De twee bruidegommen Harry en Jean-Marie lieten hun relatie 50 jaar geleden al zegenen, in een kerk

De twee bruidegommen anno 1967 Harry Rietra (links) en Jean-Marie Knockaert (rechts). Beeld ANP

Wereldprimeur: in 2001 erkent Nederland het homo­huwelijk. Maar de kerken waren nog veel eerder. Precies vijftig jaar geleden lieten twee ‘homofielen’ in een rk kerk al hun relatie zegenen. Over het mysterie van Harry en Jean-Marie.

Voor homofielen, zoals ze toen heetten, wilde het in 1967 nog niet zomeren. Seks tussen geslachtsgenoten was al anderhalve eeuw niet meer strafbaar in Nederland, maar de leeftijdsgrens was fors hoger dan voor heteroseks. Minstens vijfduizend mannen en vijftig vrouwen werden vervolgd op grond van dit wetsartikel, dat in 1911 was bekokstoofd door confessionele partijen. Pas in 1971 zou het worden geschrapt – twee jaar na ’s lands eerste homodemonstratie.

Geen zomer dus, maar wel een beetje lente. Amsterdam had sinds de jaren vijftig de levendigste gay scene van Europa, en het COC – vlak na de oorlog opgericht – trad allengs zelfverzekerder naar buiten. In december 1964 was voorzitter Benno Premsela zelfs op tv verschenen. Ook kerken hadden oog gekregen voor ‘de homofiele naaste’. In 1961 waren twee boekjes verschenen – het ene katholiek, het andere protestants – die pleitten voor (zelf)acceptatie. Dat geluid was ook via de ether verspreid, door de katholieke psychiater C.J.B.J. Trimbos en de hervormde ds. Alje Klamer, radiopastor van de Ikon: “Ook al hebben uw ei­gen ouders, uw kerk, uw vrienden u afge­we­zen, ook al zwijgen ze u dood, God aanvaardt u zoals u bent. Laat u niet wijsmaken, dat de Bijbel tegen u is. Dank God voor de liefde, die u als homoseksueel kunt beleven en mag beleven.”

Mensen in nood

Deze radiopreek had een lawine van brieven en telefoontjes ontketend van mensen in nood. Samen met een katholieke en gereformeerde collega had Klamer daarom plaatselijke gesprekskringen en een landelijke pastorale werkgroep gesticht. Al in de allereerste bijeenkomst van die werkgroep, in 1965, had een predikant voorgesteld om homorelaties in te zegenen. Dat ging te ver, vonden anderen – en toch lijkt het toen al wel eens te zijn gebeurd. Dat suggereert althans een interview uit 1963 met Gerard Kornelis van het Reve – net uit de kast en in de schoot der kerk. Katholiek Nederland veranderde zo snel, zei hij, dat het denkbaar was ‘dat een priester de ringen van een vriendenpaar zegent. Wat dan ook gebeurd is.’ Punt. Einde interview. Wist Reve meer dan wij? Vier jaar later, tijdens the Summer of Love, leek hij gelijk te krijgen. Op 1 juni 1967 berichtte het katholieke dagblad De Tijd dat priesters in de regio Rotterdam een studiemiddag hadden belegd over het pastoraat voor homofielen. 

Een van de sprekers – gevangenisaalmoezenier Egbert Schraven – zou daarbij hebben gepleit voor ‘bevestiging van een homofiele vriendschap met een kerkelijke plechtigheid’. In een commentaar, op de voorpagina, verwierp de redactie dit plan: “Vreemde gedachte, onzinnig voorstel. Laat de kerk er nu eerst voor zorgen dat de onchristelijke vooroordelen welke tegenover de afwijking, die homofilie heet, worden weg­genomen. Maar laat zij geen wijwater laten kruipen waar het niet gaan kan. Wij vinden dat poppekasterij, die de homofielen uiteindelijk de dupe zal laten worden van een overtrokken progressiviteit…”

Schraven reageerde woedend: hij had “niet één woord van al die onzin die u veronderstelt gezegd. Is dat duidelijk?” Hij vond juist dat homovriendschappen niet moesten worden ingezegend. “Is ook dit duidelijk?”

Ja hoor, antwoordde de redactie, alles was nu duidelijk. Maar de uitspraak die Schraven verre van zich wierp stond wél letterlijk zo in het verslag van de studiedag, uitgegeven door de organisatoren. Tegen hen had Schraven tekeer moeten gaan – niet tegen De Tijd.

Een paar dagen later erkenden de organisatoren dat hun verslag onjuist was. Ze waren ervan uitgegaan “…dat een groep van 13 intellectuelen een foutloos communiqué kon opstellen. Wij zullen het nooit meer doen.”

'Vreemde plechtigheid'

Dit gekibbel tussen geestelijken en journalisten kreeg binnen een maand een staart van internationaal formaat. In een Rotterdamse kapel, zo berichtte De Tijd op 1 juli, was een ‘vreemde plechtigheid’ voorgevallen – een die verdacht veel weg had van ‘bevestiging van een homofiele vriendschap met een kerkelijke plechtigheid’. Dus toch!

Wat er gebeurd was? Op maandag 26 juni hadden twee jongemannen een mis laten opdragen, waarbij ze – na het moment suprême – ringen hadden uitgewisseld. De priester had dat niet opgemerkt, een wakkere misdienaar had het verteld aan zijn vader die subiet het bisdom had gebeld. Een woordvoerder ontkende dat er iets was voorgevallen, maar de geruchten zwollen aan. Verontruste parochianen weigerden zelfs om uit handen van de kapelaan de communie te ontvangen.

Ja, er was wel iets gebeurd, erkende het bisdom toen, maar achter de rug van de geestelijken om, en het had ‘uiteraard geen enkele sa­crale waarde’. De mannen zouden het uitwisselen van ringen hebben geënsceneerd om de foto’s daarvan voor tienduizend gulden te verkopen aan het Duitse boulevardblad Bildzeitung. “De kapelaan is er gewoon ingetuind.” Ook COC-voorzitter Premsela noemde het een ‘reclame-stunt’; ringen uitwisselen was ‘zeer ongebruikelijk’ onder homo’s. Het was beter, zo verklaarde hij later dat jaar, “eigen vormen te vinden voor onze relaties dan de vorm van een officiële verbintenis over te nemen die voor onze situatie niet geschikt is”.

Vriendschap

“Het COC is alleen maar jaloers”, riposteerden de geliefden in een interview met het Nieuwsblad van het Noorden, dat hen aanduidde als de Brabander H.R. (26) en de Belg J.M. (24). Ze ontkenden dat het hun te doen was geweest om publiciteit of geld: “Wij hadden behoefte onze vriendschap voor God te bezegelen.” Ze hadden van meet af aan duidelijk gemaakt waarvoor deze mis bedoeld was: de verjaardag van een van beide moeders, het openen van een zaak én het bevestigen van hun vriendschap.

De tekst gaat verder onder de afbeelding.

De twee bruidegommen met hun getuigen Leon de Klerk en Peter Maas (rechts). “Wij hadden behoefte onze vriendschap voor God te bezegelen.” Beeld ANP

Dat die zaak een homobar was, hadden ze wellicht voor zich gehouden, maar niet wat de aard van hun vriendschap was. Vandaar dat de pastoor de mis had laten opdragen door de kapelaan (die ‘iets moderner van opvatting is’) en had verplaatst van de parochiekerk naar een discrete locatie: de kapel van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis. Zelfs het bisdom zou van tevoren op de hoogte zijn geweest. Dat het nu beweerde ‘op bijna heiligschennende wijze’ te zijn misleid was een affront, vonden de mannen; ze overwogen een rechtszaak.

Toch eindigde het interview goedgemutst, met een toost van de moeders: “Op de kinderen, zullen we maar zeggen.”

Exhibitionistisch

Het relaas van de heren werd wat minder geloofwaardig toen, een paar dagen later, een reportage van hun ‘huwelijk’ verscheen in de Britse tabloid News of the World. Kennelijk hadden ze de foto’s dus toch verkocht – naar later bleek ook aan andere buitenlandse bladen.

Een lezer van De Tijd zei dat Nederland internationaal berucht dreigde te worden wegens 'toegefelijkheid in naar het exhibitionistische neigende homofiele praktijken'. Maar ook, schreef hij, riep deze zaak vragen op over 'onze goedwillende, wellicht wat goedgelovige geestelijken' die zo begaan waren met homo’s. "Hebben zij zelf niet het klimaat geschapen waarin minder gewetensvolle elementen hun kansen grijpen?" De redactie van De Nieuwe Limburger sprak zelfs van ‘wereldvreemde’ priesters en 'geestelijk provodom'.

Volgens het Nieuwsblad van het Noorden daarentegen ‘ontkomt men er niet aan, dat eens de gelovige homofiel zijn vriendschap ook kerkelijk aanvaard wil zien, haar wil opdragen aan de God in wie hij gelooft en wiens zegen ook hij als mens nodig heeft’. Het onderscheid dat een deskundige pater had gemaakt tussen ‘pastorale’ en ‘sacramentele begeleiding’ was dus onhoudbaar.

Onderscheiding

De ophef over ‘het homofielenhuwelijk’ betijde na een paar weken. In maart 1969 haalden de geliefden nog een keer de krant – dit keer met een foto en hun volledige namen: Harry Rietra en Jean-Marie Knockaert. Ze bleken inmiddels overgegaan tot de oosters-orthodoxe kerk; onder meer omdat deze vanouds een ritueel kent voor het zegenen van vriendschapsrelaties. Als dank voor het sponsoren van een parochie werden ze nu benoemd tot ‘Commandeurs in de Keizerlijke Orde van de Erekroon van Constantinopel’. Deze onderscheiding werd hun in Harry’s Welkom Bar uitgereikt door monseigneur Serapion, ‘metropoliet van de oosters-orthodoxe Kerk der Syro-Chaldeeuwse successie, titulair bisschop van Chrysopolis’ – tevens bekend als de bevindelijk-gereformeerde predikant Jan Willem Stikkers. Of deze blikken bisschop de relatie van het tweetal ook liturgisch luister heeft bijgezet, valt te betwijfelen: in 1971 zou hij verklaren ‘dat door mij NOOIT z.g. homo-huwelijken zijn ingezegend’.

In mei 1969 – twee maanden na het hoge bezoek – ging de Welkom Bar in vlammen op, met medeneming van twee woningen plus inboedel, wat vogels en een kat. Rietra en Knockaert overleefden het, maar hoe het hun verder verging? Hun relatie was niet voor eeuwig, zoveel is zeker, en de herinnering aan hun vermetele actie werd overschaduwd door Gerard van het Reve en Willem Bruno van Albada, oftewel Teigetje, die op 23 oktober 1969 hand in hand de Allerheiligst Hart-kerk uitschreden. Een uniek beeld, juichte tv-recensent Nico Scheepmaker, ‘nog nooit vertoond, waar ook ter wereld’. Als Harry en Jean-Marie dit gelezen hebben, zullen ze misschien even hebben geslikt. Waren zij het niet die geschiedenis hadden geschreven?

Nepnieuws

Kort daarna werd de show nogmaals gestolen, door Harry Thomas, oprichter van de Nederlandse Homofielen Partij. Hij kondigde aan dat op 28 juni 1970 – in aanwezigheid van veertien priesters, vier predikanten en een keur van buitenlandse media – zijn relatie kerkelijk zou worden ingezegend. Nepnieuws, bleek later, maar zelfs het Vaticaan trapte erin: de Osservatore Romano publiceerde een ernstige veroordeling.

De pastorale werkgroep van Klamer c.s. gaf evenmin groen licht, maar wel voor vieringen in besloten kring. In de jaren zeventig en tachtig zouden die inderdaad meer dan eens plaatsvinden. De Remonstrantse Broederschap stond ze in 1985 officieel toe, en enkele kerkgenootschappen volgden. Het COC daarentegen zag nog altijd geen heil in wat voor huwelijk dan ook; pas in het midden van de jaren negentig ging het om.

De openstelling van het burgerlijk huwelijk voor ongemengde paren, in 2000-2001, geldt nu als een triomf van verlichte, vaderlandse waarden als gelijkheid, tolerantie en scheiding van kerk en staat. Je zou haast geloven dat Nederland nooit anders heeft gewild. Maar het was geen logische route die naar ‘het homohuwelijk’ voerde – eerder een wirwar van onverharde kronkelpaden. Een daarvan was het sluipweggetje dat Knockaert en Rietra, die dekselse jongens, ontdekten in hun Summer of Love. 

Dit essay is gebaseerd op het artikel ‘Equal Rites Before the Law’ dat later dit jaar verschijnt in Theology & Sexuality.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden