De tuin van de farao

Er is in dertig eeuwen tijd zo te zien niet veel veranderd: ook de oude Egyptenaren plantten bloemen voor de geur, bomen voor de schaduw en hadden een vijver met vissen. Een prachtige, kleine tentoonstelling in Leiden.

Het is een kleine tentoonstelling. Eén zaaltje maar. Maar zo ontroerend mooi, dat ik na de eerste ronde gewoon opnieuw begon. En me nog een keer vergaapte aan de lotusbekers, granaatappelflesjes en al die andere voorwerpen waaraan is te zien welke planten er groeiden in het oude Egypte van de farao's.

De tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden heet 'Tuinen van de farao's'. Vlak na de ingang worden de bezoekers al in de stemming gebracht met een reusachtige maquette van de paleistuin Maroe-Aton, aangelegd in 1350 voor Christus. De maquette laat zien hoe welgestelde Egyptenaren hun tuin inrichtten met vijvers, tempels, een met druiven overgroeide pergola, palmbomen en bloembedden. Er is in dertig eeuwen tijd zo te zien niet veel veranderd: ook de oude Egyptenaren plantten bloemen voor de geur, bomen voor de schaduw en hadden een vijver met vissen.

Hoe interessant ook, het mooiste komt nog. Want in het eerder genoemde zaaltje op de tweede verdieping is veel meer te zien dan alleen tuinen. Hier liggen honderden afbeeldingen en zelfs verdroogde restanten van alles wat eeuwen geleden in de Egyptische Nijldelta groeide. Die delta bestond aanvankelijk uit moerassen met papyrusbossen waar mensen op vogels en vissen jaagden en papyrus oogstten. Door moerassen droog te leggen veranderde het landschap allengs in akkers, boomgaarden en moestuinen.

Planten waren belangrijk voor de oude Egyptenaren. In de eerste plaats omdat ze eetbaar waren, maar ook om kwalen en ziektes mee te behandelen. Zo waren granaatappels een probaat middel tegen lintwormen en hielpen vijgen bij maag-, darm- en nierklachten. Veel planten werden bovendien verwerkt tot gebruiksartikelen als manden, sandalen, touw en sieraden. Op de akkers werd tarwe verbouwd voor brood, gerst voor bier en vlas voor linnen. In de moestuinen groeiden uien, meloenen, sla en peulvruchten, de bloembedden stonden vol met papavers, korenbloemen, alruin, bitterkruid en kamille.

Dat we vier eeuwen later nog steeds weten welke planten in het oude Egypte voorkwamen, hebben we te danken aan het magisch denken van de toenmalige bewoners. De ziel van een dode kon in het hiernamaals een nieuw leven krijgen, maar alleen als hij genoeg eten en drinken bij zich had. Vandaar dat overleden Egyptenaren in hun graf broden, tarwe, vlees, geslachte eenden, groente, fruit en potten bier meekregen. Aangezien bloemen het symbool waren van leven na de dood, werden ook die in en bij de graven gelegd. Op een bewaard gebleven inventarislijst staat dat in de tempel van de god Amon in Thebe in drie jaar tijd 60.450 bloemkransen, 12.400 guirlandes en bijna 2 miljoen boeketten werden geofferd! Al even belangrijk waren bossen uien. Om de dode te stimuleren om weer te gaan ademen, werd bij het prepareren van de mummie de ribbenkast gevuld met uien.

De levensmiddelen en bloemen hoefden niet echt te zijn, want in het hiernamaals veranderden afbeeldingen op hout, aardewerk of steen vanzelf in echte etenswaren en bloemen. Honderden van deze offerandes liggen nu in de vitrines van het RMO. Niet alleen mummiekisten, reliëfs, amuletten, schalen, vaasjes en sieraden, maar ook gedroogde vruchten, bloemen en planten. En dat is precies wat deze tentoonstelling zo ontroerend maakt. Geen overleden Egyptenaar zal beseft hebben dat wij eeuwen later zijn voedselvoorraden op zouden graven en tentoonstellen, voorzien van de uitleg 'versteend stukje brood' of 'uien om te ademen'. Of dat de houten modellen van bakkerijen en brouwerijen, compleet met poppetjes die brood en bier maken, ons zouden doen denken aan Playmobil. Hoe betrekkelijk kan zelfs de dood zijn?

Een klein deel van de tentoonstelling is gewijd aan latere tijden. Na tientallen eeuwen waarin niemand ook maar een enkele gedachte had gewijd aan farao's en hun tuinen, zorgde een veldtocht van Napoleon naar Egypte voor hernieuwde belangstelling voor dit deel van de wereld. Aanvankelijk alleen bij wetenschappers, maar nadat in 1922 het graf van Toetanchamon was ontdekt ontstond er een heuse Egyptomanie. Vanaf dat moment werden Egyptische plantmotieven een inspiratiebron voor de Art Déco-periode, waarvan in het RMO eveneens een aantal objecten te zien is.

Maar dan heb je het mooiste al gehad. Of nee, er is nog iets bijzonders. In het oude Egypte waren blauwe, met planten beschilderde beeldjes van nijlpaarden heel populair. De beeldjes werden in graven geplaatst omdat nijlpaarden verbonden zijn met oerwater, geboorte en nieuw leven. Een van die beeldjes staat in een vitrine. Zijn pootjes zijn kapot. Nou ja, denk je, na veertig eeuwen onder de grond mag enige slijtage ook wel. Maar wat blijkt? De Egyptenaren waren zo bang voor de kracht van het beest, dat het alleen met beschadigde poten het graf in mocht. Om er zeker van te zijn dat het geen onheil kon aanrichten, maakten ze zelf de pootjes kapot.

In de museumwinkel zijn die blauwe nijlpaardjes te koop. Ze zien er schattig uit, maar ik hoef ze niet. Hun pootjes zijn me te gaaf.

Tuinen van de farao's, t/m 2 september 2012. Rijksmuseum van Oudheden, Rapenburg 28, Leiden. Er zijn ook lezingen en rondleidingen, een masterclass, een Ladies' Night en een route langs planten uit Egypte in de tuin en de Victoriakas van de Hortus botanicus Leiden. Meer info: www.rmo.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden