DE TUINEN VAN MIEN RUYS

Negentig is ze en van haar pensioen ziet ze maar af. Haar ontwerpen zijn erkende kunstwerken en haar bielzentuin werd een rage. Ze kwam als provinciaal meisje tussen toonaangevende architecten terecht. Nog steeds schrijft ze in 'Onze Eigen Tuin' voor een groot publiek. Nog steeds neemt ze opdrachten voor ontwerpen aan. 'Een tuin is geen presenteerblaadje', zegt Mien Ruys, zeventig jaar tuinarchitecte.

Aangekomen bij de ingang van 'de Tuinen van Mien Ruys' in Dedemsvaart, moet ik tot mijn verrassing nog een hele wandeling door de Tuinen maken vóór het huisje van mevrouw Ruys in zicht komt. Het is een goede inleiding op het gesprek dat zal volgen. Zelfs op deze natte septemberdag, waarop de rest van de natuur plat ligt van de druipende regen, zijn de Tuinen wonderbaarlijk ongeschonden. Gladgeschoren hagen, doeltreffende paden, welgevormde plantengroepen. 'Alles draait om de vorm.'

Mien Ruys is dit jaar negentig geworden. Zeventig jaar heeft zij als tuinarchitecte gewerkt; in het begin op het kantoor van haar vader, 'Moerheim' te Dedemsvaart, later op haar eigen bureau aan de Amstel in Amsterdam. Voortdurend bleef zij werken aan de 'Proeftuinen' waarmee zij als vrouw van twintig begon in de tuin van haar ouders.

Nog steeds woont zij 's zomers aan de rand van de tuinen in een klein huisje, een voormalig varkenshok dat de architect Merkelbach voor haar verbouwde. Haar geest is helder, nog steeds levert zij ideeën voor de inrichting van de tuinen. Lijfelijke arbeid verricht zij daar niet meer, zegt zij, kaarsrecht in haar stoel gezeten, de stok die ze sinds kort nodig heeft, binnen handbereik. 'Wat ik nog het meeste mis, is het plukken van bloemen voor boeketten uit de tuin'.

Uw vader, Bonne Ruys, was als kweker een internationale beroemdheid. Hoe kwam hij hier in Dedemsvaart terecht?

“De familie van mijn vader kwam oorspronkelijk uit Kampen. Omdat mijn grootvader die stad te druk vond worden, verhuisde hij naar Dedemsvaart. Het oude huis 'Moerheim', waar de familie later ging wonen, was toen nog een Engelse jongenskostschool.

Mijn vader was echt een kweker van de oude stijl. Hij had 50 hectare planten. Zelf spitten was er niet bij, hij reed op een paard over de velden en gaf zijn commentaar van bovenaf. Thuis hadden wij zeven man personeel. Er waren acht kinderen en er kwamen veel buitenlanders over de vloer, die allemaal bleven slapen want hotels waren er toen nog niet.

Mijn vader was een specialist, altijd op zoek naar nieuwe planten. Dan had hij bijvoorbeeld een vensterbank vol potten met een dubbele witte anemoon. Dat interesseerde mij niks. 'Ik vind de enkele veel mooier', zei ik dan. Vanaf het begin keek ik alleen naar de vorm van de planten. Dat was het grote verschil tussen mijn vader en mij. Hij heeft wel honderd nieuwe planten gekruist, waar nu nog maar een kwart van over is.''

Mien Ruys kwam in 1923 van school.Haar vader had een afdeling tuinarchitectuur opgericht en vroeg Mien om daar te ontwerpen. Dat beviel haar goed en in '28 vertrok zij naar Engeland om meer over het vak te leren. Daar ontmoette zij de befaamde tuinarchitecte Gertrude Jekyll, die aan het begin van de eeuw de vaste plantenborder had bedacht en gepopulariseerd. De losse, uitbundige manier van beplanten die zij daar voor het eerst zag, maakte diepe indruk op Mien Ruys.

Hoe kwam u bij Gertrude Jekyll terecht?

“Ik werkte een half jaar op de ontwerp-afdeling van kwekerij Wallace & Sons in Tunbridge Wells en wilde graag Gertrude Jekyll bezoeken. Zij was heel oud, geheel blind, ontving niemand meer. Ik probeerde het toch, schreef een brief en kreeg per kerende post een brief terug: 'De dochter van Bonne Ruys is altijd welkom'. Ik ging dus naar Munstead Wood en was onder de indruk van de massaliteit van haar borders. De kleuren herinner ik mij niet meer, maar die massa's vaste planten, dat wilde ik ook zo. Zij kon niets meer zien, maar zei mij van de planten die ik niet kende, een takje of blaadje mee te nemen, dan zou zij ze voelen en benoemen. Er was veel dat ik niet kende, Engeland heeft zo'n ander klimaat.”

Later bent u naar Berlijn gegaan?

“Ik zat steeds maar op die kamer boven het kantoor te tekenen en mensen die uit het buitenland kwamen, zeiden: 'Je moet hier weg'. Aan Camillo Schneider, een Duitse tuinarchitect, schreef ik dat ik naar een school in Pilnitz wilde om verder te leren. Hij schreef terug: 'Ga naar Berlijn. Je moet naar de grote stad, niet weer naar het platteland'.

In Berlijn was de Hogeschool voor Tuinarchitectuur net opgericht. Ik heb daar niet veel geleerd, maar ging naar de schouwburg, naar musea en was veel in de natuur. Bij een bezoek aan een van de eerste uitvoeringen van de Dreigroschenoper van Brecht, gingen mijn haren overeind staan van ontzetting. Ik merkte hoe eenzijdig christelijk, haast feodaal, ik was opgevoed en dat ik niets wist van de andere kant van de maatschappij. Ik ben op slag communist geworden. En ik verloor mijn geloof. Van de acht kinderen in ons gezin hebben er zes het geloof verlaten.

Na Berlijn kwam ik op Moerheim terug, maar het was crisis en er was weinig te doen. Ik ben toen naar Delft gegaan om bouwkunde te studeren.''

Mien Ruys woonde en werkte nog steeds in Dedemsvaart, maar voelde zich daar geïsoleerd. Het zwaartepunt van de opdrachten was verschoven naar het Westen en in 1937 verhuisde zij mét het bureau naar Amsterdam. In de voordagen van de oorlog werd zij lid van het Comité van Waakzaamheid, samen met Menno ter Braak en Annie Romein-Verschoor, die een vriendin van haar werd. Na de Duitse inval probeerde zij tevergeefs naar Engeland te vluchten. “In de oorlog viel alles stil, maar in '43 organiseerde het Genootschap Architectura et Amicitia een studieweek voor architecten in het Maarten Maartenshuis in Doorn. Daar leerde ik een groep mensen kennen die met elkaar optrokken en ideeën hadden die mij bevielen. Dat waren 'De 8 en Opbouw'. Later, nadat ik ze een aantal van mijn ontwerpen had laten zien, vroegen ze mij, het provinciaalse meisje, om bij de groep te komen. Zo kwam ik in de architectenwereld terecht.”

Tot 'De 8 en Opbouw' behoorden G. Rietveld, Aldo van Eyck en Merkelbach, 'functionalisten' die zich niet lieten leiden door de mooie vorm, maar door de functie van een gebouw en de doelmatigheid van de indeling. Zij waren socialist en koesterden optimistische gedachten over de invloed van goed wonen op de mens, met 'veel lucht en licht'. De buitenruimte, het werkterrein van Mien Ruys, was in dit opzicht voor hen nog onontgonnen terrein.

“Nadat ik 'De 8 en Opbouw' had ontmoet ging alles beter. Ik wilde af van al die opdrachten van rijke particulieren en ging op zoek naar projecten in de sociale woningbouw. De eerste opdrachten vlak na de oorlog waren de Muzenhof en de Geuzenhof in Amsterdam. Tussen de woningrijen waren daar brede stroken groen vrijgelaten voor een gemeenschappelijke binnentuin, ook al iets nieuws voor die tijd. Bij de Muzenhof ontwierp ik nog een 'kijktuin'; bij de Geuzenhof pleitte ik voor een gebruikstuin, een ontmoetingsruimte die heel functioneel was ingedeeld met speelplaatsen en banken waar je kon zitten lezen. Door de Geuzenhof heb ik veel opdrachten gekregen, vaak in combinatie met Merkelbach. In de jaren vijftig kreeg het bureau ook opdrachten voor scholen en fabrieksterreinen, zoals de Tomado-fabriek in Etten-Leur.”

Hoe kunt u uw werk uitleggen aan iemand die nog nooit een tuin van u heeft gezien?

“In mijn ontwerpen probeer ik de architectuur en de natuur op één lijn te brengen. De zuivere vorm is de grondslag van ieder ontwerp dat ik maak. De beplanting is even belangrijk, maar dat komt later. Dan is het de kunst om de twee in evenwicht te krijgen.

Ik probeer de tuin altijd te omsluiten. 'Een tuin is geen presenteerblaadje,' zeg ik dan. En ik probeer een element van verrassing te bedenken, zelfs als de tuin heel klein is. Voor de rest kun je mijn tuinen niet samenvatten. Men zegt wel eens dat ik rechte lijnen gebruik, of juist diagonalen, maar ik heb even goed tuinen ontworpen met beweeglijke, ronde vormen. Je bekijkt iedere tuin op zichzelf, want de omgeving, het landschap is telkens anders en het huis is ook nooit hetzelfde.''

Beschouwt u zichzelf als kunstenaar?

“Jazeker. Na het overlijden van mijn man was ik eenzaam. Ik wilde lid worden van de kunstenaarsvereniging Arti en moest kiezen: 'lid' of 'kunstlievend lid'. Ik gaf mij op als lid en daar hebben zij twee jaar over na moeten denken. Bij de deur controleerde iemand en dan zei ik steeds: 'Ik hang voor'. Na twee jaar werd ik 'lid' en dat was voor mij de erkenning van het vak als kunstvorm. Het ging niet om mij maar om mijn vak. Men verwart tuinarchitect zo vaak met hovenier.”

Mien Ruys trouwde in 1950 met Theo Moussault, mede-eigenaar van het weekblad De Groene Amsterdammer en later uitgever. Hij was een bon-vivant die in de kunstenaarswereld leefde en al kinderen had uit een vorig huwelijk, 'de stieven', waar Mien goed mee overweg kon.

“Hij was ouder dan ik, wij hebben geboft met nog vijfentwintig jaar samen. Ik mis hem nog steeds. Ik was weinig huishoudelijk, kon nog net een theeketel opzetten. Samen hadden wij veel vrienden over de vloer, hij kookte dan altijd en maakte het gezellig. Wim Schumacher, de kunstschilder, kwam vaak, net als Lex Metz en Jongejans . . . het is het vervelende van de ouderdom dat je namen vergeet. Abel Herzberg woonde om de hoek; in de oorlog heb ik zijn kinderen ondergebracht, één liet ik bij mijn vader in Moerheim achter.”

“Voor hij mij kende wist hij niets van tuinen, had er nog nooit naar gekeken. Later kon ik verschillende tuinplannen aan hem voorleggen en hij koos altijd de beste. Hij bedacht ook de 'confectie-borders'. Hij zei, de architecten zijn zo bezig met prefab, dat moet jij ook doen. Ik heb toen in een vakantie zeventig borders ontworpen. De bedoeling was dat de mensen plan en planten tegelijk zouden kopen. Dat is jammer genoeg niet zo uitgekomen.”

Heeft hij u ook aan het schrijven gezet?

'Het Vaste Plantenboek' is in 1950 bij hem verschenen en later herschreven als 'Het Nieuwe Vaste Plantenboek'. Het blad 'Onze Eigen Tuin' was zijn idee. Hij zei: 'Jij legt zoveel tuinen aan en dan laat je de mensen in de steek. Je moet ze laten weten wat ze er daarna mee aan moeten'. Het blad begon als betaalbare en gedegen tuinkrant, op krantepapier. Het uitgangspunt was dat het praktische informatie moest geven en dat het taalgebruik voor iedereen toegankelijk moest zijn, voor de werkster én de professor. Nu is het blad veel meer glossy geworden, maar het uitgangspunt is hetzelfde gebleven.''

De Tuinen van Mien Ruys zijn ontstaan uit uw drang om te experimenteren. Zijn het nog steeds 'proeftuinen'?

“In de Tuinen experimenteerde ik vooral met vaste planten. Ik kwam tot de conclusie dat je met een pakket van vijfhonderd goede vaste planten iedere tuin kunt aanleggen. Zoals je - zei ik ooit in de crisisjaren - alles in dit leven kunt zeggen met de 26 letters van het alfabet, zo kunnen 500 planten alles zeggen in een tuin.

Als Dirk-Jan Koning, de tuinman, bij mij komt met een plant die hij goed vindt, dan proberen wij hem een paar jaar. En als wij hem houden, dan moet er ook een plant uit. Het assortiment mag niet groter worden.

Wij nemen even goed proeven met omheiningen en grondbedekkingen. Daar zit je altijd mee in een tuin. Na de oorlog was er niets, alleen trottoirtegels; bakstenen waren op de bon. Beton was er wel en naast de grote border kwam een pad van grote betontegels.

Ook de bielzen werden een rage, ik werd 'bielzen-Mien'. Ik kwam op de gedachte in een duintuin. Ik liep naar het raam en vloog bijna naar achteren, dat duin helde het huis in. Ik ging op zoek naar iets dat zwaar genoeg was om het duin tegen te houden, want de grond was te zacht om te metselen. Ik kreeg toen het idee er bielzen voor te gebruiken - zuiver functioneel, niet uit armoede, zoals veel mensen dachten.

Wij zijn nog steeds op zoek naar nieuwe materialen. In de moerastuin hebben wij net iets nieuws toegepast, recycled plastic in een vorm geperst. Het is zwart en - heel belangrijk - niet glibberig, zelfs niet als het nat is.''

Wanneer gaat u met pensioen?

“Nooit. Ik heb mijn leven lang gewerkt en doe dat nog. Ik schrijf in 'Onze Eigen Tuin' en krijg nog steeds ontwerp-opdrachten. Laatst nog kwam de burgemeester van Heinenoord vragen of ik de tuin rond een museum wilde renoveren. Zij waren in hun oude papieren gaan graven en mijn naam tegengekomen.

Ik weet niet wat het is om niets te doen. Ik was met mijn man op de Caraïbische eilanden en zei: 'Laten we hier blijven'. Ik zou wel eens willen weten hoe lang ik het uit zou houden om daar op een rots te zitten en in het water te staren. Maar hij wilde weg, hij verlangde naar het asfalt van Amsterdam. Ik ben daar dus nooit achter gekomen.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden