DE TUINMAN LEEFT

Twee weken geleden deed Herman Franke verslag van zijn zoektocht naar de bron-nen van het gedicht 'De Tuin-man en de Dood' van P. N. van Eyck. En hij concludeerde dat er plagiaat in het spel was. Er kwam een stroom van reacties, met zeer uiteen-lopende meningen en gevoelens, maar ook met nieuwe sporen. Vandaag antwoordt Franke op de reacties: “Vanaf nu begint Van Eyck een scheve schaats te rijden die hem volgens enkele Trouw-lezers juist recht door zee voerde.” Volgende week beschrijft de oriëntalist J. T. P. de Bruijn de Perzisch-Arabische en uiteindelijk Joodse bronnen van het verhaal van 'De Tuinman en de Dood'.

Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel. Desnoods in Ispahaan. Maar wat is waarheid en leugen als dezelfde gegevens tot geheel verschillende oordelen over Van Eycks gedrag leiden? Het is nu zeker dat Van Eyck het fraaie gegeven voor zijn gedicht overnam uit een roman van Cocteau. Maar pleegde hij plagiaat? Daarover verschillen de meningen en de gevoelens zeer sterk. “Er is werk aan de winkel voor de erven Van Eyck”, oordeelt Lex Dura nuchter in Vrij Nederland. Maar dominee Th. Korteweg noemt mijn 'aantijging van plagiaat' in Trouw 'een valse incriminatie' en een 'giftige zeepbel'. Andere reacties bevinden zich tussen deze twee uitersten.

Naast hevige emoties leidde het artikel over Van Eyck tot nieuwe, boeiende gegevens. De vele brieven en telefoontjes gaven mij de indruk dat half Nederland aan het speuren was naar bewijzen en tegenbewijzen. Ik weet nu hoe het voelt tegenover een echte overmacht te staan. Als de tuinman probeerde ik hen met de dood op de hielen in archieven en bibliotheken vergeefs voor te blijven. Maar samen weten we nu toch heel veel. Het fraaie verhaal over de onontkoombare dood blijkt al eeuwenlang in allerlei versies en in vele talen over de wereld te gaan. Het is bij kampvuren verteld onder de sterrenhemels van oost en west. Niet alleen Borges, Atxaga en Cocteau, maar ook Somerset Maugham en John O'Hara verwerkten het gegeven in hun werk. In een postmoderne Italiaanse lied-versie staat de dood volgens een Trouw-lezer voor de technische 'vooruitgang' waaraan niet te ontkomen valt, wat de mens ook doet. En al in de Koran staan de volgende versregels:

Und keine Seele weiss, was sie morgen ausüben, und keine Seele weiss, in welchem Lande sie sterben wird. Aber Gott weiss und kennt wohl

Baidhawi, een Koran-commentator, verklaarde deze versregels met de legende die Trouw-lezer Oscar Bremer tegenkwam in een boek over Mohammed van Emile Dermenghem. Het gaat over Azrael, de Engel des Doods, die, in het huis van Salomon, een man aan het schrikken maakt met zijn woedende blik. De machtige Salomon laat de doodsbange man door de wind naar een uithoek van Indië blazen. Op een vraag van Salomon naar zijn woede antwoordt de Engel dat hij helemaal niet kwaad was maar verbaasd omdat hij de man in Indië moest halen terwijl hij hem bij Salomon in Kanaan aantrof.

In het boek van Dermengem wordt als bron van deze legende Maulana Djalal al Din Roemi genoemd. Roemi was een Perzisch mysticus die leefde van 1207 tot 1273. Zijn dichterlijke wijsheden (Mathnawi) zijn zo bekend dat zijn werk wel 'de Perzische koran' wordt genoemd. Vaak gebruikte hij oude soefische thema's. Dat hij de legende schiep is niet juist. Roemi deed wat Van Eyck ongeveer zeven eeuwen later ook zou doen: hij zette het verhaal om in een gedicht. Dat las ik in een van de eerste westerse vertalingen (1e druk, Constantinopel, 1849; 2e druk, München, 1913) van de Roemi-gedichten door de Duitser Georg Rosen. Later zijn er betere Engelse vertalingen van R. A. Nicholson verschenen. Interessant is dat Rosen een oordeel geeft over de oorspronkelijkheid van Roemi's gedicht. Hij vindt dat Roemi zich 'nur eine unbedeutende Veründerung erlaubt hat' in vergelijking met de verhaal-versie van de legende. In moderne anachronistische termen pleegde Roemi plagiaat, met dit grote verschil dat hij zijn gedicht niet als een eigen, oorspronkelijke creatie presenteerde, wat Van Eyck wel deed. Van Eyck gaf, zo schreef hij, geen “weergave in versvorm van Cocteau's proza, maar een in zich zelf volledig gedicht, een, wat haar waarde dan verder zijn moge, creatie”.

Je vraagt je af wat Van Eyck van de eerste regels van Roemi's gedicht gevonden zou hebben. Ze lijken qua inhoud veel op zijn eigen eerste regels. Eerlijk gezegd vind ik Roemi's opening mooier. Dat een tuinman met de dood voor ogen “Heer, Heer, één ogenblik!” roept, heb ik altijd een gezocht rijm-zinnetje gevonden, hoe mooi het ook klinkt. Ook vind ik de wind als vervoermiddel poëtischer dan het paard in Van Eycks gedicht. Maar Van Eyck wint het weer qua vaart en ritme en zijn slotregels zijn krachtiger. Bij Van Eyck ontbreekt gelukkig ook het opdringerige moralisme uit Roemi's versie. Maar belangrijker dan de vraag wie het mooiste gedicht schreef, is dat er vóór Van Eyck al een bekend gedicht over het gegeven bestond. Verdedigers van Van Eyck zullen hieruit concluderen dat hij dus gewoon gebruik maakte van een bekende legende. Voor hen is het vervelend dat Van Eyck zélf dit nu juist ontkende.

Het eeuwenoude Roemi-gedicht inspireerde via duistere omwegen Jean Cocteau tot een roman die in 1923 verscheen. Marsman las de Tuinman-versie in Cocteau en vertaalde

haar in 1924 in De Vrije Bladen. Van Eyck maakte daar een gedicht van, dat als oorspronkelijk 'scheppend werk' gepubliceerd werd in de letterkundige almanak Erts van 1926. Nijhoff, bepaald geen vriend van Van Eyck, noemde het in de NRC bij zijn bespreking van Erts een 'voortreffelijke strofische weergave van de bekende Perzische legende'. Vervolgens vroeg Marsman in een brief aan Van Eyck (24 januari 1926) wie nu de echte Van Eyck was: de dichter van 'Sterren en bloesems' (uit: Inkeer) of die van 'De Tuinman en de Dood'. Die vraag was niet zo onschuldig als zij lijkt, want Van Eyck had Marsman net geschreven dat hij in diens recente werk een sterke 'echo' van Roland Holst had gehoord. Op de overdruk van Marsmans gedicht 'De Ondergang', schreef Van Eyck met potlood zelfs enkele versregels van Roland Holst die Marsman al te sterk geïnspireerd zouden hebben. Marsman ontkende 'de echo' en prikte met zijn vraag dus subtiel terug.

Vanaf nu begint Van Eyck een scheve schaats te rijden die hem volgens enkele Trouw-lezers juist recht door zee voerde. Van Eyck legt aan Marsman uit (28 januari, 1926) dat De Tuinman weliswaar 'hemelsbreed' verschilt van zijn Inkeer-vers maar dat De Tuinman nog alleen staat en wellicht 'lid eener familie' zal worden. Zijn bundel Voorbereiding (verschenen in 1926) zou bovendien naar vorm en inhoud 'de objectiviteit' van De Tuinman mogelijk gemaakt hebben. Van Eyck spreekt over een toekomstige 'Tuinmangroep' van gedichten waarin een nieuwe 'schakeering' van zijn 'persoonlijke geluid' te horen zal zijn. Na een uitwijding over de autonome creativiteit van de dichter, komt Van Eyck weer terug op De Tuinman. Hij blijkt Nijhoffs typering van De Tuinman ('een voortreffelijke strofische weergave van de bekende Perzische legende') op te vatten als een steek onder water. Nijhoff zou in twijfel getrokken hebben dat het 'een autochthoon gedicht' was en het 'creatief aandeel' van Van Eyck hebben willen bagatelliseren. In zijn verweer zegt Van Eyck dat Nijhoff ten onrechte over 'een bekende legende' heeft gesproken. “Ik, met mijn omvangrijke belezenheid en scherp geheugen had haar nooit gezien”, schrijft hij. In Marsmans vertaling van Cocteau in De Vrije Bladen kwam hij de legende voor het eerst tegen.

Van Eyck zegt dus expliciet dat hij niet de oude legende maar Cocteau als bron heeft gebruikt voor zijn gedicht. Vervolgens suggereert hij dat Nijhoff met opzet Cocteau niet noemde, want anders zou hij niet van 'een weergave' hebben kunnen spreken. Dan had Nijhoff moeten toegeven dat Van Eyck van Cocteau's verhaal 'een volledig gedicht', ja zelfs 'een creatie' had gemaakt door bij voorbeeld de dood te laten glimlachen en de verhalende vorm in 'directe actie' om te zetten. De Neerlandicus Jan J. M. Westenbroek voegde hier vorige week in Trouw nog aan toe dat de tuinman bij Van Eyck niet op paardén vlucht, zoals bij Cocteau, maar slechts op één paard. Geen wonder dus dat de dood hem inhaalde!

Het is een krampachtig verweer, eigenlijk een verkapte schuldbekentenis. Kennelijk zag Van Eyck dat ook wel in, want hij verstuurde dit deel van zijn brief niet! Het is jammer dat Westenbroek dit essentiële punt niet duidelijk genoeg beklemtoont in zijn getuigenis à decharge. Pas na Van Eycks dood werd het kladje in de publicatie van zijn briefwisseling met Marsman opgenomen. Dat hij zijn gedicht op Cocteau baseerde is dus zeker, maar in het openbaar heeft hij dat niet toegegeven. Vandaar dat Hans van Straten, die de brief twee jaar geleden tegenkwam, Van Eyck opnam in een supplement bij zijn Opmars der Plagiatoren, dat later verscheen onder de titel: Plagiatoren trekken voorbij.

“Weet je het al?”, informeerde een vriend van mij voorzichtig op de dag nadat mijn stuk over Van Eyck verschenen was. Nee, ik wist het niet. Ik zou mij krampachtig hebben kunnen verweren, maar beter is het om toe te geven dat niet mij maar Van Straten de eer (of de schande) toekomt de plagiaat-geur rond de Tuinman en de Dood voor het eerst geroken te hebben. Van Straten deed dat op basis van de onverstuurde brief die Westenbroek nu als bewijs van Van Eycks onschuld opvoert!

Nog geen twee maanden nadat Van Eyck zijn onverstuurde verweer aan Marsman schreef, vroeg hij in een brief aan collega-dichter Aart van der Leeuw wat die van zijn Erts-gedichten (waaronder 'De Tuinman en de Dood') vond. Geen woord over Cocteau of een oude Perzische legende. Wilde hij peilen of Van der Leeuw op de hoogte was? Van der Leeuw (3 mei, 1926) vond 'vooral' de Tuinman 'bizonder goed' en 'zuiver en eenvoudig en diep van zin'. Van Eyck kon opgelucht adem halen.

Maar Nijhoff liet hem niet los. In 1926 besprak hij Van Eycks bundel Voorbereiding. Nijhoff vond de poëzie van Van Eyck maar niets. Zij zou te veel het beredeneerde uitvloeisel van een wijsgerig, ethisch en religieus plan zijn. Van Eyck noemde hij een 'dichter zonder stem'. Zelfs “één gaaf gedicht” had zijn poëtische energie niet opgeleverd. Nijhoff raadde hem aan zijn grote plan op te geven en zich “met vertalingen, bewerkingen en dergelijk werk” te 'oefenen'. Toen hij in Erts 'De tuinman en de Dood' las, “ongetwijfeld zijn beste gedicht” en “zoals men weet een strofische bewerking naar een Perzische legende”, had hij vermoed dat Van Eyck op de goede weg was. Hij hoopte maar dat de Tuinman na Voorbereiding geschreven was, want in die bundel was hij weer bezweken onder “de ballast van diepe levensinzichten” (Verzameld Werk, II, 564-566). Van Eyck moet het knarsetandend gelezen hebben. Zijn eigen poëzie werd afgekraakt en wat geprezen werd, was slechts een bewerking van een bekende legende.

In de jaren die volgden belandde de Tuinman in menige bloemlezing, maar in 1939 werd het door Van Eyck voor het eerst gebundeld in Herwaarts. Weer presenteerde hij het gedicht als oorspronkelijk werk zonder verwijzing naar Cocteau of een Perzische legende.

We moeten aannemen dat mensen hem daarna toch aangeraden hebben dat niet meer te doen. Het kan ook zijn dat hij inmiddels het Roemi-gedicht over de Engel des Doods onder ogen had gekregen en dus zeker wist dat er wel degelijk sprake was van een bekende Perzische legende.

In een herdruk van Herwaarts in 1949 werd dan eindelijk voor het eerst openlijk door Van Eyck gezegd dat het gedicht 'een bewerking' van een Perzische legende was. Een bewerking is al weer wat anders dan 'een in zichzelf volledig gedicht' of een 'creatie'. Maar, en dat is belangrijk, opnieuw niets over Cocteau waar zijn gedicht wérkelijk een bewerking van is. Sommigen leggen deze late verantwoording nu uit als bewijs van zijn onschuld. Je kunt ook zeggen: eindelijk gaf hij een heel klein beetje toe.

Ik heb geen behoefte om Van Eyck door het slijk te halen, zoals enkele Trouw-lezers veronderstellen. Ik ben er al speurende naar de boeiende achtergronden van het prachtige en bekende Nederlandse gedicht, achtergekomen dat Van Eyck in elke betekenis die aan het woord wordt toegekend, plagieerde. Hij nam een fraai gegeven uit andermans werk over in een gedicht dat hij liet doorgaan voor een oorspronkelijke creatie. Bij publicaties zei hij er nooit bij dat het een bewerking van Cocteau's verhaalversie was. En pas heel laat, te laat, vermeldt hij een Perzische legende bewerkt te hebben die hij ten tijde van het dichten, naar eigen zeggen, alleen van Cocteau kende!

Een heel andere vraag is natuurlijk hoe verwerpelijk dat is. Dat moet iedereen maar voor zichzelf uitmaken, lijkt me, maar er zijn in Nederland mensen om veel kleinere redenen van plagiaat beschuldigd.

Dat Van Eyck er soepele opvattingen over had, is overigens maar goed, want anders had hij zijn gedicht nooit gepubliceerd. En de Nederlandse poëzie zonder De Tuinman, je moet er niet aan denken. Gelukkig hoeven we daar ook niet bang voor te zijn, want hij leeft meer dan ooit.

Het verhaal van 'De Tuinman en de Dood', zoals beschreven door Maulana Djalal al Din Roemi in zijn grote mystieke gedicht Masnavi-yi ma'navi (geschreven omstreeks 1260):

Zur Morgenzeit trat einst ein edler Gast Mit banger Eil' in Salomos Palast, Aus Gram sein Antlitz bleich und blau sein Mund;- Der König sprach: “Was ist dir? Tu mir's kund!” Er sprach: “Es sah, im Auge wilde Gier Der Todesengel Asrael nach mir.” Der König sprach: “Was soll ich tun? Verkunde!” Er sprach: “O, Seelenhort, befiehl den Winde, Dass er nach Indien alsobald mich bringe, Ob dort vielleicht zu leben mir gelinge!”

So find't der Mensch, der vor der Armut bang Sich scheut, in Geiz und Gier den Untergang. Der Armutsscheu glich jenes Manns erbeben Es glich sein Indien solchem nicht'gen Streben Und über Land und Meer trug ihn sofort- Der Wind nach Indien auf des Königs Wort Im Ratsaal aber sprach am andern Tage Der König zu dem Todesengel: “Sage, Was schautet du so grimm nach jenem Frommen, Dass ihm die Angst das Leben fast genommen?” Er sprach: “Nicht grimm hab' ich ihn angesehn, Verwundert nur sah ich am Weg ihn stehn, Da für denselben Tag mir Gott befohlen, Aus Indien seine Seele herzuholen. Ich sprach erstaunt: Und hütt' er hundert Schwingen, Gar weit ist's, bis Indien noch zu dringen!”-

Was alles ird'sche Tun, hiernach ermiss es! Mach' klar dein Auge und zum Sehn erschliess es! Vermagst du je dir selber zu entfliehn, Sündhaft dich dem Allmücht'gen zu entziehn?''

Vertaald uit het Perzisch door Georg Rosen, 1849 In de vroege ochtend rende een edelman de zaal binnen waar Koning Salomo rechtsprak. Zijn wangen waren bleek van ontzetting, zijn lippen waren blauw. Salomo zei: “Waarde heer, wat is er gebeurd?” Hij zei: “Azrajiel, de Doodsengel heeft mij aangekeken met een blik zo vol woede en agressie!” “Wat wilt u dat ik daaraan doe, zeg het me!”, vroeg de koning. De man zei: “Beschermer van het leven! Beveel de wind mij van hier naar Indië te brengen: misschien kan ik daar mijn leven redden!”

- Zie toch hoe de mensen op de vlucht slaan voor de armoede en dan ten prooi vallen aan hebzucht en begeerte! De angst voor de armoede is precies zoals deze angst: noem hebzucht en najagerij maar 'Indië'! -

De wind kreeg het bevel de man snel weg te voeren over zee, naar een plek diep in Indië. De volgende dag, toen Salomo de staatszaken besprak en audiëntie gaf, vroeg hij Azrajiel: “Waarom hebt u deze brave moslim zo woedend aangekeken en hem van huis en haard verjaagd?” De engel zei: “Heb ik hem woedend aangekeken? Ik was verbaasd omdat ik hem hier tegenkwam terwijl ik op God's bevel zijn ziel vandaag moet halen in Indië. Al had hij honderd vleugels, overwoog ik in verwondering, dan zou Indië nog te ver voor hem zijn.”

Vertaald uit het Perzisch door J. T. P. de Bruijn, 1995

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden