De tucht hoorde er gewoon bij

Emke Bosgraaf: 'Vooral de oefeningen in nederigheid vielen de religieuzen zwaar.' (FOTO REYER BOXEM) Beeld reyer boxem

Zelfgeseling, nachtwaken en andere tucht waren lang een normaal onderdeel van het Nederlandse kloosterleven. Emke Bosgraaf deed onderzoek naar deze praktijken en het verdwijnen ervan.

Voor de novicen die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw intraden in Nederlandse kloosters was het een complete verrassing dat zij zichzelf moesten geselen, een boeteketting dragen en schuld belijden voor bijvoorbeeld iets onschuldigs als het breken van een kopje.

Dat vasten en stilzwijgen bij het kloosterleven hoorden, wisten ze wel, maar met de boetewerktuigen en met de straffen die hun nederigheid moesten bevorderen werden ze letterlijk geconfronteerd. Zelfs van familieleden in het klooster en van de paters en zusters op school hadden ze nooit gehoord over deze met geheimzinnigheid omgeven praktijken.

Emke Bosgraaf (29), verbonden aan de faculteit godgeleerdheid en godsdienstwetenschap, promoveert 22 oktober aan de Rijksuniversiteit van Groningen op een onderzoek naar ’versterving’, en het verdwijnen ervan, eind jaren zestig vorige eeuw.

Hoe komt een hervormde jongen uit Friesland ertoe zich te storten op een onderzoek naar versterving in het katholieke kloosterleven? De vraag is hem vaak gesteld, ook tijdens de interviews met religieuzen die versterving destijds nog hebben meegemaakt. Bosgraaf denkt dat het misschien nog wel een voordeel had dat hij als buitenstaander de interviews afnam. „In katholieke kringen is over dit onderwerp niet veel gesproken, maar de religieuzen waren tegenover mij heel openhartig.”

Een studiereis met zijn promotor, emeritus hoogleraar godsdienstpsychologie Patrick Vandermeersch, naar St. Vicente de la Sonsierra was de aanleiding voor het onderzoek. In dit dorpje in het noorden van Spanje wordt een paar keer per jaar een rituele geselprocessie gehouden. Mede op verzoek van de dorpsbewoners, die benieuwd waren naar de geschiedenis van deze processie, schreef Vandermeersch een studie over de praktijk van zelfgeseling.

Toen het boek verscheen, kreeg hij van verschillende kanten te horen dat zelfgeseling tot het einde van de jaren zestig van de vorige eeuw ook nog voorkwam in het Nederlandse kloosterleven. Hij vroeg mij daarnaar onderzoek te gaan doen.”

In het vooronderzoek werd duidelijk dat zelfgeseling niet op zichzelf stond, maar dat er meer disciplinerende praktijken in de kloosters bestonden. Onderwerp van het promotieonderzoek werd daarom ’versterving’, het doen ’sterven’ van niet alleen het vlees, maar ook de geest. De lichamelijke en psychische versterving had tot doel de wil van de kloosterlingen te breken, ter bevordering van hun spirituele groei.

Bosgraaf stortte zich op katholieke spirituele literatuur, zoals kloostertijdschriften, ascetische handboeken, gedenkboeken van kloosterordes, regels en constituties, kerkrecht en kerkelijke encyclieken. Ook interviewde hij achttien religieuzen, negen mannen en negen vrouwen, die de praktijken van religieuze tuchtiging nog hebben meegemaakt – de jongste is 70, de oudste 92.

„Die interviews waren onmisbaar voor mijn onderzoek, want in de spirituele literatuur kon ik vrijwel geen concrete beschrijvingen vinden van de praktijken van versterving, laat staan persoonlijke ervaringen. Er werd daarin vooral gesproken over de theologische inbedding ervan: de mens is ’gewond’ geraakt door de zondeval. Om de genade te herwinnen, moet de kloosterling streven naar christelijke volmaaktheid, naar godgelijk worden, onder andere door versterving.”

Bosgraaf wijst op de paradox die schuilt in deze ’zelfheiliging’, zoals dit streven ook wordt genoemd. „Door versterving streef je naar volmaaktheid. Sommige kloosterlingen dachten door op deze manier God een dienst te bewijzen, gered te zijn, het heil al te hebben binnengehaald. Maar dat was natuurlijk niet nederig maar eerder hoogmoedig – en hoogmoed was een doodzonde.”

Uit de interviews van Bosgraaf met religieuzen blijkt dat rond de jaren vijftig, zestig in de kloosters nog veel religieuze tuchtmethodes werden toegepast. De lichaamsgerichte omvatten het nachtkoor, de boeteketting, zelfgeseling, het eten van bitterkruid en vasten. Het nachtkoor hield slaaponthouding in, door middenin de nacht te moeten opstaan voor een periode van stil gebed in een vaak onverwarmde kerk.

Over de boeteketting vertelde een uitgetreden redemptorist: ’de cilice, dat zijn kettingen waar punten aan zitten en dat was dan alleen op vrijdag, één om je arm en één om je dijbeen en dat hakte erin natuurlijk. Je had moeite met lopen; iedereen liep mank’. Deze praktijk kwam overigens weinig voor in Nederlandse kloosters.

De – wel wijdverbreide – zelfgeseling vond, afhankelijk van de kloosterorde, plaats in de eigen cel of staande in een kring, maar dan wel met het licht uit. „Soms werden ook boetepsalmen gezongen”, vertelt Bosgraaf. Vooral deze geselpraktijk was voor veel intredende religieuzen een onaangename verrassing, die zij associeerden met heiligen uit de Middeleeuwen, en waarvan ze het bestaan in het toenmalige kloosterleven niet kenden.

Religieuzen die van deze zelfkastijding de spirituele zin niet inzagen, omzeilden dat soms door of heel zachtjes te slaan of juist heel hard, kermende kreten slakend, maar dan wel op hun kussen.

Het eten van bitterkruid (alsem, absint), bedoeld om de smaak van het voedsel te verpesten en zo wellicht vraatzucht – een van de hoofdzonden – tegen te gaan, is Bosgraaf maar bij één gemeenschap tegengekomen.

Vasten deden alle religieuzen, in het bijzonder tijdens de veertigdagentijd en op vrijdag, de lijdensdag.

Van al deze lichamelijke tuchtpraktijken is vandaag alleen nog het nachtkoor bij de trappisten overgebleven, en het vasten, in een gematigde vorm.

Al waren zij destijds zeker verrast door de lichaamskastijding, terugkijkend hadden de Nederlandse religieuzen, paters maar vooral zusters, de meeste moeite met de geestelijke versterving. Deze omvatte het stilzwijgen (silentium), het schuldkapittel, boetedoeningen en de oefeningen in nederigheid, bestaande uit refterpenitenties en noviciaatspraktijken.

Volgens een pater trappist gingen mensen die psychisch niet zo sterk waren ’echt kapot’ door het stilzwijgen. De meest intense vorm was het groot stilzwijgen zonder recreatie, zoals bij de trappisten. In veel andere gemeenschappen mocht er tijdens de recreatie wel worden gesproken. Ook het soms jarenlang contact verbreken met familie na de intrede – een vorm van versterven aan de buitenwereld – werd door veel religieuzen als heel zwaar ervaren.

Het schuldkapittel was een vorm van openbare beschuldiging van overtredingen van leefregels en gebruiken. Het kon gaan om iets onnozels als het breken van een bord of kopje, te laat komen, het verbreken van het stilzwijgen, in de spiegel kijken of onderlinge ruzie.

Een pater passionist vertelde aan Bosgraaf dat de schuldenaar dan moest neerknielen voor de overste en zichzelf moest beschuldigen van bijvoorbeeld het breken van een bord, waarvan hij dan nog een scherf moest laten zien. Het schuldkapittel op zichzelf was al een boetedoening, maar daar kwam meestal nog een penitentie bovenop, zoals het bidden van boetepsalmen.

De refterpenitenties konden ook opgelegd worden zonder dat er sprake was van een overtreding, en konden bestaan uit het kussen van de voeten van je medereligieuzen, een kruisgebed – geknield op de grond met uitgestrekte armen – het bedelen van eten en apart aan een klein tafeltje moeten eten.

Noviciaatspraktijken, die vooral waren gericht op het beproeven van de gelofte van gehoorzaamheid, bestonden uit ’breken van de wil’, door de jong ingetredenen te vernederen en onder de duim te houden.

De geïnterviewde religieuzen kijken met gemengde gevoelens terug op al deze vroegere praktijken: vreemd en merkwaardig, zwaar, moeilijk en hard, belachelijk, flauwekul en absurd, maar ook vanzelfsprekend en gewoon. Bosgraaf: „Ze praten er met humor over en met acceptatie – ’het hoorde erbij, je nam het’. Een enkeling kijkt er serieuzer tegenaan en zag versterving als een vorm van prestatie, als een goed werk, God welgevallig.”

In actieve religieuze gemeenschappen werd vooral in het eenjarige noviciaat, voordat de religieuzen een baan kregen in bijvoorbeeld onderwijs of zorg, veel nadruk gelegd op versterving. In contemplatieve gemeenschappen bleef het min of meer een vast onderdeel van het religieuze leven. Vooral de vrouwen in (semi-)contemplatieve ordes hadden het zwaar, concludeert Bosgraaf. „Veel abdissen en novicenmeesteressen hielden zich strikt aan de richtlijnen, vanuit de klassiek christelijke opvatting dat de vrouw, sinds Eva, meer geneigd is tot zondigheid dan de man. Het vrouwelijke lichaam moest daarom ook meer en strakker worden gedisciplineerd.”

Het waren ook de zustergemeenschappen die over het algemeen het langst doorgingen met lichamelijke en psychische tucht. Soms moesten in het begin van de jaren zeventig, toen de meeste gemeenschappen versterving al hadden afgeschaft, de door het Tweede Vaticaans Concilie verplicht gestelde hervormingskapittels eraan te pas komen om een einde te maken aan deze praktijken.

Maar het was niet dit Concilie dat de afschaffing van versterving inluidde. Uit de kloosters zelf klonk al in de vroege jaren vijftig kritiek – op psychologische, medische en theologische gronden. Bij de eerste twee vormen van kritiek ging het om de relatie tussen versterving en geestelijke en lichamelijke gezondheid in de kloosters. In de theologische kritiek stond het dualisme tussen lichaam en geest centraal.

De negatieve visie op het zondige vlees en de positievere waardering voor de geest maakten plaats voor een mensvisie waarin juist de harmonie tussen lichaam en geest werd beklemtoond. In plaats van ’sterven voor de wereld’ begon men te spreken over het nieuwe ideaal van ’overgave aan de wereld’.

De geïnterviewde religieuzen spreken in dit verband ook over het radicaal veranderde godsbeeld: de straffende, veeleisende God wiens liefde verdiend moest worden door een streng leven vol versterving, werd vervangen door een God van genade en barmhartigheid. In de metafoor van de koppige ’broeder ezel’, zoals de franciscanen het lichaam plachten te noemen, verschoof het accent van ’ezel’ naar ’broeder’.

Het Concilie heeft de al in de kloosters in gang gezette veranderingen op het gebied van versterving officieel geformaliseerd.

Een nieuwe invulling van versterving was bijvoorbeeld het idee van het ’ongezochte kruis’. Sommige geïnterviewden benadrukten dat het gemeenschapsleven waarin religieuzen elkaars onhebbelijkheden moeten dulden, al ’meer dan genoeg’ versterving vroeg. Bosgraaf herinnert zich in dit verband de uitspraak van een pater jezuïet: ’In een huwelijk kies je je partner, in het klooster moet je samenleven met mensen die je niet zelf hebt uitgekozen’.

In de psychologie wordt versterving vaak in het licht gezien van schuldgevoel en zelfbestraffing. Maar volgens Bosgraaf is het idee dat mensen vanuit onbewust schuldgevoel voor het kloosterleven kozen, zodat zij zichzelf konden bestraffen, ver gezocht. „Ze wisten bij hun intrede immers niet precies wat hen te wachten stond; vooral praktijken als zelfgeseling waren onbekend en met geheimzinnigheid omkleed.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden