'De verdediging van democratische waarden zal niet tot universele vrede leiden'

Beatrice de Graaf, terrorisme-onderzoeker. Beeld ANP

Wat moeten we met de terugkeer van het kwaad? Terrorisme-expert Beatrice de Graaf zoekt in beleid én christendom effectieve antwoorden.

In de vierde eeuw na Christus, een halve eeuw voor de val van Rome, werd Noord-Afrika door rondzwervende bendes en krijgsheren geteisterd. De lokale christelijke gemeenschap was extra aangeslagen en bevreesd, want ze werd van binnenuit belaagd. De neergang van het Romeinse Rijk dreigde ook te resulteren in het uiteenvallen van de christelijke kerk. Vooral de aanvallen en aanslagen van een groep heilige strijders, circumcelliones genoemd (circum cellas euntes, ‘zij die rondzwerven’), boezemden angst in.

Een belangrijke getuige, kerkvader Augustinus, beschrijft wat de circumcelliones allemaal uitspookten. Ze “voerden verrassingsaanvallen uit op onze bisschoppen tijdens hun reizen, sloegen onze geestelijken op de gruwelijkste wijze in elkaar, brachten levensgevaarlijke wonden toe aan onze leken en staken hun huizen in brand”. En het ging van kwaad tot erger. “Ze slaan ons niet alleen met knuppels, en doden ons met het zwaard, maar hebben nu ook een nieuwe, ongelooflijke misdaad bedacht: zuur in onze ogen gooien om ze uit te doven.”

De burgers van Noord-Afrika hadden met Augustinus een leidsman die man en paard noemde, die vlammende pamfletten en preken tegen het terrorisme opstelde en niet terugschrok voor het uitspreken van een ban of het ondersteunen van (lijf)straffen en veroordelingen. Maar er was veel meer over te zeggen. Hij vond dat zijn volgelingen zich ook theologisch en psychologisch tegen dat kwaad moesten wapenen. Het was immers besmettelijk en allesdoordringend. De geest van haat en agressie had niet alleen de circumcelliones in zijn macht, maar kon ook de harten van zijn eigen toehoorders bezetten.

Anno nu ontbreekt zo’n gezaghebbende stem. De burger kan te rade bij een veelvoud aan duiders, waarzeggers, experts en onheilsprofeten. Of die burger kan zichzelf via Twitter opwerpen tot aanzegger van de apocalyps. Dat is ook precies wat er gebeurt en waardoor er een opmerkelijke kloof is ontstaan tussen het denken en spreken op straat enerzijds en in beleid, bestuur en wetenschap anderzijds.

Spreken over kwaad

Eerst de (virtuele) straatgesprekken. Er wordt niet alleen op obscure, extremistische of jihadistische sites over dood en verderf gespeculeerd. Ook in gewone kranten en tv-programma’s, op sociale media en internetfora worden volop apocalyptische ondergangsfantasieën gedeeld. Termen als ‘duivels’ en ‘demonen’ buitelen op Twitter over elkaar heen. 

Spreken over het kwaad is volop gangbaar. Net als rond 1945 is er na ‘9/11’ wereldwijd een piek te zien in het gebruik van termen als evil, devil en demons. Zogeheten n-gramanalyses en textmining in Google en via Delpher, waarmee je grofweg de frequentie van bepaalde woorden in bestanden kunt tellen, wekken de suggestie dat die termen zich een tijdlang schuilhielden, maar inmiddels weer helemaal terug zijn in het publieke discours, zowel in het geseculariseerde Europa als in de VS. Zo strooit president Trump regelmatig met de term ‘evil’: in zijn reactie op het bloedbad in Las Vegas gebruikte hij het woord zelfs drie keer. Hillary Clinton zette hij in 2016 weg als satanist (‘devil worshipper’).

Maar ook in Nederland wordt sinds 9/11 vaker gerefereerd aan duivels en demonen, aan kwade krachten, dan in de jaren direct daarvoor. Het kwaad is nooit helemaal uit de mode geraakt - denk aan Hitchcock, Edgar Wallace, Nosferatu of Frankenstein - maar het komt en gaat in golven en we zitten er weer middenin, zo tonen de n-gramanalyses (het Kinderboekenweekthema ‘Gruwelijk eng!’ bevestigt dat).

Maar het hedendaagse spreken over het kwaad verschilt in één belangrijk opzicht met de pieken van rond de Eerste en de Tweede Wereldoorlog: het kwaad is losgezongen van God, van het goede. De theodicee (de vraag naar het waarom van het kwaad) is volledig geseculariseerd. Het hedendaagse spreken over kwaad gebeurt in wraakzuchtige en onbarmhartige taal, zonder uitzicht op verlossing.

Er is nog een groot verschil met het spreken over kwaad in vroegere tijden. Inmiddels is namelijk voor dit jargon geen plaats in beleid, bestuur en wetenschap. Waar Colijn, koningin Wilhelmina of Willy Brandt burgers nog een moreel kader boden, zullen (en willen) we dat van huidige bewindslieden niet snel horen. Dat kan komen door wat de Britse publicist Terry Eagleton omschrijft als ‘een postmodern gebrek aan diepgang om echte destructiviteit’ te kunnen begrijpen. Maar er is ook een neutraler antwoord te formuleren. Sinds de negentiende eeuw zijn complexe, morele begrippen zoals het kwaad (maar denk ook aan termen als eer, zonde, vergeving, macht, oorlog, vooruitgang) steeds meer opgeknipt en opgedeeld in ontelbaar kleine aspecten. Disciplines en subdisciplines in de psychologie, gezondheidswetenschappen, bestuurskunde en criminologie hebben wat vroeger simpelweg werd aangeduid als ‘het kwaad’ ontleed in zeer precieze, empirisch waar te nemen problemen en seculiere euvels, die met diezelfde disciplines zijn te verhelpen. Dat is iets om blij en opgelucht over te zijn. Ik moet er niet aan denken dat we de klok op dit punt terugdraaien, maar er is wel een kind met het badwater weggegooid.

Neem terrorisme als te bestrijden kwaad. Het antwoord van bestuurders is vooral juridisch, ambtelijk en administratief gebleven. We bestrijden de dreiging van terrorisme met nieuwe wetten, administratieve maatregelen, lokale deradicaliseringsprogramma’s, gebiedsverboden en informatie-uitwisseling. Die maatregelen zijn meestal legitiem, juridisch verantwoord en zeer effectief. Zo zijn in Nederland diverse aanslagen verijdeld, pogingen tot afreizen naar het door IS uitgeroepen grondgebied van het kalifaat in Syrië en Irak verijdeld en radicaliseringstrajecten omgebogen.

Straattaal

Maar wat wetenschappers en beleidsmakers niet kunnen, willen en zelfs mogen (vanuit de ethiek en de integriteit van hun professie), is de discussie aangaan in dezelfde termen die er op ‘straat’, of ook wel in de politieke arena, worden gebruikt. Woorden als ‘het Kwaad’, ‘demonen’, ‘duivels’ zijn geen categorieën van analyse of beleid. ‘Die Entbösung des Bösen’ (de ‘ontkwading van het kwaad’, zoals de Duitse filosoof Odo Marquard het noemde) is in wetenschap en beleid een voltooid en onomkeerbaar proces.

Het is fijn dat we wonen en werken in landen waar op redelijke, beargumenteerde en rationele wijze wordt bestuurd en onderwezen. Maar in tijden van crisis en onzekerheid springen onherroepelijk onheilsprofeten in het gat dat gaapt tussen beleids- en juristenproza enerzijds en alledaagse ethiek en normatieve straattaal anderzijds. Zij voelen zich geroepen de kwade geesten te bezweren. Dat kunnen jihadisten zijn, extremisten, aanhangers van complottheorieën en marginale figuren en groeperingen. Maar spreken over het kwaad is de laatste jaren ook opgerukt in de ‘gewone’ politieke en publieke arena. Genoeg politici, publicisten en zelfs een enkele predikant durven het inmiddels aan om het kwaad te benoemen en de vermeende oorzaken aan te wijzen: het is de islam, het zijn de vluchtelingen, de EU, de liberale elites, de ‘wegkijkers’ die dat gezwel hebben laten voortzweren. En zij voorzien hiermee in een dringende behoefte. De verkiezingswinst voor de AfD is daar eveneens een illustratie van.

Wat deze aanzeggers van het kwade doen is een groeiende groep mensen die dorsten en hongeren naar duidelijkheid een uitweg bieden uit de gevoelde onzekerheid. Of ze nu lager of hoger opgeleid zijn, minder of meer bemiddeld, veel mensen lijden aan een need for closure: de zeer menselijke, psychologische behoefte om in tijden van stress, dreiging en crisis zo snel mogelijk een handzame diagnose te vinden, om vervolgens zelf beter met die situatie van dreiging en onzekerheid te kunnen omgaan.

Gestreste mensen zoeken naar coping mechanisms, zoals dat in de sociale psychologie heet, manieren om houvast te vinden, grip te krijgen op een materie die een slagschaduw over het eigen welbevinden werpt; of dat nu gaat om de slagschaduw van terrorisme, baanonzekerheid en werkeloosheid of de confrontatie met de gevolgen van globalisering op straat, school of de werkplek. Spreken over het kwaad, en belangrijker nog, handvatten aanreiken om het te lokaliseren, te identificeren en vervolgens te neutraliseren is een krachtig coping mechanism. Sterker nog, het legt de aanzegger van dat kwade politiek geen windeieren. Wie van de duivel spreekt, is van aandacht verzekerd.

Het probleem is dat dit populistische spreken over het kwaad volstrekt eenzijdig, simplistisch, onwetenschappelijk is - maar ook vooral heel onbarmhartig en verblind. Dat kan en moet anders. We mogen dit spreken over het kwaad niet aan de onheilsprofeten overlaten. Er is dringend behoefte aan een vorm van reflecteren die aanhaakt bij de dorst naar troost, uitkomst, redding, en die niet zelf verzandt in demonisering.

Christelijke traditie

Nu zijn er vanuit de christelijke traditie allerlei soorten antwoorden beschikbaar. Sterker nog, juist vanuit die traditie is er weet van een ‘einde aan het kwaad’, en van eeuwenoude ideeën over de manieren waarop we die strijd tegen dat kwaad vormgeven. De strijd voor rechtvaardige veiligheid is immers niet alleen een zaak van principieel beleid. Het gaat om meer dan wetenschap, beleid en bestuur alleen. Die strijd heeft ook concrete symbolen, punten van markering nodig, waaruit we hoop kunnen putten. Dat kunnen toespraken zijn van wereldleiders, maar ook eenvoudige handelingen van mensen die helpen in nood. Of demonstraties en acties tégen angst en geweld, op straat of op internet (denk aan de hashtagcampagnes ‘notinmyname’ of ‘jesuisCharlie’). Maar ook en juist de kerken, met hun liturgie en ethiek, kunnen houvast bieden in een onzekere wereld van ‘nepnieuws’, toenemend populisme en angst voor terrorisme.

Neem de christenen in het Midden-Oosten, die daar op meer en minder openlijke wijze worden vervolgd. Zij hebben een heel eigen manier ontwikkeld om dat ‘kwade’ tegemoet te treden. Zo ook in Egypte op 9 april 2017. Op Palmpasen gingen in twee tot de nok toe gevulde kerken in Alexandrië en Tanta bommen af. Daarbij kwamen 45 kerkgangers om en honderd mensen raakten gewond.

De Kopten reageerden opmerkelijk. Ze zochten allereerst de media op en staken hun kritiek op het falende beleid van de Egyptische regering niet onder stoelen of banken. En ze richtten zelf extra patrouilles op. Maar ze beleden ook openlijk hun geloof: “Als het doel van deze aanslagen is ons te belemmeren naar de kerk te gaan, zal dat nooit lukken. We zullen de rest van ons leven blijven bidden. Wij zijn christenen tot de Dag van het Laatste Oordeel”, aldus hun woordvoerder. Daarna hielden ze in de week voor Pasen, waarin er geen begrafenissen mogen plaatsvinden, een processie voor de gevallen zusters en broeders. Ze noemden hun namen en droegen een houten kruis mee in de optocht - zichtbaar, in helder daglicht.

Van die stemmen uit heden en verleden, van die eerdere getuigen van het kwaad, kunnen we ook leren dat het geen zin heeft daarvan overtrokken verwachtingen te hebben of om bij het uitblijven van extra veiligheidsmaatregelen bang weg te duiken. De Kopten verstopten zich niet, likten niet hun wonden en besloten niet om toekomstige risico’s te mijden. Ze vierden een liturgie van de hoop en niet een liturgie van de angst. Ze hingen meer camera’s op, maar richtten ook tekenen op, hét teken zelfs, met hun houten kruis, van hoop op het Koninkrijk dat zal komen.

Zonder de symbolen van hoop op een einde van het kwaad - door de Kopten zo indrukwekkend in de praktijk gebracht - is er met de tekortkomingen van menselijke oplossingen en het feitelijk voortduren van pijn en lijden in dit leven niet te leven.

Inspiratie naar veiligheid

Dat zou inspiratie voor onze wereld en ons verlangen naar veiligheid kunnen bieden. Er zijn natuurlijk verschillende domeinen waarop de strijd moet worden gestreden: het individueel-gelovige domein, het domein van de kerk en de gemeente, het domein van de veiligheidsdiensten en van de (internationale) politiek. Aards leed hoeft niet stilletjes gedragen te worden. Autoriteiten hebben de opdracht om verantwoordelijkheid te nemen en onrecht en terrorisme te bestrijden. Maar juist en ook mensen komend vanuit een christelijke traditie hebben een eigen antwoord op het kwaad, zij geloven immers in het einde van het kwaad.

Terug naar Augustinus. Diens ethische principes waren niet pacifistisch; hij steunde de bestuurders van Noord-Afrika in hun fysieke strijd tegen de toenmalige terroristen. Maar Augustinus was eerst en vooral ook een predikant, die preekte om de mensen tot inkeer te brengen, ze te laten leren van hun fouten. Augustinus riep zijn volgelingen op om anders te zijn dan de terroristen. Hij was een liturg, die een remedie predikte: geloof in het einde van het kwaad en in een heilige strijd voor liefde en verdraagzaamheid.

De ‘grote’ strijd tegen het kwaad in het eigen hart, aldus Augustinus, moet de ‘kleine’ strijd voor veiligheid in het aardse domein kleuren. Er staat geen knip tussen Gods heilige strijd en onze navolging, en praktische zorg voor aardse en fysieke veiligheid. Maar het vereist wel de moed om steeds weer stil te staan, om ook na grote aanslagen even te pauzeren en na te denken over hoe dat verband er dan uit moet zien.

Reflectie op de strijd die wij voeren is dringend nodig. Bij alle actieplannen tegen radicalisering en polarisatie, tegen vervolging en uitzetting, moeten doel en aard van de bestraffing een zichtbare uitdrukking van recht en gerechtigheid zijn.

Het uitdragen en het verdedigen van democratische waarden, zoals de mensenrechten, is een groot goed, en dat moeten we met alle macht doen. De christelijke traditie kan daar haar eigen steen aan bijdragen. Maar het idee dat dit soort campagnes in onze dagen tot een universele vrede zullen leiden, is een illusie. Over die spanning sprak Augustinus. Over die spanning, over de existentiële aanwezigheid en angst voor dat kwaad, maar vooral ook over het einde ervan, zouden wij elkaar meer mogen en moeten aanspreken. 

Tekst gaat verder na onderstaande afbeelding.

Heilige strijd. Het verlangen naar veiligheid en het einde van het kwaad van Beatrice de Graaf Beeld rv

Beatrice de Graaf (1976) is medeoprichter van het Centre for Terrorism and Counterterrorism. Ze is als hoogleraar ‘History of International Relations & Global Governance’ verbonden aan de Universiteit Utrecht.

Dit essay is een bewerkt fragment uit Heilige strijd. Het verlangen naar veiligheid en het einde van het kwaad van Beatrice de Graaf, dat op 24 oktober verschijnt. Boekencentrum; 112 blz. € 12,99

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden