeven, is moeilijk te zeggen. Er zullen altijd extremisten zijn van het soort dat Gibson Square aanviel en daar valt weinig tegen te doen. Het echte probleem is dat hun daden een soort legitimiteit hebben gekregen dankzij progressieven die het moreel onacceptabel vinden om aanstoot te geven, en die daar doodsbenauwd voor zijn.

De nooit begrepen les uit de Rushdie-affaire is dat links zijn eigen monsters heeft gebaard. Het is de linkse angst om te kwetsen die een klimaat heeft gecreëerd waarin mensen zich te snel beledigd voelen. In ’De duivelsverzen’ zit een scène waarin het personage Saladin Chamcha zichzelf terugvindt in een grenshospitium. De immigranten die daar vastzitten zijn veranderd in monsters. „Hoe is dat mogelijk?”, wil Saladin weten. „Zij beschrijven ons”, is het antwoord. „Dat is alles. Zij hebben de macht om ons te beschrijven en wij beantwoorden aan het beeld dat zij van ons schetsen.”

Rushdie had het over de impact van racisme. Maar hij had dit net zo goed kunnen schrijven over de reacties op de Rushdie-affaire. Door het sprookje te accepteren dat de weerzin tegen ’De duivelsverzen’ een theologische kwestie was, door te denken dat alle moslims zich beledigd voelden door de roman, door te menen dat in een multiculturele samenleving de vrijheid van meningsuiting noodzakelijkerwijs minder vrij moet zijn, heeft links een cultuur van wrok gecreëerd waarin je beledigd voelen iets is geworden waarop je trots kunt zijn.

De mythen rond de Rushdie-affaire hebben vele monsters gebaard. Als we die monsters willen verslaan, zullen we ook deze mythen moeten ontkrachten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden