DE UTOPIA-EXPRES

Al wat ik nog weet van mijn vader was dat hij graag viool speelde. Dertien moet ik zijn geweest toen hij voor 't laatst de deur uit liep, op weg naar Alaska.'' Zonder vader gaat het alras verkeerd met Charles Ickes. Hij spijbelt, lummelt op straat in een gang en pleegt onvermijdelijk na een paar jaar de eerste kruimeldiefstallen. Ondertoezichtstelling kan niet verhinderen dat Ickes op zijn 18e voor z'n eerste auto gaat. Amper vrij steelt hij een tweede, nog het een en ander, en belandt uiteindelijk voor zes jaar achter de tralies.

Charles maakt nu toch goede voornemens, trouwt de dag na zijn vrijlating, verhuist naar het geboortedorp van zijn vrouw en adopteert een kind. Helaas, hij is geen gezinsmens, en als het met geld en werk tegen begint te zitten, zoekt Ickes zijn heil in de drank en maakt ruzie met zijn vrouw. “Eeuwig en altijd was ik ontevreden en verveeld”, zegt hij er later over. Dan zit hij inmiddels jaren te brommen, want Ickes beëindigt zijn criminele carrière met een gewapende roofoverval in een kledingzaak. De rechter heeft het nu wel gehad met Charles: levenslang. Zijn vrouw trouwens ook, die laat zich van hem scheiden.

Criminologen schudden het hoofd als hij in de oude Joliet-gevangenis in Illinois arriveert. “Verveeld, zelfingenomen, stoer, dom, maar ergens toch knap intelligent”, oordelen ze in hun rapport, Ickes behoeft zware bewaking. En hij maakt zijn reputatie spoedig waar, hij knokt wat af.

Het treurige relaas over deze gewoonteboef, waar de samenleving geen kant mee op kan, staat beschreven in Break down the walls, een vurig pleidooi van John Bartlow Martin om alle bajesmuren maar neer te halen. Daar gaf Charles Ickes weinig aanleiding toe, maar zijn verhaal gaat verder. Na enkele jaren cel meldt hij zich aan als vrijwilliger om zich te laten besmetten met malaria, in de hoop met zijn bijdrage aan het onderzoek strafverlichting te krijgen.

In het ziekenhuis raakt hij gefascineerd door het gepriegel met die vervaarlijke ziektekiemen, hij zeurt om een baantje, krijgt cursussen haematologie en parasitologie en ontwikkelt zich in een paar jaar tot expert. “Nooit vond ik iets in mijn leven dat me wat deed, tot op dat moment.” Ickes verblijft daarna als gevangene uitsluitend nog in het ziekenhuis, bekwaamt zich verder en komt in contact met een arts die de muggendeskundige wil inzetten in dorpen aan de 'malariakust' van Nicaragua.

Dan begint het grote wachten. Helaas blijken door een administratieve fout enkele jaren van zijn reeds uitgezeten straf niet mee te tellen, het zal nog langer duren voor hij 'op parool' kan worden vrijgelaten. Die malariaprik kreeg hij in 1944, als Break down the walls in 1955 verschijnt, wacht Ickes nog steeds. “Ooit, als ik ga, zullen ze ontzettend blij met me zijn in Nicaragua”, garandeert hij.

Wat gebeurde deze man? John Bartlow Martin realiseert zich dat een malariabesmetting de crimineel niet tot inkeer bracht, het toeval liet de betere Charles ontwaken. Bij een meer individuele benadering van gevangenen, kun je van dat toeval wellicht meer zekerheid maken, hoopte Martin in 1955 nog. Ruim veertig jaar later is dat optimisme aan criminologen nauwelijks meer besteed: zo'n intrigerende ommezwaai als die van Charles Ickes toont juist aan dat het eelt op de ziel van zulke gevangenen zich alleen op goed geluk laat losweken.

Martins boek verscheen twee jaar na de invoering in ons land van de nieuwe Beginselenwet, waarin het loffelijke uitgangspunt gold dat de gevangenisstraf gedetineerden moest voorbereiden op hun terugkeer in de samenleving. Maar als een historicus vanaf dat ijkpunt - 1953 - dertig tot veertig jaar naar voren en naar achteren tuurt, ontwaart hij in beide richtingen slechts een reeks van naïeve pretenties en soms onvergeeflijke blindheden.

Lees het oordeel van de socialistische schrijver Maurits Dekker in de jaren twintig: “Zoals de cel thans is, is zij een sprekend monument voor een christelijke regeering, die opstaat en naar bed gaat met de bijbel in prachtband, zorgvuldig gesloten met gouden scharnieren, voor farizeeërs, die God op de lippen, maar een ziel van stroo en harten van kurk hebben.”

Dat sloeg nog op de eenzame opsluiting. Maar met de tijd onze richting uit, constateert gevangenisdeskundige dr. M. Moerings eind jaren tachtig over de nieuwe idealen: “Het laagje vernis en de frisse kleuren van de afgelopen jaren zijn aan het afbladderen: resocialisatie bleek niet te 'pakken', en humaniseren en minimaliseren van de schade dekken ook niet langer.”

Alweer een domper, de geschiedenis van de gevangenis lijkt de mislukkingen onvermijdelijk aaneen te rijgen. Het is een historie ook die twee eeuwen lang wordt gegarneerd met onbegrip en verontwaardiging van lui buiten de muren, die niet anders doen dan klagen over het comfort en beschermde werkomgeving voor dat gespuis daar binnen.

In de jaren dertig van deze eeuw vroeg de Rotterdamse rechter A. J. Marx of het voedsel niet wat smakelozer kon, de bedden niet iets harder, de nachtrust niet iets korter. En anno 1998 keren in veler ogen recidiverende criminelen niet eens rouwig in het gevang terug, onder meer vanwege het eigen toilet, de eigen wastafel, tv en radio. De buitenwereld vergaapt zich aan uiterlijkheden, schrijft prof. mr. C. Kelk in Vrijheidsstraf (1986), niet beseffend dat die aan “de situatie van fundamentele onvrijheid slechts een navrante gulden glans geven, die niet méér is dan een valse en bedrieglijke suggestie van het tegendeel”.

Sinds de invoering van een eerdere Beginselenwet, in 1886, zat er kennelijk geen beter onderbouwde ontwikkeling van het gevangeniswezen in dan die we hebben gekend. Na een halve eeuw debatteren omhelsden strafdeskundigen in ons land in dat jaar, ruím na de buurlanden, definitief het cellulaire stelsel: geef de gevangene over aan de wroeging van zijn geweten.

Vervolg op pagina 16

De verbleekte... Recht op een gezonde zelfverdediging VERVOLG VAN PAGINA 15

Stel je dat isolement voor: het verdroeg zelfs geen krant, zodat midden in de Eerste Wereldoorlog mensen werden vrijgelaten die van geen oorlog wisten. Men leze verder in De macht van het lijden van criminoloog Herman Franke hoe aan deze treurige dwaling van eenzame opsluiting met hangen en wurgen een einde kwam. Jarenlang ging melancholie in het gevang nog door voor luiheid, paranoia voor simulatie, en bleek het aantal zelfmoorden opvallend moeilijk te registreren. De ellende moet toch te horen zijn geweest, schreven gevangenisdeskundigen Boeke en Van Mierop, wanneer 's nachts het gehuil opklonk “als een brein bezweek onder het gewicht van de zwarte leegte”.

Het inzicht dat aan ziekelijk crimineel gedrag ook factoren buiten de dader debet konden zijn, won maar schoorvoetend terrein. Toch, al vorderde het onderzoek naar de 'microben der criminologie' langzaam, de vraag of je ter vergelding van een niet geheel toerekenbare daad zomaar kon straffen hield steeds meer criminologen bezig.

Uiteindelijk is het met dank aan enkele verontwaardigde 'schreeuwlelijken' dat het gevoel voor het onerbarmelijke lijden in eenzaamheid echt doordrong. Geëerd zij de crimineel-antropoloog Enrico Ferri: “Vanwaar moeten in deze leege hersens betere gedachten komen, wanneer men door vier enge muren alles, wat menschelijkheid en sociaal gevoel kan zwaaien in dien gemoedsarme individu, van hem wegsluit?” Criminoloog van het eerste uur Willem Bonger attendeerde er al op dat de misdadiger niet zijn eigen maar níeuwe gedachten nodig heeft.

Maar dat besef liet toch nog lang op zich wachten en het duurde tot eind jaren twintig voordat de gevangenen op de eerste educatieve voordrachten werden vergast, en zelfs tot 1934 voordat ze konden aanschuiven in de eerste zaaltjes voor gemeenschappelijke activiteiten. Tegen die tijd brak het inzicht door dat niet zozeer het (religieus) innerlijk maar het sociaal functioneren van gevangenen verbetering behoeft. Straffen wordt vanaf dat moment ópvoeden, niet alleen het leren van een vak maar ook training in zelftucht, oefening in zelfdwang. De psychiaters zetten hoog in, begrijp je van Franke: nieuwe denk- en gevoelswerelden worden voor de gevangenen ontsloten, ze worden opgeheven “uit den toestand van machtelooze laagheid tot dien van hoogere kracht”, tot het peil “van de intellectueel, moreel en ethisch normaal denkenden en voelenden mensch”.

Toe maar, zou de nuchterheid nu klinken. Alle werkdoelen die sinds de opvoedingsgedachte tot op de dag van vandaag voor het gevangeniswezen zijn geformuleerd, bleken voorzien van een pijnlijk korte houdbaarheidsdatum. Ook in gevangenissen verwezenlijk je zonder gereedschap geen idealen, en de instrumenten ervoor - geld, mankracht, ruimte, scholing - ontbraken immer.

Noodgedwongen ga je je dan maar behelpen met leugens. Zo zagen bestuurders van gevangenissen zelfs opvoedkundig succes in gedetineerden die een mus of koolmees in hun cel koesterden of een eenvoudig portretje aan de muur hingen, nietigheden ter opvulling van de klemmende leegte.

Noodgedwongen ja, lees ex-gedetineerde Willem van Iependaal:

“Jarenlang opgesloten met geen ander gezelschap dan de kiebelton, het losse brilletje, de opklapbare tafel, de driepootkruk aan rammelende ketting, de drinkkruik en houten eetgerei. Op kophoogte een getralied, blindgeschuurd venster. Tegenover het met staar behepte venster de pantserdeur met het loergat, de vernederende uitvinding van een gluips genie! Driemaal daags het verstrekken van voer door de schaftklep, de ijzeren lip, neerklappend als de kaak van een gesarde, uitgevaste krokodil. Elke week hetzelfde menu, jaar in jaar uit, zo monotoon als het ketsen der kralen van een prevelsnoer, zo vitaminearm als een zandstorm in de Sahara, en niet zo deftig voorgeschoteld als de vonnissen, geserveerd in bef en toga.”

Zou een gevangenisstraf dan zoveel zinvoller en humaner kunnen? De Beginselenwet van 1953 beloofde het, maar in de geschiedschrijving over de gevangenis sinds die tijd gebeurt iets merkwaardigs: historici en criminologen lijken haast te krijgen en niet al te veel woorden te willen vuil maken aan de nieuwe maar schijnbaar kansloze belofte van de gevangenisstraf, de 'resocialisatie' van de delinquent. Na de illusionaire verbetering van de ziel in eenzame afzondering, en de falende opvoeding werd nu een geslaagd herintreden na het uitzitten van de straf het ideaal: de gedetineerde moest in sociaal opzicht weer in het pak gestoken bij de samenleving kunnen aankloppen.

Het is alsof strafdeskundigen het schaamrood op de kaken krijgen om zoveel naïviteit. Zelfs aan de meest elementaire voorwaarden ter voorbereiding van een succesvolle terugkeer werd niet voldaan. Zo kwam van een verfijnde selectie van veroordeelden niets terecht, schrijft P. C. Vegter in Vormen van detentie. Kruimeldieven bij kruimeldieven dus, en zware criminelen bij zware criminelen, want anders loert voortdurend het gevaar van 'criminele infectie'.

In de Tweede Kamer wisten ze vlak voor de aanname van de Beginselenwet wel wat allemaal níet mocht misgaan in de gevangenis: geen verbittering, geen lichamelijke verzwakking, geen afstomping, geen verlies van gevoel van eigenwaarde, en het “verantwoordelijkheidsbesef mag niet zijn ingeslapen door kadaverdiscipline”. Prachtbedoelingen, maar nog voor het eind van de jaren zestig schetste het hoofd van de directie gevangeniswezen Allewijn de ontwikkeling als 'in een soort fase van de verloren illusie'.

Een illusie, getuige artikel 12 Sr: “Iedere gevangene wordt zoveel mogelijk geplaatst in een gesticht, welks regiem het meest met zijn persoonlijkheid strookt waarbij zowel op de duur van de straf als op de reclasseringsmogelijkheden voor de gevangene wordt gelet.” Daar konden criminologen later, in kritische beschouwingen in de jaren tachtig kort over zijn: gevangenissen die stroken met de persoonlijkheid van veroordeelden, daar eis je in wezen iets absurds mee. Of zoals Kelk het ooit kernachtig uitdrukte: in een situatie van onvrijheid mensen voorbereiden op de vrijheid is volstrekt paradoxaal.

De behandelfilosofie hield het dus niet lang, constateert Vegter: “Het verbeteringsideaal gedijt niet in de spanning tussen de gevangenis als instituut waar ordehandhaving voorop staat en als instituut waar óók hulpverlening in het kader van resocialisatie wordt nagestreefd.” Van de bewaarder “wordt bewaking én bejegening verwacht”, en welk genie verstaat die kunst?

Geen wonder dat de strafdeskundigen vanaf de jaren zeventig lager inzetten en het voortaan op het 'bescheiden' streven hielden dat de straf niet te veel schade mocht aanrichten. Maar gezien het recidive-percentage van nog altijd rond de zestig worden in de gevangenis steeds weer brokken gemaakt. Dicht de poorten? Niet zonder meer, zou de criminoloog prof. dr. R. W. Jongman reageren, want de samenleving heeft natuurlijk wel enig recht op 'een gezonde zelfverdediging'. Maar dat gedetineerden doorgaans niet beter uit het gevang komen dan dat zij erin gingen is voor hem een voor de hand liggende zaak.

Vanuit opvoedkundig perspectief lijkt in elk gavel weinig rechtvaardiging te bestaan voor wat de filosoof Foucault 'de opbergwoede' noemde. We hebben, schrijft de Belgische criminoloog Lode van Outrive, met de gevangenis een slechte leersituatie en een ongunstig identificatie-oord gecreëerd, voor sukkelaars en marginalen. Laten we de gevangenis niet langer “versieren met allerhande behandelingsvoorzieningen”. En zwets ook niet over zelfbestuur, de gevangenis is gewoon de gevangenis, 'school der misdaad'.

En daar wreekt zich volgens de Amerikaan Donald Clemmer vooral ook het leven in groepsverband. Je vergroeit onvermijdelijk tot gestichtsmens als je je moet voegen naar de subculturele waarden, de eisen en normen van het leven binnen de muren en daardoor het vrije leven 'verleert'. Prisonization noemde Clemmer het, een vorm van hospitalisering die een oude man in de film The Shawshank redemption ('De Shawshank bevrijding') zo sterk van de buitenwereld heeft vervreemd, dat hij na decennia in de gevangenis zichzelf in de vrije wereld uit machteloosheid verhangt.

Een optimistisch oordeel kun je moeilijk vellen over het instituut gevangenis, ook wel eens de duiventil genoemd naar het grote aantal uitvliegers dat weer op het nest terugkeert. Moeten we de toekomst van het straffen dan buiten de muren zoeken? In elk geval zijn de hoogdravende idealen vervlogen en heten in de nota Werkzame detentie (1994) vergelding en beveiliging van de samenleving weer de belangrijkste doelstellingen van de gevangenisstraf.

Dat is wel zo eerlijk, want de wijze waarop de gevangenisstraf af en toe wordt gerechtvaardigd roept bij Kelk het beeld op van een “grabbelton waaruit iedere betrokkene naar believen en naar opportuniteit een hem welgevallig strafdoel grijpt”. In elk geval blijkt wat de effectiviteit van het straffen betreft forse nuchterheid op zijn plaats. De rechtsgeleerde Willem Pompe zou ons er postuum nog aan willen herinneren dat iedereen wel roept om lange straffen, maar dat we daarmee natuurlijk wel 'desperado's kweken'.

Hou maar op met bouwen, bepleiten criminologen die een minimale toepassing van gevangenisstraf voorstaan, liefst alleen in 'restsituaties', waarin werkelijk geen andere keuze meer bestaat. Maar al bladderden de idealen nog zo ernstig af in de voorbije decennia, de vrijheidsstraf kent toch nog wel verdedigers? Straf louter om de vergelding, zou de filosoof Immanuel Kant betogen. Hem leek het bijvoorbeeld vanzelfsprekend dat een volk dat zichzelf wil ontbinden eerst de laatste moordenaar in de gevangenis ophangt, om te garanderen dat ieder krijgt wat hem toekomt.

Dat is gerechtigheid van de eerste orde, vergelding waar je als tegenstander van de vrijheidsstraf niet zomaar omheen kunt. Wie de maatschappelijke functie van vergelding ontkent moet toch nog even stilstaan bij de reacties op de dood van Meindert Tjoelker. Waar het strafrecht te ver terugtreedt, neemt de rechtsgemeenschap het recht onherroepelijk in eigen hand, schrijft prof. dr. J. J. M. van Dijk in Actuele criminologie: anders gezegd, dan kun je op de lynchpartijen wachten. “Het strafrecht fungeert mede als noodventiel voor de door criminelen opgewekte emoties van woede, angst en morele verontwaardiging.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden