De twee levens van Tomislav Ivic

PORTO - Nog altijd is Tomislav Ivic een boeiend verteller en gedreven trainer, die van schopstoel naar schopstoel danst.

JOHAN WOLDENDORP

Sinds zijn dienstverband bij Ajax (1976 tot '78; in het eerste seizoen werd hij kampioen, daarna tweede achter PSV) versleet de 60-jarige Kroaat liefst elf clubs. Soms viel de loopbaanplanning al na enkele maanden in duigen. Na zijn ontslag bij Benfica, in de afgelopen competitie, zat hij ruim een half jaar thuis in Split, voor hij bij Porto aan de laatste etappe van zijn rondreis door (Zuid-)Europa begon.

De waardering voor Ivic als vakman is ondanks al die struikelingen op het maatschappelijke pad onveranderd groot. Binnen het gilde geldt de fanaticus als een van de grootste kenners van het voetbal. Maar praktisch altijd liep de relatie stuk op een verfoeilijke spelopvatting: verdedigen, verdedigen en nog eens verdedigen. Ter illustratie: gedurende zijn Ajaxtijd antwoordde een kandidaat-oefenmeester op de examenvraag 'wat heeft Ivic toegevoegd aan het Nederlandse voetbal?' naar eer en geweten: “Niets.” Behept met een verontrustend gebrek aan humor keurde de examinator het antwoord af. Recent, na de uitwedstrijd om de Portugese Supercup tegen Benfica (1-0), verontschuldigde Ivic zich zelfs publiekelijk voor de genant defensieve spelopvatting van Porto.

Pionier

Dat negatieve imago zit de kleine trainer voor het overige niet dwars. Wat moet je er ook van zeggen, als je jezelf vernieuwer tegen de stroom in noemt? Een pionier in het voortdurend evoluerende, maar als vanouds sterk op resultaat gerichte profvoetbal? Ivic diende in een kleine twintig jaar niet minder dan elf clubs: Hajduk Split, Ajax, Anderlecht, Galatasaray, Avellino, Panathinaikos, Porto, Paris Saint-Germain, Atletico Madrid, Olympique Marseille en Benfica (tweemaal, de eerste keer ruim een week). “Ik ben”, zegt hij, “zesmaal kampioen geworden, heb zes keer de beker gewonnen en ben zeer vaak runner up geweest. En wat mijn actieve loopbaan betreft: ik speelde voor het nationale straatelftal . . .”

Porto is normaal gesproken opa's laatste kunstje op het internationale podium. Met een - noodgedwongen - drastisch verjongd elftal (de kern van de ploeg is gemiddeld begin twintig) probeert Ivic zich ten koste van Feyenoord voor de Champions League te kwalificeren. De eerste keer bij Porto kwam hij in een gespreid bedje terecht. Zijn voorganger Artur Jorge (nu werkzaam bij Paris SG) had de club in 1987 immers de Europa Cup bezorgd. Ivic won het seizoen erop alles, op de “lelijke beker met de grote oren” (copyright Beenhakker) na. Vijf jaar na dato moet Ivic, de resultaattrainer, vooral bouwen. Jonge spelers inpassen die uit de jeugdopleiding stammen. “Net als Ajax is Porto een fabriek die voetballers produceert,” typeert Ivic zijn huidige werkgever. “Dat ik op mijn leeftijd en na zoveel clubs te hebben gediend, nog de energie heb om Porto terug te brengen naar de top? Voetbal is als drugs. Je raakt er aan verslaafd. Mijn baan is even slopend en ondankbaar als fantastisch en fascinerend. Je creeert iets. Je ziet spelers zich ontwikkelen zoals jij dat wilt.”

Ivic beschouwt vorming ook als zijn voorland, als zijn oude-dagvoorziening. Zodra de situatie in Kroatie het toelaat, wil hij terugkeren om op zijn manier een bijdrage aan de wederopbouw van het verwoeste land te leveren. “Er is veel te doen bij de clubs en in de nationale federatie. Ik wil me als vrijwilliger bekommeren om de jeugdopleiding. Mensen door middel van opleiding tot sporter het gevoel geven dat er ook een menswaardige en rechtvaardige samenleving kan bestaan. Ik wil kinderen de mogelijkheid geven sport en spel te beoefenen. Dat voorkomt ziektes, dat voorkomt dat ze aan de drugs raken. Dat ze in een tunnel vluchten waarin het nooit licht wordt.”

Gedachten aan thuis

Het klinkt pathetisch, maar Ivic verheelt niet dat het hem de afgelopen drie jaar moeilijk viel zijn passie voor het voetbal los te koppelen van de gedachten aan thuis. Zijn dochters wonen met hun familie in Split; weliswaar geen brandhaard, maar toch . . . “In een oorlog kan morgen alles anders zijn. Deze jaren zijn de vervelendste in mijn loopbaan. Bij Olympique Marseille (waar hij door Bernard Tapie werd heengezonden, zogenaamd om tot rust te komen - red.) werkte ik onder grote stress, bij Atletico Madrid was het al niet anders. De clubs zeggen me heel goed te begrijpen, maar hebben er in de praktijk geen boodschap aan. In mijn dagelijks bestaan ga ik volledig op in mijn werk bij de club, maar probeer ik ook voortdurend op de hoogte te blijven van de toestand in Kroatie. Ik leef twee levens.”

Na zijn ontslag bij Benfica, in de loop van vorig seizoen, woonde Ivic zeven maanden in Split. “De mensen vroegen me te helpen. Ik ben niet onbemiddeld. Ik heb een hoop geld aan het ziekenhuis gegeven, ik heb ook apparatuur gekocht opdat zieken en gewonden geholpen konden worden. Ik heb onderdelen voor militaire voertuigen aangeschaft. Ik zeg dit niet om me op de borst te kloppen, maar voel het als plicht tegenover mijn vaderland.” Met veel scepsis bladert Ivic de in zijn ogen onzinnige vredesplannen door. In zijn optiek zijn het maar schijnmanoeuvres, om de niet-begrijpende wereld te doen geloven dat het menens is een eind te maken aan de waanzin van een bloedige burgeroorlog. “Het is,” zegt de trainer, “in zijn aard een politieke oorlog. Maar ze hebben er een burgeroorlog van gemaakt.” In Jalta, in 1945, is het eigenlijk al voorbestemd, luidt de theorie van Ivic. “Toen creeerden Churchill en Roosevelt een kunstmatige staat, Groot-Joegoslavie. Allerlei culturen die weinig met elkaar te maken hadden, moesten plotseling met elkaar samenleven. Door de historie heen hebben de grote mogendheden altijd bepaald wat goed of slecht is voor een volk.” Zonder het land met name te noemen, schildert Ivic de VS als de grote agressor. En, verzucht hij, “als in alle oorlogen is de wapenindustrie de grote economische belanghebbende.”

Ivic voert het verzet vanuit den vreemde. Hij schaart zich aan de zijde van toptennisser Goran Ivanisevic, die Kroatie met aansprekende sportprestaties onder de aandacht van de 'wereldbevolking' hoopt te brengen. “Net als Ivanisevic voel ik me een ambassadeur. Je moet dat niet onderschatten. Veel mensen weten niet wat Kroatie is, en waar het ligt. Je hebt veel mooie landen in de wereld. In een groot aantal landen is voldoende geld om ook nog eens mooie dingen te bouwen. Kroatie is van nature een van de mooiste landen ter wereld. We wachten met smart op het moment van vrede en hopen dat buitenlandse investeerders meewerken aan de wederopbouw. Die filosofie draag ik uit. Al praat ik in mijn hart liever over voetbal. Maar jullie Nederlanders vragen er altijd naar.”

Ivic bloeit dan ook zichtbaar op wanneer hij zich weer kan overgeven aan de verslaving van zijn favoriete sport. Hij noemt de sterke spelers van Feyenoord op: De Goey, De Wolf, Van Gobbel, Taument, Scholten, Blinker, Witschge, kortom, ongeveer het hele elftal. Hij schetst de situatie bij Porto waar door blessures de routiniers zijn weggevallen - “terwijl ik er steeds meer van overtuigd raak dat spelers van 35, 36, 37 met hun ervaring en technische en tactische kwaliteiten in topelftallen de 'toekomst' hebben” - en mijmert als in trance nog wat na over zijn tijd bij Ajax. De kleine Kroaat was in 1976 overigens derde keus in de Meer, nadat de Britten Saxton en Howe voor de eer hadden bedankt. De jongeren van toen, Tahamata, Lerby, Arnesen, Schoenaker en Ling, hebben onveranderd een plaatsje in zijn hart gestolen. Dat de eerste nog steeds op hoog niveau voetbalt - in de Belgische eredivisie, bij Germinal Ekeren - verbaast hem in het geheel niet. “Want Simon zal net als toen niet veel zwaarder zijn dan 25 kilo”, grijnst Ivic. “Nou, dan is hij onverslijtbaar.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden