De tweede hartstocht van Pierre Abélard

Hun verboden liefde is keer op keer bezongen, maar wat de om diens vleselijke hartstocht ontmande geleerde zijn Héloïse onderwees is minder bekend. Samuel de Lange in zijn vierde artikel over grote zondaren en ketters: Pierre Abélard.

Samuel de Lange

'Waar is nu de wijze Héloïse, voor wie Abélard ontmand werd, en in het klooster trad van Saint-Denis? Waar is de sneeuw van vroeger jaren?' Toen François Villon in 1461 de 'Ballade van de dames van eertijds' dichtte, lag de minnares van Pierre Abélard (1079-1142) al tweehonderd jaar in het graf, eindelijk verenigd met de grote geleerde. Hun ongelukkige liefde was door vriend en vijand bezongen.

Nog in 1933 schreef Helen Waddell een historische roman, 'Abélard en Héloïse'. Veertig jaar geleden las ik die met rode oren in de Prisma-uitgave. Maar Waddell had meer te vertellen dan het schandaal van de leraar die zijn even mooie als wijze leerling verleidde, en voor straf door haar oom gecastreerd werd. De Engelse historica leerde ook wát die leraar onderwezen had, en dat zijn kennis Abélard tot even grote eer strekte als zijn avontuur met Héloïse. 'Een geleerde met de scherpzinnigheid van een artiest, en de hoffelijkheid van'een edelman', schreef zij elders ('Vaganten in de middeleeuwen', 1952). Die scherpzinnigheid zat de hoffelijkheid in de weg, en vóór zijn dertigste had Abélard al verscheidene leermeesters, onder wie de grootste denkers van zijn tijd, voor het hoofd gestoten. Gebrek aan tact hield hij zijn hele leven.

Toen Abélard zich aan het einde van de elfde eeuw onder het filosofisch gehoor begaf, was daar de kathedraalschool van Chartres nog aan het woord. De kennismaking, via de islam, met de Griekse filosofen zorgde in het Westen voor een wederopleving van de rede en de wetenschap. Maar dankzij de voorrang die Plato genoot boven Aristoteles, ging lange tijd de belangstelling meer uit naar speculaties dan naar onderzoek. De leraren van Chartres waren erg onder de indruk van Plato's Ideeënleer, die een metafysica achter de taal veronderstelde. Met zijn verwerping van een gebrekkige wereld, en zijn haken naar een zuivere werkelijkheid kon Plato doorgaan voor een proto-christelijke schrijver. Georges Duby vertelt in 'De kathedralenbouwers' (1976) hoe de voorstelling van de neo-platonist Dionysius de Areopagiet over de hemelse sferen voor de gothiek leidraad werd in het denken over God en de schepping, en hoe de kathedralen van die kosmologie, de weerslag vormden.

De paar kritische kanttekeningen van Aristoteles bij Plato's hoogvliegerij die Abélards leermeesters bereikt hadden, waren onvoldoende om dit bouwwerk van de geest te ontbinden. Toch tornde een enkeling al aan het gebinte van de monumentale gedachtewereld. Roscelinus van Compiègne was de eerste geleerde die ideeën van de metafysische stof scheidde. Begrippen als 'de mens', 'het licht' of 'wit' -universalia in de vaktaal- waren geen flauwe weerschijn van een hogere orde waarin 'de mensen eerst recht in het witte licht wandelden', vond hij, het waren gewoon woorden waarmee overeenkomsten tussen zaken werden opgemerkt. Daarmee was de weg geopend voor onderzoek naar de verhoudingen tussen die woorden: de logica.

In Abélards tijd kwam ook Aristoteles' kritiek op Plato geleidelijk beschikbaar. Was de heidense filosofie eerst de wegbereider van het goddelijk plan, nu werd het tot een 'beiteltje om de waarheid te kloven', zoals Bernard van Clairvaux sneerde. Abélard, die bij Roscelinus in de leer was geweest, stak dit beiteltje in zijn ransel, en demonstreerde de kracht van de logica door in den lande de ene woordenstrijd na de andere van zijn zwakke broeders te winnen. De rede kon nu schitteren in een volgens de regelen der kunst gevoerde discussie. Om te wikken en wegen had niemand een wijding of leefregel nodig. De frik was geboren, de scholasticus. Thuis waar hij applaus kreeg, en elders weggekeken. In het klooster van Saint-Denis waar hij na zijn ontmanning onderdak had gevonden, maakte Abélard zich bijvoorbeeld snel impopulair door te bewijzen dat de beschermheilige Saint-Denis (= Dionysius de Areopagiet), die tot zulke fraaie speculaties en bouwwerken had geïnspireerd, niet de metgezel van de apostel Paulus was geweest waar de monniken hem altijd voor hadden versleten.

Hij beproefde zijn beitel op zaken die tot de geloofsgeheimen behoorden, kwesties waar monniken alleen over mijmerden. Hij probeerde een logica te ontdekken in het raadsel van de God die uit drie personen bestond, en kende aan de Vader de macht, de Zoon de wijsheid, en de Geest de liefde toe. De deugden verdeeld op een christelijke Olympus, dat kwam hem op een synodale veroordeling te staan in 1121 en hij moest eigenhandig zijn boek over de Drie-eenheid verbranden. Dat Abélard Christus de wijsheid toespeelde noemt de historicus Duby een duidelijk bewijs van de toegenomen macht van de magisters. Maar de monniken bleven terugslaan.

Langs een omweg nam hij een verdere proef op de som. Niet met natuurverschijnselen, zoals je zou wensen, maar weer met theologische hot issues. Nog geen jaar na de veroordeling daagde hij de dogmatici uit in zijn boek 'Sic et non' (Ja en nee): 'Al twijfelend komen wij immers tot onderzoek, en in het onderzoek worden wij de waarheid gewaar'. Honderden onduidelijke en kwestieuze passages uit de Schrift en de Kerkvaders legde hij naast elkaar, en onderzocht hij op interne consistentie en onderlinge tegenspraak. Zelf hoedde Abélard zich ervoor het juiste antwoord te geven. 'Ja en nee' was de eerste quiz in de geschiedenis.

In 'Middeleeuwse wijsbegeerte' (1981) roemt de geschiedfilosoof L. de Rijk Abélards 'grondhouding van methodische twijfel' in het werk, en noemt het 'baanbrekend voor de scholastieke methode'. Over die methode bestaan zoals bekend ook minder gunstige oordelen, bijvoorbeeld van de wetenschapshistoricus E.J. Dijksterhuis, die in 'De mechanisering van het wereldbeeld' (1950) vindt dat de aanpak leidt tot het 'telkens weer ophalen van onhoudbare en reeds lang weerlegde theorieën'. Hij verwijt de methode dat in die 'dialectische orgiën' (sic!) niet valt uit te maken wat de auteur nu werkelijk denkt. Maar de al genoemde monnik en mysticus Bernard van Clairvaux (1090-1153) wist wel degelijk wat Abélard dacht toen zijn boeken hem onder ogen kwamen: ,,Wij hebben hier in Frankrijk een nieuwe theoloog, voorheen een meester in de vrije kunsten, die in zijn jeugdjaren met de logica stoeide, maar nu onzin over de Heilige Schrift beweert''. In 1140 vestigde een heilig verontwaardigde Bernard de aandacht van paus Innocentius II op 'de dwalingen van Abélard'. In die brief fulmineerde hij om te beginnen tegen opvattingen die Abélard al herroepen had, maar langs de dialectische achterdeur weer binnengesmokkeld: ,,Hij beweert dat er vergelijkingstrappen zijn in de Drievuldigheid, maten in de majesteit en telbaarheden in de eeuwigheid!'' Het redekavelen over 'Drie in Een' posteert de rekenaar tegenover de goochelaar, maar de pijn zit hem in het tweede deel, waar Bernard zich opwindt over Abélards twijfel aan de verlossing door Christus' dood. 'Vond God de Vader dan zoveel behagen in de dood van zijn onschuldige Zoon dat Hij zich daarom met ons verzoende, hoewel Onze Heer door onze zonden onschuldig ter dood is gebracht?', laat hij Abélard zeggen. En vervolgens, 'de reden en drijfveer der menswording was geen andere dan dat Christus door het licht van zijn wijsheid de wereld wilde verlichten, en hem doen ontvlammen in liefde jegens Hem'. Bernard riposteerde: 'God de Vader dorstte niet naar bloed, maar naar ons heil, en dit heil wordt verzekerd door dit bloed. Ons heil, en niet alleen een voorbeeld van liefde zoals de betweter schrijft, stond op het spel.'

Met het zoenoffer van de Zoon hebben meer verlichte geesten moeite gehad. Toch valt Bernards brief nog binnen de termen van een stevig meningsverschil. Lelijk is alleen dat Bernard de scholasticus met zijn brief aanbracht bij de paus, en ook de kerkvergadering die zich in 1140 in Sens over de zaak boog, al van tevoren naar zijn hand probeerde te zetten. In een vrije discussie kon immers niemand het tegen Abélard opnemen.

Abélard was geen Voltaire-avant-la-lettre, waarschuwt De Rijk. Voor de tweede maal hernam de filosoof zijn woorden, en hij zocht ten slotte onderdak bij de benedictijnen van Cluny. Daar stierf hij en vandaar werd zijn lichaam naar het klooster gebracht waar Héloïse op hem wachtte. Die had in een brief aan haar vroegere geliefde geschreven: ,,Ik zou willen huilen over de fouten die ik heb begaan, maar ik snak naar de zonde die ik niet meer bedrijven mag''. Iets dergelijks heeft Abélard misschien gedacht over zijn scherpzinnigheid, die zich met geen macht castreren liet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden