De uitwegen van Bowie

Geen idee hoeveel lezers ik blij maak of verlies door hier over Bowie te schrijven, maar het komt me voor dat zijn cultuurhistorische betekenis de persoonlijke smaak overstijgt; zo althans staat hij nu geëxposeerd in het Groninger Museum.

Musicus, kunstenaar, acteur. Donker omfloerste zalen met geluidsgolven die bezoekers onzichtbaar aansturen. Aan de wanden David Bowie, in zijn vele gedaanten.

Toch wil ik hier eigenlijk niets anders dan over mijn persoonlijke smaak schrijven, want iedereen die van Bowie houdt, heeft zijn eigen Bowie. Dat heeft alles met de tijd van receptie te maken, met geboortejaren en generaties.

Bowie overspande er een paar sinds zijn debuut in 1969, toen het nummer 'Space Oddity' een hit werd.

De wederwaardigheden van Major Tom waren al een eerste commentaar op de tijd, waarin juist de maanlanding was gevierd, een prestatie die niet de opkomende onheilsstemming kon verdrijven die de wereld in haar greep kreeg.

Bowie's Major Tom landde nergens succesvol, maar zweefde willoos rond in de ruimte in zijn 'tin can'. Doorbreken deed Bowie evenwel pas echt drie jaar later, in 1972, met zijn Ziggy Stardust-creatie. Een wezen van een andere planeet, en zelfverklaard superster.

Ik was achttien toen.

En zoals velen, mateloos gefascineerd.

Ik geloof niet dat ik in die opdoemende somberheid deelde die zich van de jaren zeventig meester maakte, na de love and peace en de gefnuikte idealen van het decennium dat daaraan vooraf ging, dat decennium van The Beatles.

Nog te jong om werkelijk met de wereld bezig te zijn, hoewel die zich begon op te dringen in allerlei nare vormen, van stadsterrorisme in Duitsland en Italië, rampen- en horrorfilms - 'Towering Inferno', 'The Exorcist', 'Jaws' - , apocalyptische klimaatvoorspellingen, de Yom Kippoer-oorlog, de oliecrisis, de kernwapenwedloop, vermoorde atleten bij de Olympische Spelen in München, Molukse treinkapingen, aids. nee het was geen vrolijk decennium.

En wat deed Bowie in die tijd, de tijd van de vlucht in het individualisme, die Tom Wolfe de Me Decade, het Ik-tijdperk, noemde?

Hij maakte selfies avant-la-lettre, maar telkens een ander. Wisselde identiteiten. Speelde rollen en deed dat zo radicaal en met zoveel overgave dat die rol echt leek.

Ziggy leefde naar buitenaardse normen, mannelijk en vrouwelijk, homo- en heteroseksueel, mens en alien.

Bowie wisselde ook van muziekstijl.

Niet één album leek op het andere. Dat grote verschil was er al tussen het meesterlijke 'Hunky Dory' (1971) en zijn opvolger 'Ziggy Stardust', en met 'Alladin Sane' (1973) sloeg Bowie weer een nieuwe richting in, net als met het Orwelliaanse 'Diamond Dogs' (1974). Het was zo adembenemend radicaal dat men amper waarnam dat hij telkens een andere zijde van zijn kameleontische persoonlijkheid belichtte.

Dit was mijn Bowie, de Bowie van de jaren zeventig, en later die van zijn Berlijnjaren, toen hij de ijle, witte hertog werd. En steeds stond de wereld zwaar om hem heen, maar wat was ik gelukkig met hem en zijn uitwegen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden