De val van het gezag

Kort voordat Hitler Polen binnenviel, vocht het Nederlandse parlement zijn eigen oorlogje uit. Op 27 juli 1939 trotseerde de Kamer het Gezag van Colijn. Hij presenteerde zijn vijfde kabinet, maar de Tweede Kamer ging er voor liggen. De gevolgen waren immens. Niet alleen ging Nederland zonder Colijn de oorlog in, bovendien werd het einde van de Coalitie bezegeld en het begin van de rooms-rode samenwerking. Maar bovenal was er sprake van een afrekening met het Gezag. Redenen te over om dit oorlogje uit te roepen tot de Nederlandse politieke gebeurtenis van de eeuw.

De politieke schermutselingen aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog laten zich eenvoudig samenvatten. Op 29 juni 1939 bezweek Colijns vierde kabinet aan interne tegenstellingen. Het was samengesteld uit louter 'positieve christenen', die we tegenwoordig CDA'ers zouden noemen: een coalitie van de Rooms Katholieke Staatspartij (RKSP), de Anti Revolutionaire Partij (ARP) van Colijn en de Christelijk Historische Unie (CHU). De oorzaak van deze kabinetscrisis: de katholieken hadden onoverkomelijke bezwaren tegen de keiharde bezuinigingspolitiek van Colijn. Bovendien hadden ze genoeg van diens autoritaire regeringsstijl. De grote roerganger trok zich van zijn roomse vrienden niet zo veel aan. Dat steekt natuurlijk.

Zoals in die tijd gebruikelijk was, dacht niemand aan het uitschrijven van verkiezingen. Colijn werd gewoon in de gelegenheid gesteld een nieuw kabinet te formeren. Na enkele weken al kwam hij met een minderheidskabinet, waarin hij de roomsen had ingeruild voor een aantal loslopende liberalen. Dat presenteerde hij onder het motto: durf dit kabinet dat de zegen heeft gekregen van de allerhoogste, van de kroon, van koningin Wilhelmina, maar eens weg te sturen. Durf het land temidden van de hoogoplopende internationale spanningen maar eens in een crisis te storten.

Waarop de fractievoorzitter van de RKSP, mr. L.N. Deckers, de stoute schoenen aantrok. Hij volgde de raad op van de katholieke krant De Maasbode: ,,een Koninklijk Kabinet, kun je ook koninklijk wegstemmen''. Hij diende een motie in, die met steun van de sociaal-democraten en de vrijzinnig-democraten werd aangenomen, zodat Colijn gedwongen was af te treden.

In vergelijking met wat elders in Europa gaande was, ging het om enkele eenvoudige zetten op een kneuterig Hollands schaakbord. Maar op de toenmalige politieke schaal was er echter wel degelijk sprake van een aanzienlijke schok, die een breuk met het verleden veroorzaakte waardoor zich een compleet nieuw politiek landschap zou aftekenen. Het betekende het einde van de Coalitie, met hoofdletter, de samenwerking tussen protestanten en katholieken, tussen wat toen rechts en confessioneel werd genoemd. Met die samenwerking zou het later weer in orde komen, maar beduidend anders. De protestanten deelden toen niet langer de lakens uit en bovendien zouden zij nooit meer als de Coalitie optreden. De breuk markeerde bovendien de voltooiing van de katholieke emancipatie in ons land. De motie-Deckers maakte de weg vrij voor de latere rooms-rode coalities. Zij drong de eertijds gloriërende protestanten in een onvruchtbaar isolement, waaruit zij zich pas jaren later met moeite losmaakten, aanzienlijk bescheidener, minder overtuigd dat alleen zij de wijsheid in pacht hadden van Gods wil op aarde.

Maar bovenal rekende de motie af met het Gezag, dat weigerde zijn mandaat aan de wil van het volk te ontlenen. De toenmalige protestanten en katholieken waren tegen de volkssoevereiniteit. Het parlement was wel belangrijk, maar het gezag ontleende zijn autoriteit toch aan iets hogers, aan de kroon en uiteindelijk aan God zelf. Zo althans speelde Colijn het spel, maar de motie-Deckers dwong hem uiteindelijk in de volksvertegenwoordiging zijn meerdere te erkennen.

Om te begrijpen wat dit voor de toenmalige politieke verhoudingen betekende, moeten we - om met de socioloog Jacques van Doorn te spreken - voor ogen houden dat de Nederlandse politiek zich door de jaren heen kenmerkte door het bestaan van twee fronten: het front tussen confessionalisme en modernisme en dat tussen arbeid en kapitaal. Dat laatste front valt grotendeels samen met de links-rechts tegenstelling, die vandaag ook nog enigszins herkenbaar is. Het eerste front is een schim geworden, een verschil tussen christelijk en niet-christelijk, in de politiek denken we dan alleen aan zaken als de zondagsrust, euthanasie en abortus. Toen had het front tussen modernisme en confessionalisme een ingrijpender lading.

In wezen ging het om twee verschillende mensbeelden. Een optimistisch mensbeeld dat uitgaat van de kracht van het individu en diens ongekende mogelijkheden om zich te kunnen ontplooien. De dragers van dit mensbeeld beschouwen zich als de erflaters van de Franse revolutie, sociaal-democraten dus en liberalen. Tegenover dat beeld stond dat van de meer naar pessimisme en realisme neigende mensen, die er van overtuigd zijn dat de mens van nature geneigd is tot alle kwaad. Die mens is daarom het beste af in een samenleving waarin hij zich ingebed weet in organische verbanden, in hechte gemeenschappen, waarin het gezag van de kerk en de verwante politieke partijen vanzelfsprekend is.

Hoe ingewikkeld de frontlijn ook was, feit is dat Abraham Kuyper aan het begin van deze eeuw met zijn antithese de tegenstellingen aardig op de spits heeft gedreven. Hij deelde het vaderland simpelweg op in een wereld van heidenen en christenen, met dank aan de liberalen die zo dom waren de christenen de voet dwars te zetten op het gevoelige punt van de vrijheid van onderwijs. Kuyper ook predikte het beginsel van soevereiniteit in eigen kring, waarmee hij het modernisme buiten de deur dacht te kunnen houden. Hij ook is de bedenker van de Coalitie van christenen tegen de rest.

Welnu, die Coalitie dicteerde kort na de eeuwwisseling enkele jaren de gang van de zaken. Na de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917 deelde zij zelfs permanent de lakens uit. De nazaten van Kuyper waren wel zo verstandig er de scherpste kantjes af te halen. Colijn ruimde om die reden in de Coalitie ook een plaatsje in voor de vrijzinnig-democraten van Oud, de latere voorman van d VVD. De katholieken die allang blij waren dat ze mee mochten doen, vonden het wel goed zo, tot Colijns bezuinigingspolitiek en diens autoritaire optreden al te zeer gingen knellen. Colijn werd daarom in 1937 teruggeworpen op de Coalitie sec, een coalitie dus van alleen maar protestanten en katholieken. Misschien dachten de katholieken hem zo beter in de tang te kunnen krijgen. Toen dat niet lukte stuurden zij op crisis aan, die op de 29ste juni 1939 een feit werd.

Een hedendaagse burger zou zeggen: een verstandige politicus zal wel water in de wijn doen. Zo niet Colijn en op de achtergrond dacht koningin Wilhelmina er misschien precies zo over. Colijn besloot op het Gezag te vertrouwen en de katholieken een lesje te leren. Hij speelde blufpoker. Zelfs in de beschrijving die Oud ervan geeft in zijn Jongste Verleden, val je van de ene verbazing in de andere. Colijn, zo blijkt, kreeg in deze formatie het voortouw zonder dat de fractievoorzitters ook maar een seconde werden geraadpleegd. Colijn gebruikte die positie om de katholieken 'nee' te laten zeggen, waarop hij zogenaamd in arren moede gedwongen was zijn minderheidskabinet van protestanten en liberalen in elkaar te timmeren.

Dit kabinet presenteerde hij met opgeheven hoofd en met een beroep op de gespannen internationale situatie. Het mooiste is misschien nog wel het slot van Colijns verklaring: ,,Mijnheer de voorzitter, het woord is nu aan de Kamer. In serene rust wachten wij de uitkomst van dit debat af, wetende dat er niets bij toeval geschiedt, dat alles bestuurd wordt door Hem, die ook op deze aarde de hoogste Koning is.'' Colijn meende erop te mogen vertrouwen dat de Kamer voor het aldus in stelling gebrachte Gezag zou buigen. En inderdaad, de fractievoorzitter van de ARP, Schouten, boog, hoewel het hem stak dat zoveel liberalen minister waren geworden. Ook de fractievoorzitter van de CHU, De Geer, boog. Zijn partij zou het kabinet op zijn daden beoordelen. Vanzelfsprekend waren de liberalen dik tevreden: ,,Het kabinet is er en wat een kerels,'' zei de liberaal Wendelaar.

Alleen de sociaal-democraten, de katholieken en de vrijzinnig-democraten lieten zich niet imponeren. Voorman Albarda herinnerde eraan dat het tijd werd zijn sociaal-democraten bij de formatie te betrekken en hij hekelde het feit dat Colijn dat niet had gewild. De katholiek Deckers was zo mogelijk nog verbetener. De dominerende richting van het kabinet was de liberale en die werd slechts door vier leden der Kamer gedeeld, beet hij Colijn toe en aan het slot van het debat diende hij zijn befaamde motie in.

De aanvaarding van de motie veroorzaakte heel wat beroering. Velen keurden haar af als een toepassing van de Franse methode, om een kabinet geen dag de tijd te gunnen om van zijn daden te doen blijken. Men sprak zelfs van een hoogst inconstitutioneel gedrag der Kamer. De benoeming van ministers was een zaak der kroon. Haar voor te schrijven wie zij als formateur heeft te roepen ging rechtstreeks in tegen haar grondwettelijk prerogatief. Sommigen gingen zelfs zo ver dat zij meenden dat de regering voor een dergelijke machtsusurpatie niet opzij moest gaan.

Oud was van die argumenten niet onder de indruk. Hij herinnerde aan Thorbecke: de benoeming van een formateur is als daad der kroon inderdaad onaantastbaar, maar is ook altijd een ministeriële daad. In die laatste hoedanigheid heeft het parlement onbetwistbaar het recht die benoeming af te keuren. Wie dat recht betwist, tracht de ministeriële verantwoordelijkheid door autocratie te verdringen. Met die constatering raakte Oud de gevoelige plek. Zij impliceerde immers de erkenning van de volkssoevereiniteit en juist daarvan wilde Colijn, en met hem de protestanten en katholieken, niet weten.

Zo bezien was het dus een heldendaad van de katholieken dat ze uiteindelijk toch kozen voor de soevereiniteit van het volk. Ook al zal die heldenmoed aangemoedigd zijn vanuit het gevoel dat het te gek was dat een snelgroeiende partij (de RKSP droomde zelfs van een katholieke meerderheid) de oren moest laten hangen naar een combinatie van regentendom en protestantisme.

En zo beleefde Nederland vlak voor de oorlog nog dat de banvloek tegen sociaal-democraten werd opgeheven en vertegenwoordigers van deze partij konden toetreden tot het kabinet-De Geer. Daarmee werd ook de basis gelegd voor de rooms-rode samenwerking, die de eerste decennia van na de oorlog de toon zou aangeven.

Zo markeerde de motie-Deckers twee ontwikkelingen die de Nederlandse politiek ingrijpend veranderden. Ver voor provo en de roerige jaren zestig relativeerde zij het beroep op een gezag dat verder reikt dan de volkssoevereiniteit. En minstens zo belangrijk: de motie temperde ook het front tussen de moderniteit en het confessionalisme. Niet toevallig dat de Rooms Katholieke Staatspartij na de oorlog omgedoopt werd tot Katholieke Volkspartij. De motie-Deckers verrijkte de Nederlandse politiek met een aanzienlijke scheut pragmatisme. En inmiddels is diezelfde politiek al zo pragmatisch geworden, dat er van de oude fronten bijna niets meer te zien is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden