De twijfels van een vervalser

Laat ontdekt debuut van de volstrekt originele Georges Perec

Het leven van Georges Perec was kort, het duurde van 1936 tot 1982. Bovendien begon het tragisch: de schrijver verloor in de Tweede Wereldoorlog beide ouders, Poolse Joden die naar Frankrijk waren geëmigreerd. Dat gegeven, en in ruimere zin het thema van de leegte, vormt vaak de melancholieke achtergrond van een bijzonder oeuvre, dat de meest uiteenlopende speelse, vindingrijke, en soms ronduit baldadige verschijningsvormen aanneemt. Een oeuvre bovendien dat vertalers dwingt om op de toppen van hun kunnen te werken.

Dat geldt het sterkst voor Perec' roman 'La Disparition', uit 1969, waarin de letter 'e' (de enige klinker in woorden als père (vader) en mère (moeder)) geheel ontbreekt. Het boek is enkele jaren geleden door Guido van de Wiel in het Nederlands vertaald onder de titel ''t Manco'. "Dit waagstuk komt voort uit blufpraat, als ook ik - ondanks mijn grootspraak - nog in dubio sta of zo'n opdracht haalbaar is", leest men in het nawoord. Of de vertaler, die zo'n acht jaar over zijn huzarenstuk deed, inmiddels weer in staat is tot een normaal gebruik van woorden waarin een 'e' voorkomt, is mij niet bekend.

Minder geslaagd, want melig en vol herhalingen, vond ik het recent vertaalde boekje 'Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen'. Het leek dat de Perec-koek, dat feestgerecht voor inventieve vertalers, daarmee wel ongeveer op was.

Maar gelukkig voor de kern van hardnekkige liefhebbers verscheen onlangs in Frankrijk alsnog 'De Condottiere', de allereerste roman die Perec voltooide. In 1960 bood hij het manuscript aan bij uitgeverij Seuil, die het boek weigerde, en vervolgens bij Gallimard, waar men er aanvankelijk wel wat in zag, maar na anderhalf jaar van beraad toch besloot de roman niet uit te brengen. In het sterk door Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir gedomineerde klimaat van zorgelijk existentialisme van die dagen wist men zich bij deze toonaangevende Franse uitgeverij niet zo goed raad met een zo overrompelende, onvoorspelbare roman. Vervolgens raakte de tekst in 1966 bij een verhuizing zoek. Hij werd pas in 1982 teruggevonden, en in 2012 gepubliceerd ter gelegenheid van de dertigste sterfdag van de schrijver.

Zoals wel vaker bij Perec heeft het boek als verhaal niet zo veel om het lijf. Het is de geschiedenis van de schilderijenvervalser Gaspard Winckler, die zich op een dag de leegte en nutteloosheid van zijn bestaan realiseert, en zijn opdrachtgever Anatole Madera vermoordt. Via een zelfgegraven gang vlucht hij uit zijn atelier, waar hij maandenlang geprobeerd heeft in de stijl van de Italiaanse Renaissanceschilder Antonello da Messina een geloofwaardig portret te schilderen van een condottiere. Dat doek had de kroon op zijn vervalserscarrière moeten worden. Winckler slaagt er echter niet in om een geloofwaardig resultaat op het doek te krijgen. Hij vindt uiteindelijk zijn toevlucht bij een vriend, bij wie hij een willig oor vindt in lange gesprekken over zijn vervalserscarrière van twaalf jaar, over zijn liefdesaffaires en de redenen voor de moord op zijn opdrachtgever.

Losjes volgt het boek de opzet van een thriller, maar het zijn vooral de beschouwingen in het boek die onweerstaanbaar zijn, en al vintage Perec. Parodie en ironie voeren de boventoon. De geringe spanning wordt ruimschoots goedgemaakt door de ontgoochelde, maar sprankelend geformuleerde bespiegelingen over het vervalsersbestaan die Perec zijn hoofdpersoon ingeeft. Het maken van valse schilderijen trok Winckler aan: het was een manier om te kunnen leven zonder jezelf andere vragen te hoeven stellen dan schildertechnische. Een eigen techniek, een persoonlijke visie hoefde Winckler niet te ontwikkelen.

Maar nu hij op de grenzen van zijn kunnen als vervalser is gestuit, is de bodem onder zijn bestaan weggevallen. Wat Winckler deed, beseft hij achteraf, was 'leven op kosten van de doden'. Zijn eigen karakter heeft hij daardoor niet tot ontwikkeling kunnen brengen. "Ik heb iedereen willen zijn, om uiteindelijk niemand te worden", concludeert hij. Nu heeft hij dan ook een probleem: "Je was alleen maar goed voor het maken van vervalsingen - wat kun je gaan doen nu je vrij bent?" Het antwoord dat Perec' uit het lood geslagen hoofdpersoon in de laatste bladzijden van het boek op die vraag geeft, is vol mooie, tragische ironie.

Georges Perec: De Condottiere. Uit het Frans vertaald door Edu Borger. De Arbeiderspers; 156 blz. euro 15

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden