De vergeten Italiaanse integratie

De Poelenburg in Zaandam (Daniele Tasca) Beeld
De Poelenburg in Zaandam (Daniele Tasca)

In de jaren zestig, toen integratie nog gezellig was, ontstond er in een buitenwijk van Zaandam een levendige Italiaanse enclave. Daniela Tasca reconstrueerde een vergeten episode uit de Nederlandse migratiegeschiedenis.

Het is een flat uit velen, in een wijk uit velen. Poelenburg is zo’n typisch naoorlogse wijk in Zaandam. De meeste gebouwen zijn er eentonig, en ogen een beetje afgeleefd. Er wonen vooral Turken, getuige de naamplaatjes op de deuren en het woud van schotelantennes. Maar Daniela Tasca wijst op een Italiaanse naam naast een van de deurbellen. Een herinnering aan het verleden van het gebouw, dat ooit bekend stond als de ’Spaghettiflat’.

Tasca werd zelf geboren op Sicilië. Ze spreekt haar Nederlands in een voortrazend Italiaans tempo, met een vleugje Amsterdams accent. In 1989 belandde ze als 22-jarige in Amsterdam, en ging er niet meer weg. De reden voor haar emigratie was vooral ’culturele nieuwsgierigheid’, vertelt ze, en daar is een afkeer van premier Berlusconi bijgekomen.

Op zoek naar werk

Enkele decennia eerder waren veel van haar landgenoten haar al voorgegaan, met heel andere motieven: ze waren op zoek naar werk. Dat wist Tasca nog wel, uit haar jeugd in het zuiden van Italië. „Van iedere familie in het dorp van mijn ouders zat wel iemand in het buitenland.”

In Nederland zelf is de geschiedenis van de gastarbeiders uit Italië echter grotendeels vergeten. Weggedrukt door de veel grotere aantallen gastarbeiders die later uit Turkije en Marokko in ons land kwamen en die een groot maatschappelijk debat over integratie losmaakten. Toch werkten in Nederland in de jaren vijftig en zestig veel Italianen. Veel van hen zijn gebleven, kregen hier kinderen, en later kleinkinderen.

Tasca, tv-programmamaker dook voor een documentaire in die geschiedenis, en kwam terecht op de werven van de ADM, de Amsterdamse Droogdok Maatschappij in Amsterdam-Noord. En vandaar in een buitenwijk van Zaandam, waar in de jaren zestig een soort ’Little Italy in de polder’ ontstond, zoals Tasca het noemt. Onlangs verscheen ook een boek over het onderwerp.

Personeelsgebrek

In de jaren vijftig had de ADM een nijpend personeelsgebrek. De economie groeide, maar veel Nederlanders waren in de jaren daarvoor geëmigreerd naar landen als Canada en Australië. Eerst zocht de ADM in Groningen en Friesland, maar ook daar bleek niet voldoende mankracht voorradig. In 1956 kwamen de eerste Italianen op de werf werken.

Die eerste generatie gastarbeiders bestond uit vrijgezelle jongemannen, vaak ongeschoold, die in eigen land vaak bijvoorbeeld in een dorpje als keuterboer werkten. In Nederland kregen ze laagbetaald werk, dat Nederlanders niet wilden doen, maar voor de Italiaanse mannen toch een stap vooruit betekende.

Zo begon een nieuwe episode in de Nederlandse migratiegeschiedenis: die van mensen die als tijdelijke arbeidskrachten werden gehaald, maar zich uiteindelijk voorgoed hier zouden vestigen. Het gaf aanvankelijk weinig problemen op het werk, vertelt Tasca. „In de scheepvaart was men wel gewend aan internationale klanten”.

De Italianen die naar Nederland kwamen waren niet alleen op zoek naar geld, maar ook naar avontuur, en misschien zelfs wel naar een toekomst in een ander land. Wie snel veel geld wilde verdienen, kon beter in Duitsland of België aan de slag: daar lagen de lonen veel hoger.

Gewilde prooi

Die eerste jaren namen de Italianen het van hun nieuwe Amsterdamse leventje. Tasca dist smakelijke anekdotes op over de tijd dat een gastarbeider nog een prooi was waar menig Nederlands meisje naar smachtte: de Italianen waren veel galanter en gemanierder dan hun Nederlandse leeftijdsgenoten. Pierino Giannattasio herinnert zich dat ’de meiden hun telefoonnummer op mijn arm schreven’. Dat vond hij niet erg.

Het baarde sommigen in het moederland wel zorgen. In het kielzog van de gastarbeiders kwamen ook Italiaanse missionarissen naar Nederland. Die probeerden erop toe te zien dat het contact met de ’protestantse en atheïstische’ gastgezinnen niet tot totale zedenverwildering leidde. Zo had Hoogovens destijds een eigen ’bedrijfsapostolaat’.

Er ontstond geleidelijk aan een Italiaanse subcultuur in Nederland, met zelfs een eigen blad: Il Sole d’Italia. Sommigen voelden zich hier thuis, lieten hun gezinnen overkomen. Anderen deden aan wat we tegenwoordig ’integratie’ zouden noemen: hun flirtpartijen met Hollandse meisjes leidden tot huwelijken.

Zo ging het tijdperk van de vrijgezellen in pensions en bij hospita’s over in het tijdperk van de jonge gezinnen. Die moesten ergens wonen. Dat ’ergens’ werd Zaandam, de wijk Poelenburg. Niet ver van de werf in Amsterdam-Noord. Tasca: „De wijk Poelenburg is voor een groot deel gebouwd door bedrijven, als extra lokkertje om personeel te trekken. Er was in Nederland niet alleen schaarste op de arbeidsmarkt, er was ook een groot tekort aan woningen.”

Spaghettiflat

Albert Heijn bouwde er flats, de ADM had minder personeel, en liet er ééntje neerzetten, de ’Spaghettiflat’. Er woonden niet alleen Italianen, maar die domineerden al snel. Pasquale Russo, die er als kind opgroeide, herinnert zich in het boek van Tasca: „Op zondag was het een gekkenhuis in Poelenburg. Druk, gezellig, veel kinderen, muziek, geschreeuw. Italianen zijn druk van zichzelf, maar met veertig families bij elkaar werd het echt heel druk.”

Het was het eerste naoorlogse ’getto’ van Nederland, vermoedt Tasca. Een gezellig getto. Met een eigen sfeer. Het rook er naar basilicum. De Italianen probeerden altijd om Italiaans eten te koken, geen gemakkelijke opgave, gezien het assortiment in de gemiddelde Nederlandse supermarkt van die jaren. „Ze hadden voor Nederland gekozen, maar zaten hier in een rijtjesflat op een zandvlakte. Het bleven Italianen: alles wat ze misten aan Italië, ging in de herinnering aan het eten zitten. Veel meisjes mochten pas buitenspelen nadat ze pasta hadden helpen maken.”

De subcultuur bleef bestaan tot ongeveer eind jaren zeventig. De ADM was inmiddels al geen directe huiseigenaar meer. En toen kwam er ook nog een nieuwe, massalere immigratiegolf overheen. Tasca: „Vanaf dat moment werd het hier een achterstandswijk. Veel Italianen wisten niet wat ze aanmoesten met al die Turken. Het was zo verschrikkelijk veel, ineens.”

Toch heeft Tasca het boek mede geschreven om te laten zien dat immigratie ook goed kan gaan. Zo hád het ook kunnen gaan met de groepen Turken en Marokkanen die in de jaren tachtig hier kwamen, denkt ze. „Al waren dat er wel erg veel, dat geeft waarschijnlijk sowieso problemen. Maar in de jaren zestig was er nauwelijks druk op de Italianen om zich aan te passen. Men integreerde met behoud van eigen identiteit. Ik vind de tweede en derde generatie Italianen uit de flat dus ook veel minder schizofreen in hun identiteit dan veel jonge Marokkanen die ik ken.”

En oudere Italianen zijn nog steeds vol lof over hun gastland. Nederland mag die vriendelijkheid wel eens beantwoorden, vindt Tasca: „Zij hebben hier al het rotwerk gedaan, zodat Nederland een hightech economie kon ontwikkelen. Ik vind dat daar bijvoorbeeld best eens een monument voor mag komen, of in ieder geval erkenning.”

Het gebouwde monument van de eerste generatie Italianen, de Spaghettiflat in Zaandam, staat er in ieder geval niet lang meer. De plannen om de wijk weer ’leefbaar’ te maken door sloop en nieuwbouw zijn in een vergevorderd stadium.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden