De Veluwe

'Wie natuur denkt te zien op de Veluwe, loopt met oogkleppen op en ziet niet meer dan het product van zijn romantische verbeelding. Wie op een eerlijke manier naar de Veluwe kijkt, ziet het resultaat van eeuwenlang gezweet; van werk, werk, werk.' Milieuhistoricus Wybren Verstegen over natuur die geen natuur en wild dat geen wild is.

Rond de feestdagen worden wij bedolven onder kerstkaarten. Daar zijn er nogal wat bij die een winters landschap tot onderwerp hebben met dennen en herten, zwijnen of andere wilde dieren in de sneeuw. Ook in het drukwerk van natuurbeschermers die zo tussen november en maart in de bus glijden, krijgen we dat beeld voorgehouden als cliché van 'de natuur' in het koude jaargetijde. Wie in Nederland aan dat soort natuur denkt, denkt al gauw aan de Veluwe. Maar het omgekeerde geldt ook: wie 'Veluwe' zegt, zegt natuur. Geen andere streek in Nederland, behalve wellicht de Waddenzee, wordt zo sterk geassocieerd met natuur als dit beboste gebied in het centrum van het land.

De Veluwe kent uitgestrekte wouden, fraaie heidevelden, ruige zandverstuivingen, jachtterreinen met grofwild, kabbelende beekjes, fraaie uiterwaarden en is ook nog eens dunbevolkt. De spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn is het langste stationloze traject in Nederland. Het Veluwse landschap is in de ogen van Trouw-journalist Marcel ten Hooven zelfs een 'eerlijk' landschap. Hier kan een mens, ondanks de aanwezigheid van drie grote autosnelwegen, zijn hart ophalen. Onlangs werd in Trouw de Veluwe nog als een 'ongeschonden' landschap beschreven.

Maar als ergens schijn bedriegt, dan wel hier. De Veluwe is volstrekt man-made. De bossen op de Veluwe zijn niet eeuwenoud maar tamelijk jong. Vanaf de negende eeuw namelijk is, eerst voor de wapensmeden van de opvolgers van Karel de Grote en later door de boeren, zo ongeveer al het opgaande hout gesloopt. Tegen het einde van de Middeleeuwen was er nauwelijks nog bos over. Natuurmonumenten heeft wel eens beweerd dat de schepen van de VOC gemaakt zijn van hout van de Veluwe, maar dat is een misverstand. Dat hout moest worden geïmporteerd, uit Duitsland en Scandinavië, omdat het hout in de Republiek der Zeven Provinciën en ook dat op de Veluwe, toen al ruimschoots op was. Het enige oude hout dat er nog was, was hakhout van eiken en elzen waarvan, net als bij knotwilgen, regelmatig de takken werden gesnoeid die dienden als bouwmateriaal en brandstof voor de boeren. Sommige van dat soort werkelijk eeuwenoude bomen zijn afgelopen zomer in het nieuws gekomen.

De uitgestrekte bossen zijn echter aangeplant in de negentiende eeuw, en niet met het oogmerk om er 'natuur' van te maken, want natuurbouw is een moderne gril. Het hout van de bossen van bedoeld als stuthout voor de kolenmijnen in België en Engeland. Zonder kolenmijnen geen Veluwse bossen. Wie Veluwse bossen ziet, kijkt naar houtplantages die in wezen niet verschillen van rubberboomplantages in Maleisië die immers ook zijn aangelegd op plaatsen waar vroeger 'oerbos' stond.

De grootschalige ontbossing is er ook de oorzaak van dat er zulke uitgestrekte heidevelden op de Veluwe zijn te vinden. Een Nederlands heideveld is in negen van de tien gevallen geen natuurlijk heideveld, maar is ontstaan nadat het ontboste terrein beweid werd met schapen die de jonge loten opvraten. Van de heide werden door de boeren bovendien plaggen gestoken die als extra bemesting op de bouwlanden werden gelegd. Een heideveld is meestal niets anders dan een monumentje van eeuwenlange roofbouw. De fraaie glooiingen van de Veluwse akkers zijn daarom ook niet natuurlijk, maar het resultaat van het ophogen van het bouwland met heideplaggen.

Maar de grootste ecologische ramp die de Veluwe trof, zijn wel de zandverstuivingen. Wanneer er te radicaal was ontbost, te veel plaggen werden gestoken en te veel schapen werden geweid, bleef er niets anders over dan kaal zand. Een tiende van de Veluwe, meer dan 10 500 hectare, was anderhalve eeuw geleden overdekt met zanden die zich steeds verder uitbreidden. Een zandverstuiving was een Sahara in miniatuur waar je gemakkelijk kon verdwalen. Met veel pijn en moeite hebben onze voorouders de zandverstuivingen weten te beteugelen en terug te dringen. De resten, een schamele 900 hectare, worden nu als natuurmonumenten gekoesterd; het kan verkeren.

En dan het 'wild' dat geen wild is. Onder stadhouder-koning Willem III werden herten geïntroduceerd voor de jacht. Die herten hadden een ruimte ter beschikking waar een hert in de huidige kroondomeinen jaloers op zou worden. Ze vluchtten tot op de stadswallen van Harderwijk om aan de jagers te ontkomen en leefden, omdat wildroosters nog niet bestonden, hun bronsttijd niet uit in het bronsgroen eikenhout maar in de uiterwaarden langs de rivieren. De nazaten van de herten van Willem III werden echter zo'n beetje allemaal uitgeroeid in de tijd van de Franse Revolutie door de Veluwse boeren die er genoeg van hadden dat de dieren hun landerijen vertrapten. Stadhouder Willem V, de beschermer van het grootwild, was niet bepaald geliefd bij de lokale bevolking: ,,Wordt niet op de Veluwe uw naam door de arme landman gevloekt, omdat hij overdag moe en afgewerkt, 's nachts in plaats van rust te genieten en door de slaap zijn uitgeputte krachten te kunnen herstellen, zijn koren net als in oorlogstijd moet bewaken tegen de herten. De herten die (...) ten koste van het zweet der arme boeren hier leven en zich vermenigvuldigen'' schreef de vertoornde Patriotse voorman Joan Derk van der Capellen tot den Pol in 1781.

In de negentiende eeuw moesten de herten ten behoeve van de jacht dan ook opnieuw geïntroduceerd worden, net als de wilde zwijnen. Het oorspronkelijke wild was toen grotendeels verdwenen. De wolven werden in de zeventiende eeuw uitgeroeid in grote klopjachten want 'schadelijk' wild was vroeger vogelvrij. Er stonden premies op het vangen van vossen, arenden, buizerds en andere roofdieren. Otters werden gezien als een bedreiging voor de visstand in de Veluwse beken en dus fanatiek bejaagd.

Die beken zelf zijn trouwens helemaal geen beken maar kunstmatig gegraven kanaaltjes ten behoeve van de nijverheid. In het hoger gelegen gebied van de Veluwe werden sprengen gegraven waaruit het Veluwse grondwater via kunstmatige waterwerken en tussen dijkjes en soms over kleine aquaducten naar plaatsen werd geleid waar voldoende verval was om een watermolen in beweging te zetten. Meer dan 150 watermolens stonden er vroeger op de Veluwe waar papier werd gemaakt, waar eikenschors, zaden en graan werden gemalen en koperplaten werden geplet met een lawaai dat horen en zien je verging. Sommige van die bedrijfjes stonden te boek als stinkmolens omdat er met urine werd gewerkt. Vele landgoederen op de Veluwe danken hun fraaie omgeving aan het gegraaf van de molenaars en hun arbeiders: de waterwerken op Het Loo en het kasteel Rosendael worden gevoed door kunstmatig gegraven sprengen. Vijvers bij kastelen als de Canneburg blijken er niet voor de sier te liggen, maar dienden als stuwmeertjes, zodat de watermolens meer kracht konden ontwikkelen. De Veluwse 'beken', vaak kilometers lang, en de vele Veluwse vijvers, vormen, hoeveel zeldzame planten, insecten en vogels er ook te vinden zijn, geen natuur- of cultuurmonumenten maar zijn industrieel erfgoed.

Nú is de Veluwe recratiegebied, maar de vroegere inwoners van de Veluwe waren toen zij de bossen kapten, hun schapen weidden, beken groeven en kanalen aanlegden, niet bepaald bezig met het creëren van rust. Zij probeerden met de gebrekkige middelen die hun ten dienste stonden, een karig bestaan op te bouwen. Leven op de Veluwe was keihard werken. Op het steken van plaggen, tientallen karrenvrachten voor één hectare, is menig rug gebroken. Ook het poten van al die dennen was zwaar grondwerk. De Veluwse beken, kanalen en weteringen werden met mankracht gegraven. De papiermakers leefden te midden van het gestamp van tientallen hamers die dag en nacht oude lompen tot papierstof vermaalden. De welvaart die al die bedrijvigheid gaf, was beperkt: in het midden van de negentiende eeuw behoorden de Veluwse dagloners in hun hutten met een paar geiten tot de armsten van het land. Hun afhankelijkheid van de monocultuur van aardappels werden zorgelijk aangezien door tijdgenoten die Ierse toestanden vreesden bij deze keuterboeren met hun grote gezinnen waar de kinderen 'als troglodieten uit de grond rezen'.

De negentiende-eeuwse bestuurders die grote delen van de Veluwe wilden bebossen, waren er dan ook niet op uit van de Veluwe een natuurgebied te maken. Integendeel: zij trachtten het gebied op te stoten in de vaart der volkeren: de heide moest ontgonnen worden, en werd ontgonnen, tot bouwland, tot bos. Er kwam een kanaal langs de oostelijke Veluwe dat de industriedorpen Heerde, Vaassen en Apeldoorn een betere verbinding met de steden gaf en waarlangs 'stadsdrek' aangevoerd kon worden om de landerijen van hun eeuwige onvruchtbaarheid te verlossen. Er kwamen stoommachines in de koperpletterijen en de papiermolens, de wegen werden verhard. De huidige autosnelwegen, dwars door het vroeger zo arme gebied, zouden door negentiende-eeuwse regenten als een zegen zijn omhelsd.

Het is paradoxaal genoeg juist aan die negentiende-eeuwse ontsluiting van het gebied te danken dat de Veluwe tot 'natuur' kon worden gebombardeerd. De onder Lodewijk Napoleon aangelegde verharde weg van Utrecht naar Apeldoorn maakte de afstand tot Den Haag een stuk korter zodat de jacht op de Veluwe onder de Oranjes weer populair kon worden, zij het te zijner tijd in netjes afgebakende terreinen om de boeren te ontzien. Maar vooral werd de Veluwe ontdekt door de nieuwe burgerlijke elite, die zich vestigde rond Het Loo of langs de IJssel, tegenover Deventer en Zutphen. Ettelijke adellijke huizen, vooral in de Gelderse vallei, kregen burgerlijke bewoners omdat na de revolutietijd veel jonkers het op het platteland voor gezien hielden en naar Arnhem of Den Haag trokken. Wetenschappers, waaronder archeologen en rechtsgeleerden, ontdekten de 'oude' Veluwe met zijn keltische grafheuvels en oude rechtsinstanties zoals marken en maalschappen die de woeste gronden en restanten bos beheerden.

Die burgerij hield van natuur: een late ontdekking, op gang gebracht door de romantiek. Het was de Tachtiger Frederik van Eeden die de teloorgang van het Beekbergerwoud in 1871, het laatste stukje oerbos van Nederland ten zuiden van Apeldoorn, beweende. Het was de architect Berlage die de Veluwe als jachtgebied mythologiseerde in het jachtslot St. Hubertus. Burgerdom, cultuur, wegen en het toevallige resultaat van moderne houtteelt hebben de Veluwe immens populair gemaakt. Geen beter voorbeeld daarvan is het Nationaal Park de Hoge Veluwe waar de biologen de laatste zandverstuivingen koesteren, de toeristen op witte fietsen rondrijden door de nieuwe bossen en de laatste heidevelden, en zich kunnen laven aan moderne kunst in het Kröller-Müller museum. Allemaal prachtig, en het moet vooral zo blijven, maar met natuur heeft het weinig te maken. Wie natuur denkt te zien op de Veluwe, loopt met oogkleppen op en ziet niet meer dan het product van zijn romantische verbeelding. Wie op een eerlijke manier naar de Veluwe kijkt, ziet het resultaat van eeuwenlang gezweet; van werk, werk, werk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden