De tuin in het Europese theater

Niemand die in drie woorden kan uitleggen wat 'Europees' is. Als hij al bestaat weet de Europeaan, balancerend tussen opstandigheid en weemoed, vooral wat hij niet wil. Wat verbindt Europeanen? En waarin verschillen wij dusdanig dat wij ons binnenshuis -opgelucht- nimmer Europeaan weten? Maandelijks onderzoekt Trouw wat de Europeanen bindt, en wat hen onafwendbaar blijft scheiden. Vandaag: Het paradijs in enkele vierkante meters teruggebracht.

Tuin, hof, gaarde. Een omheind of afgeperkt stuk grond, waar bloemen gekweekt of groenten en bomen geteeld worden: in onze voorstelling is de tuin de plek bij uitstek van de lieflijkheid. Een huis met tuin is de vurige wens van menig stadsbewoner op een-, twee- of driehoog. En voor wie dat (nog) niet bereikbaar is, lokt de volkstuin aan de rand van de stad. Daar brengen wij ons eigen paradijs tot stand.

Tuin, hof, gaarde: allemaal benamingen voor het paradijs, maar dan wat maatjes teruggebracht tot ons eigen tuintje. Hét paradijs was immers een heel grote tuin. Het woord 'paradijs' was Europa binnengebracht via het Grieks, waarin het uit het Perzisch werd overgenomen om de uitgestrekte lustparken van de Perzische koning te beschrijven. Later gebruikten de Griekse vertalers van het Oude Testament het woord om de tuin te beschrijven die God zelf in het Oosten had geplant en waarin hij de mens had neergezet.

Dat paradijs leeft met al zijn lieflijke én sinistere klanken voort in ons collectieve onderbewustzijn. Immers, de tuin is niet alleen de icoon van de liefde, de plaats waar Adam voor één rib een hele Eva kreeg om met haar tot één vlees te zijn; ook de dood is met die tuin verbonden, omdat in de tuin de boom des levens stond waaruit de mens verbannen werd, zodat hij nooit de vrucht van de onsterfelijkheid zou eten en eeuwig leven.

'De tuinman en de dood' van P.N. van Eyk is daarom zo'n tot de verbeelding sprekend gedicht, omdat we ons niet afvragen wat de dood te zoeken had in die tuin, terwijl hij toch de tuinman pas 's avonds mijlen verder in Ispahan moest halen. Zijn aanwezigheid in die tuin neemt iedereen als vanzelfsprekend aan. De uitdrukking 'een tuin op je buik hebben' voor 'begraven zijn' zegt wellicht allereerst iets over onze gewoonte kerkhoven te maken tot parken waar allerlei gewassen in pracht en lommer boven de graven wuiven, maar misschien ook dat de boom des levens definitief uit het assortiment is gehaald.

Als we dus kunnen vaststellen dat 'de tuin' dramatisch een heel geladen begrip is, komt vanzelf de vraag op wat de dramatische kunst dan wel met tuinen heeft gedaan. Dat is opvallend weinig. De reden kan niet zijn dat het drama vrijwel uitsluitend rust op de Griekse poot van onze cultuur en niet op de Joodse, want 'de dood en het meisje' vinden we ook tussen de beplanting van de Griekse tuin.

Om met de liefde te beginnen: de liefdesgod Eros is verwekt, vertelt Plato, in een tuin. Het gebeurde op de Olympus, waar de goden de verjaardag van de godin van de liefde, Aphrodite, vierden. Eén gast werd niet toegelaten: Gebrek. Zij moest bedelen bij de poort. De god Overvloed daarentegen dronk zich aan de godennectar zo'n stuk in de kraag, dat hij naar buiten waggelde en zich in de tuin van Zeus neervlijde om zijn roes uit te slapen. Toen zag Gebrek haar kans schoon: zij aasde immers al lang op een verbintenis met Overvloed. Zij sloop de tuin in, maakte haar gordeltje los en wist met Overvloed één vlees te worden. Het kind dat daaruit geboren werd, heet Eros, 'Verlangen': van vaderszijde is hij voorzien van slimheid en doortastendheid om zijn doel te bereiken; maar van moederszijde is hij de eeuwige hunkeraar, altijd op weg zijn punt te zetten.

De dood vindt een smartelijke uitbeelding in de Adonistuinen. Dat zijn bakjes waarin vrouwen snel opschietend zaad, maar ook weer snel verwelkend groen kweekten ter ere van Adonis, de beeldschone jongeling die werd bemind door de zoëven al genoemde Aphrodite. De god van de oorlog, Ares, doodde hem uit jaloezie door tijdens een jachtpartij een woest everzwijn op hem af te sturen. De vrouwen en meisjes rouwen om zijn dood door in het heetst van de zomer op de daken van de huizen hun Adonistuintjes te kweken en bitter te rouwen als het pas ontsproten groen weer sterven moet.

Een kwart eeuw geleden werd een gedicht gepubliceerd van Archilochus, een jongere tijdgenoot van Homerus. Het was tevoorschijn gekomen uit de papyrus-verpakking van een Egyptische mummie, en heeft als 'Keulse papyrus' heel wat ontzetting teweeggebracht. In het gedicht voert een ik-persoon een verleidingsgesprek met een meisje, terwijl ze zich samen in een bloemenweide bevinden. Het meisje probeert de 'ik' haar oudere zus aan te prijzen, maar hij werpt het idee ver van zich: 'Een andere man mag haar hebben. Ach, ze is al te ver heen. Haar bloeitijd als meisje, haar vroegere gratie is weg.' Na in de meest lompe bewoordingen de zus van het arme kind te hebben weggezet, grijpt hij haarzelf vast temidden van de weelderige bloemenpracht, gooit zijn hemd over haar heen, houdt haar halsje in een stevige greep en voert zijn lust aan haar tot het hoogtepunt.

De discussie of de dichter hier van een (door hem zelf gepleegde?) verkrachting vertelt, of dat het een voor beiden teder herdersuurtje betreft, stel ik hier niet aan de orde. Wel zien we een bij de Grieken telkens terugkerend patroon: de bloemenweide en de vrijage. Het is een thema dat al bij Homerus voorkomt in het verhaal, waarin Zeus door zijn eigen Hera wordt verleid met een liefdesgordel en een razende begeerte zich van hem meester maakt: hij 'nam zijn vrouw in zijn armen. Onder hen schoot uit de godlijke aarde jong groeiend gras en dauwfrisse lotos en krokos en ridderspoor op die haar dichte, tedere bladerdek spreidden en hieven boven de aarde' (vertaling H.J. de Roy van Zuydewijn).

De bloemenweide is in de Griekse poëzie de vaste plek waar seksueel met elkaar wordt verkeerd. Of die bloemenweide nu een 'tuin' is in onze betekenis van 'omheind stuk grond waar bloemen gekweekt worden', doet er natuurlijk niet toe. Dat blijkt uit Plato die Eros in de tuin van Zeus verwekt laat worden, maar daarbij natuurlijk refereert aan de door de traditie gedicteerde plaats voor zulke activiteiten. Archilochus heeft het in zijn gedicht trouwens wel over een 'tuin', maar dan bedoelt hij de Venusheuvel waarheen de ik-persoon 'koers zal zetten'. Heel verrassend vinden we de bloemenweide in de tragedie 'Hippolytus' van Euripides. In de proloog van het stuk is de godin Aphrodite ons komen vertellen dat zij diep beledigd is over het feit dat Hippolytus haar minacht: de jonge prins vereert alleen de godin Artemis en haar domein: de kuisheid. Met seks wil hij niets te maken hebben. Aphrodite kondigt aan dat diezelfde dag Hippolytus zal sterven. Hoe, dat wist de antieke toeschouwer waarschijnlijk wel uit de legende: Hippolytus' stiefmoeder Phaedra wordt ondanks haar verzet daartegen, hopeloos verliefd op de jongen. Wanneer haar dienares die liefde verraadt en Hippolytus haar woedend afwijst, pleegt zij zelfmoord. In een afscheidsbrief beschuldigt zij Hippolytus ervan haar te hebben aangerand (het Jozef en de vrouw van Potiphar-syndroom). Theseus, Hippolytus' vader, vervloekt zijn zoon en de god Poseidon, in wiens naam de vloek is uitgesproken, verricht de executie.

Meteen na de genoemde proloog van Aphrodite in het stuk, verschijnt Hippolytus met zijn gevolg, jagers. Hippolytus heeft voor zijn geliefde jachtgodin Artemis een boeket geplukt en bekranst daarmee haar beeld dat bij de poort van het paleis staat:

Ik breng voor u, mijn meesteres, deze krans

die ik gevlochten heb in een ongerepte weide.

Geen herder laat zijn vee daar grazen, daar kwam

nog nooit een ploeg of zeis, maar ongerept

ligt deze wei, bezocht door lentebijen.

De Eerbied plant hier bloemen voor hem die, niet

door oefening maar van nature, ingetogen is

in alles en altijd. Híj mag ze plukken, maar

wie zijn lust beheersen moet, die niet.

Neem, lieve meesteres, de haartooi aan

die ik met vrome hand om uw gouden haren leg.

Want ik heb als enige dit voorrecht, dat ik

met u samen ben, met u gesprekken voer.

Ik hoor uw stem, maar uw ogen zie ik niet.

Zo wil ik tot mijn laatste adem leven.

In dit lyrische gebed van de 'onnozele' Hippolytus laat Euripides zien wat een indrukwekkend toneelschrijver hij is geweest. De bloemenweide, al eeuwen lang het traditionele jachtgebied van Eros, verandert hij radicaal in haar tegenpool: het veld waar zij die vleselijke lusten najagen, hebben zij niets te zoeken. En wij, de toeschouwers, weten dat degene die het gebed uitspreekt, al is veroordeeld tot de dood. Later in het stuk, wanneer Phaedra haar vriendinnen, het koor, heeft gezegd dat zij van schaamte niet verder kan leven, zingt het koor een 'ontsnappingsgebed': ik wou dat ik niet hier was, maar daar. En voor dat 'daar' grijpt Euripides opnieuw naar een tuin: de appeltuin van de Hesperiden, die voorbij de rots van Gibraltar gouden appels kweken in de weide waar Zeus zijn huwelijksnacht doorbracht.

Zo lijkt de orde van de natuur weer hersteld: zelfs Zeus, de oppergod, speelde zijn hoogste liefdesspel in een tuin. Wel is het natuurlijk zo, dat de tuin van de Hesperiden een onbereikbaar iets is: je moet wel Heracles heten om tot die contreien door te kunnen dringen. Hippolytus daarentegen haalt zijn violen en anemonen voor Artemis gewoon uit de heuvels om de hoek.

Afgezien van de 'Hippolytus' is er nauwelijks iets van tuin te bekennen in het Griekse drama, behalve dat vrijwel alle stukken op het erf van paleis, huis of tempel spelen, 'buiten' dus. Maar dat heeft verder niets te betekenen. Ook bij Shakespeare krijgt de tuin maar een klein rolletje in de coulissen toebedeeld. Zeker verdraagt de liefde, zowel in haar verlangen als in de consummatie, de stijve, ingeperkte Renaissance-tuin niet. Alleen grootse natuur kan zich met haar meten. Het meest welsprekend is natuurlijk 'De Storm', waarin de fysieke storm die woedt, gelijke tred houdt met de psychische storm die in de personages tekeer gaat.

Geen lieflijkheid, maar desolate uitgestrektheid markeert het woud van Arden, waarin de karakters van 'Naar het u lijkt' ronddwalen in de homo-erotische gevoelens die Jan Kott in zijn beroemde 'Shakespeare, onze tijdgenoot' uiteengerafeld heeft in het hoofdstuk 'Shakespeare's bittere Arcadia'. Maar ook het grote bos van de 'Midzomernachtdroom', waarin de hetero's hijgend achter elkaar aanrennen, wordt door Puck maar nauwelijks binnen menselijke maten gehouden. En hoe beangstigend is niet de eindeloze heide in 'King Lear', hoe steil zijn niet de kliffen van Dover. Het woud van Birnam dat naar Dunsinane toe komt in de 'Macbeth' is koortsige fantasie van de moordenaar en simpele werkelijkheid inéén.

Maar in de tuin heeft Shakespeares drama weinig te zoeken. Koning Hamlet, de vader van prins-weifelaar, werd lafhartig in zijn tuin vermoord door zijn vrouw en broer, toen hij daar zijn middagslaapje deed. En als er nu nog een zwaard door zijn borst was gegaan, maar hij kreeg een lullig flesje vergif in zijn oor gedruppeld. En Romeo springt dan wel over de muur die de boomgaard van Capulet scheidt van de straat, maar volgens Julia bevindt hij zich dan alleen maar op gevaarlijk terrein, waar haar neven, mochten zij hem zien, hem onmiddellijk aan hun rapier zullen rijgen. Dus moet Romeo wel langs de regenpijp naar het balkon, om onder het wakend oog van de voedster samen met Julia hun prille liefde te kunnen smaken, de schapen.

Het classicistische drama laat de tuin ook links liggen, behalve dat 'Adam in ballingschap' van Joost van den Vondel natuurlijk geheel in een tuin, en wel het paradijs, is gesitueerd. Nu kon Vondel zijn personages natuurlijk ook niet op een andere plek neerzetten; dat deed regisseur Hans Croiset pas toen hij het stuk ensceneerde op de puinhopen van de beschaving. Hij handhaafde gelukkig wel als Vondel-fanaat de lyrische beschrijving van de tuin, evenals hij dat vele jaren daarvoor deed in zijn regie van de 'Lucifer', waar engel Apollion bijvoorbeeld meldt:

Geen Engel, onder ons, zo zoet een adem heeft,

Gelijk de frisse geest, die hier den mens bejegent,

Het aangezicht verkwikt, en alles streelt, en zegent:

Dan zwelt de boezem der landouw van kruid, en kleur,

En knop, en telg, en bloem, en allerhanden geur.

De dauw ververst ze 's nachts. Het rijzen en het dalen

der zonne weet zijn maat, en matigt zo haar stralen

Naar eis van elke plant, dat allerhande groen

En vrucht gevonden wordt, in enerlei seizoen.

Maar buiten Vondel is het met tuinen eigenlijk nooit wat geworden in het Europese theater. De tuin gaat pas een beetje meedoen, als een burgerij op de planken komt die zelf tuiniert, al zijn het nog vaak dames die zelf niet meer dan één grasje in de week wieden, maar zich wel met het beplantingsschema bezig houden en dat niet aan hun hovenier overlaten. Een voorbeeld is de Noorse schrijver Henrik Ibsen. Als schrijver die heel gevoelig is voor de natuur, kiest hij net als Shakespeare zijn symbolen in de woeste natuur: de fjord in 'De vrouw van de zee', of het hooggebergte in 'Als wij doden ontwaken'. Maar als locatie speelt de burgerlijke tuin wel vaak een rol, in 'De vrouw van de zee' speelt de handeling zich zelfs geheel af in de tuin. Maar meer dan decor wordt het toch niet, behalve misschien in 'Bouwmeester Solness'. Het feit dat Solness de grote tuin bij het huis dat zijn vrouw heeft geërfd, heeft verkaveld en met villa's heeft bebouwd, is immers de uitdrukking van zijn geldingsdrang, zijn manier om door roeien en ruiten te gaan.

Het eerste bedrijf van 'A woman of no importance' en het tweede deel van 'The importance of being Earnest' van Oscar Wilde spelen zich af in een tuin, en dat heeft wel degelijk een functie: de habitat van een zich stierlijk vervelende upper class. Maar misschien pas bij 'De kersentuin' van Anton Tsjechov krijgt een tuin de trekken van een dramatisch personage dat dwingend zijn rol in de handeling meespeelt. De doffe bijlslagen die aan het slot de bomen vellen, zijn even genadeloos als de dolken die in een Shakespeareaans koningsdrama de edelen neerleggen. Ja, ook al is 'De kersentuin' een komedie, zoals de schrijver het zelf wilde zien, misschien voelen we wel meer compassie met die bomen die voor die stomme zomerhuisjes moeten wijken, dan met die baronnen in de Rozenoorlogen, die sneller als een bloem op het veld, als ze ontluiken, weer zijn verwaaid onder het stormgeweld van de dichter.

Al is er voor de tuin in het theater nauwelijks een rol van betekenis weggelegd, de tuinliefhebber kan zich natuurlijk troosten met de gedachte dat zijn liefhebberij al ver vóór het oudste toneelstuk in de literatuur is vastgelegd, en wel in een beschrijving waar elke tuinier zich in herkent. Ik bedoel de laatste zang van de 'Odyssee' van Homerus, waarin Odysseus zijn oude vader, die op het land leeft, gaat opzoeken:

Zo dus trof hij zijn vader alleen in zijn keurige tuin aan,

schoffelend tussen de struiken, gekleed in een vuile, gelapte

chiton van schamele stof. Om geen last van schrammen te krijgen

had hij verstelde kappen van leer om zijn benen gebonden

en hij droeg handschoenen tegen de dorens.'

(vertaling H.J. de Roy van Zuydewijn).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden