De vergiftigde kelk

Het christendom - de geestelijkheid voorop - heeft zijn oude liturgische traditie binnen enkele decennia zo verkwanseld, dat het zichzelf wegvaagt. Wat blijft is de menselijke behoefte aan een morele gedragslijn, meent A.N. Wilson. Bevrediging daarvan is ruimschoots voorhanden, in een religie die al veertien eeuwen onvervalst hetzelfde uitdraagt.

door A.N. Wilson

Het jaar 2000 is het gedenkjaar van een gebeurtenis waarin we niet langer geloven, namelijk de geboorte van de almachtige God in menselijke gedaante, in een stal in Bethlehem.

Het was geen handjevol atheïstische filosofen en agnostische wetenschappers dat de afgelopen 200 jaar vooropliep bij de vernietiging van het christelijk geloof, het waren de christenen zelf. Hoe kunnen wij, op dit punt van de geschiedenis, in hemelsnaam nog verkondigen dat de christelijke leer letterlijk waar is? Het christendom zal de komende duizend jaar verder wegkwijnen tot het vrijwel uitsterft - omdat christenen zelf niet meer in de waarheid ervan geloven.

Ga je naar een theologische faculteit of seminarie, bestudeer je de Bijbel aan de hand van grondige commentaren, dan ontdek je dat slechts een minderheid van al die geleerden de ouderwetse, volledig orthodoxe geloofsleer aanhangt. Je ontdekt dat velen van hen priesters of voorgangers van een of andere kerk zijn en aan de liturgie deelnemen. Maar vraag je hun 'gelooft u dat de almachtige God vlees is geworden in de persoon van Jezus?', dan zou maar een minderheid van hen in staat zijn met een ondubbelzinnig 'ja!' te antwoorden.

Is Jezus in Bethlehem geboren? Slechts een handjevol bijbelgeleerden gelooft dat. Een nog kleiner aantal gelooft, naar ik veronderstel, dat hij uit een maagd is geboren. Velen zeggen dat ze in de Verrijzenis geloven, maar als je hun vraagt of ze geloven in de beschrijvingen die de evangeliën van het lege graf geven, dan zul je zien dat dat niet het geval is.

Er zijn heel wat rabbijnen te vinden die de joodse geschriften op ongeveer dezelfde manier interpreteren als waarop de rabbijnen ze lazen in Jezus' tijd. Maar bijna alle islamitische geleerden en imams geven bij hun lezing van de heilige Koran daar nog altijd precies dezelfde strekking aan als waarmee hij in de zevende eeuw werd geschreven. De reden is dat men er nog steeds interessante, plausibele argumenten op na kan houden met betrekking tot God en zedelijkheid, terwijl van de christelijke mythe een groot deel kan worden weerlegd. Deze mythe maakt aanspraken op waarheid die zelf niet waarachtig zijn.

Het christendom raakte 150 jaar geleden in een crisis, toen al zijn mysteries ongenadig aan het daglicht werden blootgesteld. Duitse bijbelgeleerden ontleedden de bijbel; anderen trokken toen juist de gedachte van een Schepper in twijfel. Natuurlijk kun je na het lezen van Darwins 'Origin of Species' nog steeds blijven geloven dat er een God bestaat. Darwins ontdekkingen namen echter bij veel serieuze zoekers naar waarheid elke behoefte weg om een bedoeling in de natuur of een Intellect achter het heelal te vinden. Darwin legde een proces bloot dat geheel op zichzelf stond, dat geen deus ex machina nodig had. Wat zeg ik, geen deus 'god' van welke aard dan ook.

Een opmerkelijk gegeven in de geschiedenis van het Engelse christendom, en in het bijzonder van het anglicanisme in het midden van de 20ste eeuw, was het grote aantal dichters en schrijvers die het geloof en de implicaties daarvan in hun geschriften hebben verkend. Denk aan Dorothy L. Sayers, Charles Williams of Barbara Pym, die allemaal op hun eigen manier het kerkelijke of religieuze leven hebben verkend met een verbeeldingskracht die de agnostische generatie van hun ouders zou hebben verbaasd. ,,Waarom kan zij niet zoals iedereen een redelijke agnosticus blijven?''

Enkele schrijvers onderscheidden zich naar mijn mening in deze periode. Ze weigerden heel uitdagend om redelijke agnosten te zijn. Een van hen is T.S. Eliot.

Als ik opnieuw denk aan deze plaats

En aan mensen, niet helemaal prijzenswaardig,

Niet direct bevriend of verwant,

Sommigen geniaal van geest,

Allen deelachtig aan eenzelfde geest,

Verbonden in de strijd die hen scheidde;

Als ik denk aan een koning bij valavond,

Aan drie man, en meer, op het schavot,

En enkelen die vergeten stierven

Op andere plaatsen, hier en elders,

En aan iemand die stierf, blind en rustig,

Waarom zouden we deze doden

Meer eren dan de stervenden?

Deze passage uit 'The Four Quartets' (vertaling Herman Servotte) moet indertijd evenveel ontroering hebben teweeggebracht bij christenen als ontzetting bij hen die meenden dat de literatuur deze oude bagage achter zich moest laten. Ik denk dat deze regels nu voor veel mensen onbegrijpelijk zijn.

Wie de poëzie van Milton heeft gelezen zonder scholing in de klassieke literatuur, blijft in voetnoten speuren om te achterhalen waar de fontein van Arethusa zich heeft bevonden. We komen amper aan lezen toe - we zijn bezig met archeologie in het klein. Er klinken geen echo's. Eliot probeerde met pastiche-architectuur de echo's van Dante, Shakespeare of het Sanskriet terug te brengen in onze omgangstaal, opdat we zouden kunnen spreken in beelden en symbolen die door ieder worden gedeeld. Zonder dat kan religie niet functioneren. Literatuur evenmin. Toekomstige generaties zullen voor beide geen oor meer hebben.

We kunnen blij zijn met de stappen voorwaarts die de bijbelgeleerdheid sinds de 19de eeuw gezet heeft. Maar wat heeft de kerk van Rome bezield om de 'Tridentijnse mis' af te schaffen, een liturgie die in essentie duizend jaar ouder was dan het Concilie van Trente (1545-1563)?

En omdat ze ook zo graag modern wilde zijn, besloot de kerk van Engeland (die over een uitstekende liturgie in de landstaal beschikte) om een liturgie in elkaar te flansen die zo schandalig lelijk is en zo moeilijk te onthouden dat ze alle andere in de geschiedenis van de mensheid uitgedachte liturgieën best wel eens zou kunnen overtreffen. Ze laat alle tot de Godheid gerichte woorden lijken op verslagen van politieverhoren die worden voorgelezen aan een ongelukkig slachtoffer in de beklaagdenbank. 'Eeuw op eeuw heeft u een volk tot uzelf vergaard.' Hoe houterig en nietszeggend is het om het eeuwenoude liturgische tweegesprek 'Dominus vobiscum. Et cum spiritu tuo' te veranderen in 'De Heer zij met u. En ook met u'. Het doet denken aan wat jongeren tegen elkaar zeggen: 'Ja, en voor jou hetzelfde.'

Van welke godslasterlijke arrogantie waren ze bezeten? Waarom dachten ze dat hun tijd - de jaren '60 en '70 - zo superieur was dat ze oude liturgische gebruiken konden veranderen, verlelijken en uit hun verband rukken, gebruiken die de generatie van koningin Elisabeth en sir Walter Scott (die louter door de liturgie van het presbyterianisme werd bekeerd) hadden overleefd, van de Victoriaanse twijfelaars, en van degenen die in de afgelopen eeuw, met hun ogen knipperend van verbazing, zijn teruggekeerd naar het altaar van God - onder wie Eliot?

De meesten van ons die het gevoel hebben dat de tijd die ze in de kerk door hebben gebracht, géén verloren tijd was, herinneren zich ofwel momenten van stilte ofwel momenten dat er muziek klonk. Maar door het compleet veranderen van woorden en aankleding verdwijnt de mogelijkheid om deel te hebben aan het ene, gemeenschappelijke symbool. Zo'n verandering introduceert nieuwe en vlotte uitdrukkingen die pijn doen aan het oor, en vernietigt een van de belangrijkste functies van liturgische recitatie - of het nu gaat om de heilige schrift of om het mysterie van het sacrament - namelijk dat de ene generatie de woorden en ervaringen van haar voorgangers overdraagt naar de volgende generatie. De liturgie was bovenal een patroon van tijdloze momenten. Dit was een veel belangrijker functie van de kerk dan de op een jammerlijke misvatting berustende pogingen om in de taal van jonge mensen te spreken, of om onderricht te geven aan vermeende categorieën die ver buiten het gezichtsveld liggen van de gemiddelde predikant - zoals 'gewone mensen' of 'mensen in de binnensteden'. De liturgie was er voor alle soorten mensen, in welke omstandigheden ook; juist door géén poging te doen 'relevant' te zijn, bezat zij een tijdloze en onvervangbare relevantie.

Verenigingen tot behoud van de Latijnse mis of van het 'Prayer Book', het kerkboek van de anglicaanse kerk, hebben geen zin. Hoe sympathiek zo'n nostalgische brigade ons ook is, ze wil de maan met de handen grijpen. De schade werd aangericht toen het common prayer (ook de benaming voor de anglicaanse liturgie) ophield 'gemeenschappelijk gebed' te zijn, en toen in de grote westerse kerk een eenheidstaal - veel meer een eenheidstaal dan Esperanto, een waarlijk universele taal waarin het menselijke ras zijn diepste gebeden en verlangens kon uiten - werd vervangen door de Babelklanken van veeltalige volkeren.

Hoe kan het geloof in de toekomst worden doorgegeven, hoe kunnen schrijvers het met verbeeldingskracht vatten? Ik zie niet hoe dat nu zou kunnen, omdat de gemeenschappelijke taal van dit geloof door de geestelijkheid is vernield.

Terwijl het nieuwe, deze maand geïntroduceerde 'Book of Common Worship' (boek voor de gemeenschappelijke eredienst) formeel resten van de oude liturgie bevat voor alternatief gebruik, kun je je afvragen hoeveel geestelijken daar ook werkelijk gebruik van gaan maken.

Het is nauwelijks voorstelbaar dat veel mensen met scheppend vermogen de Barbara Pym-achtige liefde voor alles wat met de kerk te maken heeft, hoog zullen houden. Haar eigen dagboek vertelt van het verdriet en de teleurstelling van een vrome vrouw die in hartje Londen op zoek is naar een niet-geruïneerde liturgie waar ze in lunchtijd aan kan deelnemen.

In de veranderingen zat iets heel arrogants. Ze hielden in dat wij konden weggooien wat voor anderen genademiddelen waren, de symbolen van het ultieme mysterie, en onze eigen versie in elkaar kunnen zetten. Typerend voor deze houding is een gewoonte die vrijwel meteen na de verandering van de liturgie haar intrede heeft gedaan: het houden van een spontane preek na de evangelielezing - alsof de drukbezette kantoorbediende in het centrum van Norwich of Rome liever vijf minuten lang luistert naar banale, impulsief opkomende gedachten, dan naar de beproefde en vertrouwde woorden, die, afgesleten en glad als oude, veelbetreden stenen, voordien zo vaak waren gehoord en tot steun waren geweest, los van de twijfels of de geestelijke dorheid van de luisteraar.

Ik kan me niet voorstellen hoe het christendom, nu het afscheid heeft genomen van een mondeling overgedragen geloof, kan overleven in een vorm die zo weinig gelijkenis vertoont met wat vroegere generaties van christenen in de afgelopen 1950 jaar als christelijk zouden hebben herkend.

Het kerkelijk leiderschap is onoprecht, en nog lafhartig ook. Theologisch geschoold weten ze dat de lichamelijke verrijzenis en de maagdelijke geboorte in historische zin niet 'waar' zijn. Toch durven ze zelfs aan het begin van dit nieuwe millennium geen knuppel in het hoenderhok te gooien. Bijgevolg blijven we bijna allemaal buiten de kerk en slaan we met een mengeling van spijt en leedvermaak haar aftakeling gade. Wat kan een organisatie die zo consequent weigert om in intellectueel opzicht serieus te zijn ook anders verwachten?

We komen naar de kerk om ernstig te zijn en we verwachten serieuze antwoorden op de twijfels en de filosofische veranderingen waarmee wij in de afgelopen 200 jaar allemaal te maken hebben gekregen. We zitten niet te wachten op kleuterschoolgekibbel over wonderen. Wat het christendom heeft uitgevonden is een wijze om naar de menselijke natuur en het innerlijk leven te kijken, een wijze die een wezenlijk onderdeel vormt van onze beschaving. Het christendom heeft het innerlijk leven uitgevonden. Het is niet nodig in het bewustzijn te geloven; sinds William James zeggen veel psychologen dat zoiets niet bestaat. Het is niet nodig in individualisme te geloven: de fysicalistische school in de psychologie en in de filosofie keurt het af. Toch menen velen dat deze mythen in stand moeten worden gehouden, omdat anders een belangrijk deel van ons zelfbewustzijn, niet alleen als individuen maar als samenleving, wordt uitgehold.

De roman - die grootse uitdrukking van de gedachte dat er miljoenen mensen over de planeet krioelen die allemaal van elkaar verschillen - stamt rechtstreeks af van de christelijke fictie van een ziel. Christelijke kunstenaars hebben vaak een synthese weten te maken van ideeën die het oude lijken te vernietigen maar het in feite nieuwe kracht geven. Denk aan Dante, die vrijwel in z'n eentje Thomas van Aquino toegankelijk heeft gemaakt voor de verbeeldingskracht. Thomas was het genie dat de ontdekkingen van de Arabische wiskunde en logica, de geschriften van Averroës, de herontdekking van Aristoteles - allemaal onverenigbaar met de orthodoxe leerstellingen van het christendom - heeft samengesmeed tot een nieuwe synthese waarmee het menselijk ras zichzelf vier eeuwen lang kon begrijpen. Het kenmerkende van de 19de eeuw was dat er toen géén Thomas opstond, géén Dante, om het darwinisme, het determinisme, het freudianisme, het marxistische materialisme, of het 'redelijke agnostisme' in zich op te nemen en tot synthese te brengen.

Nu de gewoonte om de aloude geestelijke verhalen en gebeden te leren bijna is uitgestorven en het christendom zichzelf weer in een sekte heeft veranderd, is er echt geen toekomst meer. Er zullen christenen zijn, maar we kunnen er helaas zeker van zijn dat er geen christelijke literatuur meer zal bestaan - die kwam ten einde met de generatie van T.S. Eliot. Toch zouden veel mensen nog steeds met Immanuel Kant - de eerste grote moderne metafysicus - willen zeggen: ,,Twee dingen vervullen de geest met steeds weer nieuwe en grotere bewondering en eerbied, hoe meer we er over nadenken: de sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij.'' Ook als alle mythologische aspecten van de religie zijn afgedankt en alle valse theorieën van het christendom aan het licht gebracht, blijven mensen met een reflectieve aanleg ervan overtuigd dat er achter het universum een diepe morele bedoeling steekt. Zo dra je dit gevoel van ernst verliest, wordt het leven ondraaglijk. De meesten hebben het te druk om Kants filosofische reis in detail na te volgen, maar in ons binnenste geloven we erin.

Een religie die deze diepe menselijke behoefte aan een morele gedragslijn bevredigt zonder mythologie, bestaat wel, maar dat is niet het christendom. De mullahs en imams van de islam preken dezelfde onvervalste boodschap die het eerst aan de wereld werd verkondigd door de heilige profeet, in de zesde en zevende eeuw. Terwijl het Westen islamieten afschildert als fundamentalistische gekken, wenden steeds meer mensen zich tot de Koran om in dat boek te vinden waarnaar ze altijd hebben gehunkerd: een morele en intellectuele erkenning van Gods heerschappij zonder de last van de christelijke mythologische bagage, waarin bijna niemand meer echt gelooft.

Het christendom takelt in dit millennium nog verder af; de religieuze honger van het mensenhart wordt dan gestild door de Maansikkel en niet door het Kruis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden