De tweedeling op de arbeidsmarkt wordt te groot

Een flexwerker bij ijsfabriek Ola in Hellendoorn. (FOTO ANP)

Flexwerkers hebben nauwelijks rechten, vaste werknemers des te meer. De oplossing: meer flexibiliteit voor iedereen, maar dan wel met voldoende zekerheden ingebouwd.

De groei in flexbanen is in een stroomversnelling terecht gekomen. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek werkt een op de vijf werknemers in een flexbaan. Nieuwe cijfers van het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) laten zien dat het percentage nog groter is, 34 procent, wanneer banen van twaalf uur of minder worden meegeteld, alsmede de tijdelijke banen met uitzicht op vast werk.

Een op de drie werknemers werkt nu dus in een flexbaan. Dat is veel. Volgens EU-cijfers is het aandeel flexbanen sinds 2000 sterk gegroeid. Vooral het aantal zzp’ers, freelancers en contractanten in tijdelijke dienst neemt toe.

Als de flexbaan een opstapje is naar een vaste baan ondervindt de betrokkene weinig carrièreschade. Maar steeds meer werknemers zijn gedwongen om lange tijd in opeenvolgende flexbanen te verblijven, vaak banen van lage kwaliteit. Dat is schadelijk. De flexbaan fungeert dan als een soort ’arbeidsmarktval’. Het is moeilijk om dan nog een overstap te maken naar een baan met meer zekerheid en perspectief.

De tweedeling tussen flexwerkers en werknemers in ’vaste’ banen wordt een feit. Kijkend naar Europese gegevens en ons eigen recente onderzoek heeft Nederland reden om zich daar zorgen over te maken. In Europa werkte in 2004-2007, dus tijdens de hoogconjunctuur, gemiddeld een op de zeven werknemers op een tijdelijk contract. Daarvan stroomde een op de drie binnen een jaar door naar een vaste baan.

Het kan ook anders. In landen met minder bescherming van de vaste werknemers, zoals in het Verenigd Koninkrijk, is dat opstapje voor velen er wel. Daar is minder behoefte aan tijdelijke werkers omdat de ’gewone’ arbeidsmarkt al een stuk flexibeler is.

Nederland wijkt daar steeds meer vanaf. Sinds het midden van de jaren negentig is de doorstroming naar vaste banen drastisch gedaald. Aanvankelijk stroomde nog de helft door, en net voor de crisis een kwart. Op het hoogtepunt van de crisis maakte van de tijdelijk werkende mannen nog geen een op de zes de overstap naar een vaste baan. De doorstroming stokt vooral onder jongere mannen in tijdelijke en oproepbanen.

Dat flexwerkers tevreden zijn met hun baan, is maar gedeeltelijk waar. De baanzekerheid, de autonomie en de carrièremogelijkheden zijn minder. Het loon ligt gemiddeld een derde lager dan dat van de vaste werker. Ook daar zijn de meesten niet negatief over. Kennelijk nemen ze veel voor lief. Een tijdelijke baan is beter dan geen baan.

Ook de eigen behoefte aan flexibel werk of het perspectief op verbetering van het loon nadien spelen een rol. Maar flexwerkers ervaren ook – meer dan werknemers in vaste banen – een gebrekkige aansluiting tussen hun kennis en vaardigheden en de eisen in de baan. Ze menen dat hun talenten worden onderbenut. Al met al geen erg rooskleurig beeld.

Er tekent zich –mede door de crisis– een ommekeer af op de arbeidsmarkt. Aan de ene kant staat de groep met een vaste baan en alle voorzieningen, aan de andere kant staan de flexwerkers, met vele werkonzekerheid. De kwetsbare balans tussen flexibiliteit en zekerheid wordt daardoor verstoord.

Wat nodig is, is flexibilisering van de hele arbeidsmarkt. De Nederlandse overheid en de sociale partners hebben daarover veel gesproken, maar ze kwamen niet tot een akkoord. De politiek laat het momenteel ook afweten. Terwijl die flexibiliteit juist nu hard nodig is, om de internationale concurrentiekracht en de economie op peil te houden.

Die flexibiliteit moet gepaard gaan met werkzekerheid en ontwikkelingsmogelijkheden voor álle werkenden, inclusief flexkrachten, zodat ze aan het werk en lang inzetbaar kunnen blijven. Mensen willen zelf ook meer flexibiliteit bij het combineren van werk en privé. Dat draagt tevens bij aan de broodnodige innovatie en productiviteit. Ook werkgevers zijn daarom gebaat bij een hogere kwaliteit van flexwerk.

Er is dringend behoefte aan een nieuwe ’flexicurity’ wet, als vervolg op de Flexwet, die de verschillende flexwerkers meer zekerheid biedt en zorgt voor kansen op scholing en ontplooiing. Als flexwerkers tot die voorzieningen worden toegelaten, wordt ook het draagvlak daarvan verstevigd – denk aan pensioenen.

Nederland was nog niet zo lang geleden met de Flexwet een voorbeeld in Europa voor het omgaan met de spanning tussen flexibiliteit en zekerheid. Dat was de basis van het Nederlandse ’wonder’ in de jaren negentig. Die voorbeeldfunctie dreigen we nu kwijt te raken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden