De vele gezichten van rouw

Hoe oud je ook was, hoe het overlijden ook in z’n werk ging en hoe lang het ook geleden is: een ingrijpend verlies speelt een grote rol in het leven van elke nabestaande.

Levenslang, zegt de Utrechtse klinisch psycholoog Jan van den Bout zelfs, in „De hemel in mijn hoofd” van Kalien Blonden. Van alle nabestaanden verzeilt volgens hem maar liefst 10 procent in een toestand van chronisch acute rouw – dat zijn de mensen waar jaren na het overlijden van een kind de kinderkamer nog intact is, of waar de kleren van de overleden echtgenoot jaren later nog in de kast hangen.

Een min of meer ’verteerbaar’ sterfgeval – na een lang, gelukkig en gezond leven – komt in Blondens boek, een serie interviews met mensen die lang geleden iemand verloren, niet voor. Het zijn nabestaanden in dramatische sterfgevallen: inmiddels volwassen kinderen van jonggestorven vaders die ziek waren, of van moeders die een verkeersongeluk kregen of zelf hun leven beëindigden; of ouders van gestorven kinderen.

Pogingen om te vergelijken, of een hiërarchie van verdriet aan te leggen, blijven achterwege. Wie zal immers zeggen wat erger is: om je negenjarige zoon te verliezen aan een plotselinge hartstilstand, of je moeder aan zelfmoord als je zes bent?

Over die altijd op de achtergrond aanwezige rouw, chronisch of niet, wordt niet vaak gepraat – en al helemaal niet lang nadien. De ervaring van Joke Hilhorst, die 25 jaar geleden haar 17-jarige dochter verloor bij een verkeersongeluk maar nog elk jaar op de sterfdag een kaartje met „We denken nog aan Ellen” krijgt van de moeder van een klasgenootje, lijkt grote uitzondering. „Dat zegt me dat ze iemand was die de moeite waard was. Ze is maar zeventien jaar geworden maar ze heeft iets betekend voor de wereld en de mensen om haar heen”, zegt haar moeder.

Praten over een oud sterfgeval gebeurt in families, tussen vrienden of op het werk kennelijk weinig. Marinus van den Berg, verpleeghuispastor en schrijver van een heel rijtje rouw-gerelateerde boeken, noemt dat in ’De hemel in mijn hoofd’ een tekort. Volgens hem komt het daardoor dat je in kranten steeds vaker advertenties ziet voor mensen die vijf, tien jaar of langer geleden zijn overleden. „Ik lees die advertenties als een oproep. Ik zie daar staan: streep deze naam niet door, vergeet hem niet.”

Zou de samenleving meer spraakzaamheid moeten toelaten en een beter geheugen voor oude pijn moeten hebben? Niet iedereen heeft daar behoefte aan, zo blijkt.

Een van de geïnterviewden in ’De hemel in mijn hoofd’ – zijn moeder overleed zestien jaar geleden na een coma; zij was toen 51, hij 22 – lijkt de momenten dat hij zijn moeder nog altijd mist te beschouwen als privé. „Het zijn verborgen momenten, momenten voor mezelf. Toen ik afstudeerde: het moment dat ik mijn tentamenbriefjes had ingeleverd en alleen over straat liep. Toen mijn eerste kind geboren werd: het moment dat ik alleen thuis kwam – mijn vrouw en dochtertje moesten nog een nachtje in het ziekenhuis blijven. Het eerste communiefeestje: het moment dat de laatste gast is vertrokken. Momenten waar niemand bij is, die niemand ziet.”

In het boek leggen een paar deskundigen uit hoe christelijke, joodse en islamitische rouwrituelen toegaan; maar van de geïnterviewden zijn de meeste ’ietsist’. Ze hebben geen vastomlijnde voorstellingen over zulke dingen als de hemel en God: „De hemel zit in mijn hoofd.”

Zo ook in ’De gewassen hand’ van Ria Peerdeman. Aan het einde van dat boek voert hoofdpersoon Els Kloosterman op de zerk van haar vermoorde schoonzusje een ritueel uit. Ze verbrandt er een brief die ze jaren na de moord aan de dode Irene schreef. „Ik houd op met zoeken naar je moordenaar. Ik moet mijn leven weer oppakken”, schrijft ze.

Negen jaar eerder werd Irene vermoord. Dat gebeurde tijdens een nachtelijke overval in Gent, op de shoarmatent van Irene’s (Libanese) man Abdul. Hij overleeft de overval wel en ligt met schotwonden in knie en hand in het ziekenhuis.

Abdul en Irene hadden op het moment van de overval zojuist de zestiende verjaardag van hun huwelijk gevierd. Abdul dreef zijn restaurant sinds een tijdje, vanuit de hoopvolle gedachte „dat Belgen vaker buiten de deur eten” – want zijn eerdere pogingen om dichter bij huis met shoarma zijn brood te verdienen waren telkens mislukt. Irene was in Breukelen blijven wonen: ze konden het geld niet missen dat zij daar als secretaresse bij een computerbedrijf verdiende. Hun huwelijk was goed, de familiebanden hecht – hoofdpersoon Els Kloosterman en haar man Wim, Irene’s broer, reageren verontwaardigd op de insinuaties van de Belgische politie dat de moord misschien iets te maken had met „culturele verschillen” tussen de echtelieden, of met spanningen vanwege de woonsituatie.

In de negen jaar tussen de moord op Irene en het ritueel op haar graf maakt Els Kloosterman inwendig een grote reis. Meer nog dan over de detective-kant van het verhaal (Wie heeft het gedaan? Waarom is die Belgische politie zo onmogelijk autistisch en bureaucratisch? Waarom is van alles niet onderzocht?) gaat ’De gewassen hand’ over die spirituele reis. De op z’n grondvesten daverende familie worstelt door Irene’s gewelddadige dood met allerlei levensvragen. Waarom leef ik nog steeds en is Irene al zo jong dood, tobt Irene’s hoogbejaarde vader. Waarom moesten de overvallers Irene zo nodig met twee kogels vermoorden – waarom zo’n overmaat aan geweld? En vooral: bewijst zo’n gruwelijke moord niet dat er geen God is – want anders zou die toch niet toestaan dat dit gebeurt?

Net als Job, net als iedereen die lijdt, zit Els Kloosterman verstrikt in het mysterie van goed en kwaad. Aanvankelijk blijft het contact tussen weduwnaar Abdul en Irene’s familie intact. Maar dat verandert wanneer de Belgische politie eindelijk iets meer wil zeggen dan ’dat kunnen we in het belang van het onderzoek niet zeggen’. Anderhalf jaar na de moord, ze zitten op dood spoor, maken ze de familie deelgenoot van hun twijfels over Abduls onschuld. Al kunnen ze niets bewijzen, Abduls verhaal over wat precies is voorgevallen rammelt.

De twijfel aan Abduls onschuld, de splijtzwam in haar vertrouwen, is een van de vormen van ’kwaad’ die Els Kloosterman gaandeweg begint te onderscheiden.

In een gesprek met de hoogbejaarde vader bereikt Els Kloosterman acht jaar na de moord een inzicht waarmee ze verder kan – ook al is de moordenaar van Irene dan nog altijd niet gevonden. „De mens heeft kwaad nodig”, zegt de schoonvader. „Kwaad, in alle vormen van ellende en narigheid, daagt de meeste mensen uit om er een zin aan te geven, om er iets goeds mee te doen”, ziet zij dan opeens in.

Volgens haar schoonvader laat God de ellende in de wereld bestaan „omdat wij dan ook iets te scheppen hebben. Wij moeten er iets moois van maken door het kwaad te bestrijden. We hebben het nodig om ons te kunnen verheffen. Het is de opdracht aan ieder mens iets goeds te doen met de misère die op zijn pad komt.”

Els Kloosterman is een eigentijdse ietsist, inclusief het zelfbedachte ritueel op het graf van haar schoonzusje. Er is, weet ze, wel ’iets’; maar één religie die haar past, heeft ze tijdens haar queeste niet gevonden – en daar heeft ze vrede mee. Dat geldt ook voor het feit dat de moordenaar – misschien inderdaad wel Abdul, ziet ze inmiddels in – nog altijd vrij rondloopt. „Ik wil niet dat hij onschuldig in een gevangenis terechtkomt. We leven in een beschaving die verdachten in zo’n situatie vrij laat en dat is goed.”

Ria Peerdeman: De gewassen hand, Servo, ISBN 905786049X, euro 13,95.

Kalien Blonden: De hemel in mijn hoofd, Ten Have, ISBN 9025957420, euro 14,90.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden