De verborgen geschiedenis van Thessaloniki

Griekenlands tweede stad Thessaloniki ligt van ons uit gezien in een uithoek van Europa. Al gauw is de argeloze beschouwer dan geneigd te denken dat de geschiedenis daar is voorbij gegaan. Dat daar, rond een baai in het noordelijk deel van de Egeïsche Zee, amper iets bijzonders is gebeurd.

Rondlopend in de stad wordt die gedachte aanvankelijk niet tegengesproken. Een gewone, bedrijvige mediterrane stad waar het leven zich buiten afspeelt, met een groot centraal plein en een fraaie flaneerboulevard langs de baai, hier en daar te midden van vooral moderne bebouwing wat resten uit een klassiek verleden, maar zonder echt opvallende kenmerken. Wel stoffig, maar weer niet zo lawaaiig. De gemiddelde Spanjaard, om maar een mede-Mediterraan te noemen, manifesteert zich een stuk luider dan zijn tegenvoeter in Thessaloniki.

Wat eveneens ontbreekt is de commerciële kermis waarin populaire mediterrane steden als Barcelona langzamerhand veranderen. Er is, in het al bijna voorbije voorjaar, ook nauwelijks een toerist te bekennen. Authentiek, maar niet spectaculair om het in een paar woorden samen te vatten.

Niets is echter minder waar. Achter die façade van alledaagsheid schuilt een totaal ander en uitermate boeiend beeld. De historie van Thessaloniki kent zijn weerga niet in Europa en misschien ook wel daarbuiten. Je moet alleen heel goed kijken wil je het zien.

Nou moet gezegd dat de huidige autoriteiten die verdwenen historie wellicht niet ongelegen komt. Zij willen vooral de Grieksheid van Thessaloniki benadrukken, terwijl de stad nog geen eeuw – vanaf 1912 – Grieks bezit is. Daarbij komt het oude Byzantijnse en dus Grieks-orthodoxe verleden wel van pas, maar het fascinerende amalgaam van bijna vijf eeuwen Osmaans-Turks bestuur en massale Joodse aanwezigheid lijkt te worden genegeerd.

Als je dat tot je door laat dringen, vallen je de vele prachtig gerestaureerde orthodoxe kerkjes tussen de hoge moderne flats des te meer op, terwijl de meeste Osmaanse en Joodse overblijfselen echter, zo ze er nog zijn, er vervallen bij staan en zowat onvindbaar zijn. Een enkele uitzondering zoals het magnifieke Osmaanse badhuis ’Bei Hamam’ daargelaten. Geschiedenis wordt nou eenmaal door overwinnaars geschreven, en daarop vormen de Grieken geen uitzondering. Het stemt wel droevig want een alomvattende geschiedenis, ook in fysieke presentatie, zou het unieke verleden van Thessaloniki recht doen.

Waar Athene bekend is van de klassieke oudheid en als de huidige hoofdstad van Griekenland, maar in de tussentijd bijna door gras is overwoekerd, kan Thessaloniki bogen op een continu stadsleven dat 2300 jaar omvat. Na de stichting in 315 v. Chr. door een generaal van Alexander de Grote, werd de stad al snel belangrijk in een handelsnetwerk van steden dat het oostelijk deel van de Middellandse Zee verbond met Azië en Afrika. Die rol bleef het spelen in de Romeinse en later Byzantijnse tijd.

Thessaloniki lag op de belangrijkste route van Rome naar Klein-Azië, de Via Egnatia, en was de belangrijkste zuidelijke toegangspoort tot de Balkan en Midden-Europa.

In 1430 werd Thessaloniki veroverd door de Osmaanse Turken, 23 jaar voordat Constantinopel aan hen ten prooi viel. Daarmee vestigden de Turken zich voorgoed aan deze kant van de Dardanellen. Als in 1492 alle Joden het katholieke Spanje worden uitgezet, vindt een groot aantal van hen – 20.000 – een veilig tehuis in Thessaloniki. Sultan Murad II werft actief onder hen omdat hij de hersens en het geld van de Spaanse joden goed kan gebruiken. Al in 1520 maakten de Joden meer dan de helft van de bevolking uit en dat zou eeuwen zo blijven. Een unieke situatie in een Europa, dat de Joden langzamerhand als een barre plek gingen beschouwen. Onder aanvoering van de nieuwe bevolkingsgroep groeide en bloeide de economie van Thessaloniki en zo ontstond een gedenkwaardige combinatie van Turkse moslims die de stad bestuurden en Spaanse Joden en hun afstammelingen die de economie domineerden.

Dat laatste ging zo ver dat wie handel wilde drijven in Thessaloniki toch wel kennis van het Joodse Spaans – het Ladino – moest hebben. Die taal heeft zich ook eeuwenlang op die vreemde plek weten te handhaven, hoewel het nu langzaam verdwijnt. Maar nog steeds zijn er moeders in Thessaloniki die voor hun kinderen (slaap)liedjes in het Spaans zingen.

De getuigen van deze, nu bijna ondenkbare, symbiose zijn helaas zo goed als verdwenen. Allereerst brandt in 1917 het gehele houten centrum uit en is het grote Joodse kwartier verdwenen. Voorts vindt rond de finale doodsstrijd van het Osmaanse Rijk in de jaren na de Eerste Wereldoorlog een gedwongen volksverhuizing plaats. Turken (moslims) worden gedwongen naar Turkije te gaan, Grieken woonachtig in Klein-Azië (christenen) moeten naar Griekenland verhuizen en kwamen grotendeels in Thessaloniki terecht. En nadat hun oorspronkelijke woningen en synagogen al waren verdwenen, voerden de nazi’s nog 50.000 Joodse bewoners weg, toen een vijfde deel van de stad.

Wat rest is, zoals gezegd, een gewone, mediterraan Griekse stad. Een werkstad met het luxe ogend Aristotelesplein dat grenst aan het water van de baai, waarover de filosoof zelf tevreden uitkijkt. Schepen varen uit, varen binnen of liggen er voor anker, ’s avonds feeëriek verlicht hetgeen het flaneren langs de Nikis-boulevard extra aantrekkelijk maakt. Mooie winkelstraten herbergen alle bekende wereldmerken, maar tussen Zara, Vodafone, Dolce & Gabbana en Gucci zijn hier en daar nog kleine neringdoenden waar te nemen, zoals lijstenmakers, mandenvlechters en heel veel banketbakkers. De Thessalonikers zijn dol op deegwaren en die zijn er in alle soorten op bijna elke straathoek te koop. Er rijden bussen rond met Ikea als eindhalte erop: inderdaad, het Zweedse meubelhuis dat zo gratis reclame maakt. Er zijn zelfs winkels met alleen maar avondkleding, die suggereren dat er vaak gefeest wordt in Thessaloniki. Ondanks die lichtheid en vrolijkheid laat die verborgen geschiedenis niet meer los. De stad is als een blues die melancholiek maakt maar gelukkig ook verkwikt.

In de verdwenen Joodse wijk stond de synagoge Etz Ha Haim, die nog bezoek heeft gekregen van de apostel Paulus in de 1ste eeuw. Etz Ha Haim heeft het uitgehouden tot de Endlösung in 1943.

Van de ooit vele tientallen synagogen staan er nog twee overeind. Ook de duizenden jaren oude Joods begraafplaats is in 1943 vernietigd. Met name die laatste gebeurtenis heeft de Joodse gemeenschap in Thessaloniki – nu nog zo’n 1000 mensen – beroofd van haar verleden. Tegenwoordig is er de Aristotelos Universiteit gevestigd.

Er zijn nog wel sporen te vinden van de massale Joodse aanwezigheid. Ten eerste in de bekende namen die deze gemeenschap heeft voortgebracht en die je hier en daar vaag op puien en grafstenen tegenkomt: Perahia, Modiano, Kapon, Benmayor. Verder zijn er in het oostelijk deel van de stad nog enkele villa’s te vinden die ooit hebben toebehoord aan rijke Joodse families: Villa Allatini, Villa Bianca, Villa Kapanji, Villa Modiano.

Voorts zijn er nog een paar plekken die de brand van 1917 hebben overleefd en waar je een indruk krijgt van het leven in de 19de eeuw en daarvoor.

Zo is er de Modiano-markt voor levensmiddelen die de sfeer en de geuren ademt van een oosterse bazaar. Aan de andere kant van de Aristotelesstraat is er een soortgelijke wirwar van nauwe straatjes te vinden vol met restaurantjes met eten voor een paar euro en waar ’s avonds de klanken van de bouzouki live klinken.

Dan ligt iets westelijker, dicht tegen de haven aan, de Egyptische straat met gekleurde meest vervallen gebouwtjes die vroeger specerijenpakhuizen waren.

Voorheen moet het er hier hectisch aan toe zijn gegaan. De huidige bestemming is onduidelijk, de straat is uitgestorven. Het enige rumoer komt van wat oude Griekse mannetjes die er luidruchtig tric-trac spelen.

In het Museum van de Joodse aanwezigheid is geprobeerd een en ander van het verdwenen verleden te doen herleven. In de paar kleine ruimtes lukt dat amper, maar aangrijpend blijft het.

Een van de zaken die Turken onderscheidt van Europeanen is de massale aanwezigheid in de Turkse cultuur van publieke badhuizen. Er waren er vele in Thessaloniki, maar de meeste zijn verdwenen. Met behulp van EU-geld worden er enkele opgeknapt. De fraaiste is de 15de eeuwse Bei Hamam, het grootste badhuis van het Osmaanse Griekenland, in de zuidoost-hoek van het Dikastirionplein. Je kunt er nog de koele gewelfde ruimtes betreden met hun driedimensionale honingraatmotieven – de muqarna’s – en de marmeren platen waarop de klanten, mannen en vrouwen streng gescheiden, werden gemasseerd.

De paar moskeeën die de stad nog kent – de meeste zijn verbrand – moet je goed zoeken. Hamza Bei aan de Egnatiastraat is misschien wel de bekendste. Er tegenover ligt het met zes koepels bedakte bezesten, het marktgebouw uit de 15de eeuw en als zodanig centrum van het commerciële leven dat nog steeds in gebruik is. Nog meer verstopt, achter een bushalte in de Kassandroustraat tussen twee betonnen gebouwen in, is de Aladja Imaret. Deze moskee, school en gaarkeuken voor de armen is met onkruid en graffiti bedekt.

Ten noordwesten van de Kassandroustraat, nog net binnen de oude, nog deels overeind staande stadsmuren, ligt een oude Osmaanse wijk. Hier zijn steile straatjes, steegjes eigenlijk, te zien met riante huizen met overhangende bovenverdiepingen afgewisseld met bescheiden onderkomens. Waar je ook loopt, het uitzicht over de stad is wonderschoon. Beneden in de verte ligt het centrum met daarachter de ronde baai gevuld met boten schitterend in de zonneschijn.

Het opvallendste gebouw van Thessaloniki is zonder twijfel de Rotonde. Dit enorme ronde pand in het centrum van de stad tegen het oude Joodse kerkhof aan werd in 306 neergezet door de Romeinse keizer Galerius als tempel van Zeus. Later is het gebouw een kerk geworden, vervolgens een moskee, toen weer kerk en nu treden er ook jazz-muzikanten op. De Rotonde met zijn vele tegelmozaïeken wordt op dit moment gerestaureerd, met EU-geld. Deze Rotonde is onderdeel van een heel complex aan Romeinse architectuur. Dat laat zien dat Thessaloniki al in de Romeinse tijd een belangrijke plaats was. Galerius had er zijn hoofdkwartier. Hij liet er onder meer een triomfboog neerzetten die zijn overwinning op de Perzen symboliseerde. Resten van de boog zijn nog te bewonderen aan de Egnatiastraat. Iets ten zuiden van de boog, aan het Navarinouplein, bevond zich het paleis van Galerius. De resten ervan zijn blootgelegd. Jammer dat het ernaast gelegen Hippodroom er niet meer is. Wel is de plek gemarkeerd waar deze paardenrenbaan ooit in gebruik was.

Een ander interessante archeologische plek is die van het Romeinse forum aan de noordkant van het Dikastirionplein. Een groot complex met allerlei gebruiksruimtes zoals badhuizen. Het opvallend is het nog gave openluchttheater.

Als in 476 het West-Romeinse Rijk valt, gaan de Oostelijke Romeinen vrolijk verder. Nog duizend jaar maar liefst, maar voor ons West-Europeanen is dit Byzantium voor een groot deel aan het oog onttrokken. Het Museum van Byzantijnse Cultuur vult een deel van die lacune. In zeven magnifiek ingerichte en belichte zalen wordt duidelijk wat we gemist hebben. In de overige vier zalen zien we vooral iconen in alle soorten en maten.

De Griekse aanwezigheid is alom. De laatste bazen in dat cultureel complexe Thessaloniki laten dat goed zien. Tussen de hoge flats zijn regelmatig mooi opgeknapte kerkjes te zien. De bekendste onder hen is de kerk van de heilige Dimitrios, de beschermheilige van de stad. De kerk, een bedevaartsoord voor orthodoxe christenen, oogt nog erg nieuw. Het oorspronkelijke exemplaar was 1500 jaar oud, maar werd grotendeels vernield in de brand van 1917. Eenmaal binnen word je overvallen door de volheid en kleurigheid die orthodoxe kerken zo kenmerken. De iconen van de verschillende heiligen zijn oogverblindend en worden onophoudelijk gekust door de binnendruppelende Grieken. Het mausoleumpje van Dimitrios is een tikkie protserig. Fotograferende Koreanen hebben daar geen last van.

Een van de verrassendste activiteiten die je buiten Thessaloniki kunt ondernemen is een wandeling rond de Olympus, de woonplaats van de klassieke Griekse goden. De streek rond de berg is een nationaal park en je kunt er prachtig ronddolen. Neem vanuit Thessaloniki de bus naar Litohoro, een afstand van een kleine 100 kilometer. Let op: soms moet worden overgestapt in de op de route liggende stad Katerini. En vergeet de regenkleding niet, de goden houden niet altijd van bezoekers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden