Review

De trouwe Aeneas

'Je hoeft als dilettant deze vertaling maar aandachtig te lezen om geslagen te worden met bewondering voor een zo groot meesterschap over twee uiteenlopende talen en culturen.'' Classicus Cornelis Verhoeven over de nieuwe vertaling van de 'Aeneis' van Vergilius door M. d'Hane-Scheltema.

Wie het voorrecht heeft gehad een gymnasiale opleiding te genieten, zal aan de naam Vergilius (70-19) en aan de kennismaking met deze 'Vater des Abendlandes' (Theodor Haecker) dierbare herinneringen hebben. Bij die van mijzelf hoort het dat ik even moest wennen aan de voorgeschreven en geprogrammeerde eerbied waarmee wij aan de lectuur van zijn geschriften begonnen. Verplichte bewondering roept al gauw enige weerzin op. Tevoren hadden wij ons verdiept in Ovidius, tegenover wie deze verplichting niet gold en die we dus met onbezwaard gemoed leuk, melig of frivool mochten vinden zonder meteen cultureel fout te zitten. Het is voor mij altijd een genot gebleven zijn speelse en dartele verzen te lezen en kennis te nemen van zijn bijna per ongeluk uitgesproken, maar toch voor de eeuwigheid geformuleerde wijsheden.

Het duurde dan ook even voordat ik van Vergilius op een gepaste manier kon genieten zonder het gevoel te krijgen daarmee een dure plicht van literaire correctheid te vervullen. Pas toen ik er zelf les in mocht geven aan leerlingen van een gymnasium, werd het karwei tot een genoegen en kreeg ik oog voor de manier waarop Vergilius zelf met een geniale ijver de sporen van zijn eigen inspanning uit zijn meesterwerk heeft weggewist. Een paar onvoltooid gebleven regels, bij Ovidius een vrijwel ondenkbaar gegeven, laten op een ontroerende manier zien, hoe conscientieus hij aan zijn opdracht werkte. Maar misschien, kunnen we bedenken, hoort ook het stokken van de kunst bij de superieure klassieke kunst de kunst te verbergen.

Mogelijk voelde de introverte Vergilius ook zelf enige weerzin, toen Augustus, die meende een nazaat van Aeneas te zijn, hem opdracht gaf een nationaal epos voor de Romeinen te vervaardigen, een Latijnse Homerus, en had hij het gevoel tegen zo'n taak met alle ambitieuze politieke bijbedoelingen van de opdrachtgever niet opgewassen te zijn. Dat zijn allemaal dingen die Ovidius zonder enige schaamte uitsprak toen hem een soortgelijke opdracht werd gegeven. Maar ze zijn uit het resultaat, de Aeneis, verdwenen; en wat de lezer bijblijft is oprechte bewondering en een groot aantal prachtige regels die altijd gereed liggen om geciteerd te worden, die daarvoor gemaakt lijken te zijn, en aan het formuleren waarvan de dichter meer voldoening beleefd zal hebben dan aan de obligate beschrijving van bloedige veldslagen. (Hiernaast geef ik daar enkele voorbeelden van in de nieuwe vertaling van M. d'Hane Scheltema.)

Zelf zegt Vergilius, groot bewonderaar van zijn oudere tijdgenoot Lucretius, dichter van een didaktisch werk over aard en ontstaan van de dingen, dat ook hij graag in die wijsgerige trant had willen schrijven, maar dat daarvoor zijn bloed te traag door de aderen stroomde. Een merkwaardige bekentenis is dat en een aardige omkering van de ook toen gangbare en door Lucretius uitgesproken overtuiging dat wijsbegeerte juist een koele aangelegenheid is en zich afspeelt op een veilige afstand van het ware leven. Vergilius zegt dit in de Georgica, het leerdicht over de landbouw waarin hij Lucretius als voorbeeld kiest, een sympathiek gebaar, omdat die als vijand van de traditionele religie werd beschouwd, waarvan Vergilius een trouwe belijder was.

Tot op heden was mijn favoriete vertaling van de Aeneis, behalve misschien de klassieke bewerking van Vondel in rijmende Alexandrijnen, die van de Vlaamse dichter Anton van Wilderode die de eerste zes boeken in mooi lopende zesvoetige jamben heeft omgezet. Ik heb daaruit als leraar dikwijls voorgelezen. In die uitgave irriteerden mij maar een paar regels. Een daarvan was de opmerking in de inleiding dat de boerenzoon Vergilius 'een wat grove en boerse lichaamsbouw' had. Dat zou af te lezen zijn van het befaamde mozaïek waarop de dichter zittend wordt afgebeeld, geflankeerd door twee muzen. Zou er, vroeg ik mijn leerlingen dan, ook een erfelijke notariële lichaamsbouw zijn of typisch adellijke neusvleugels?

Het andere punt heeft meer met de tekst te maken. In het begin van het eerste boek belooft Juno, die vol wrok is tegen de held zoals Poseidon dat is aan het begin van de Odyssee, aan Aeolus, de god van de winden, dat zij hem van de twee maal zeven nimfen die bij haar zijn, de mooiste tot vrouw zal geven, op voorwaarde dat hij een gevaarlijke storm laat ontstaan waarin Aeneas zal omkomen of in elk geval belemmerd naar Italië te varen. 'Bis septem' is uiteraard geen rekensommetje, maar het getal van de volheid en dat nog eens een keer. In de uitgave van Mehler die wij gebruikten, werd aangetekend dat dichters vanwege het metrum soms getallen omschrijven en in factoren splitsen, en dat het dus om veertien nimfen ging. Sommige leerlingen meenden dat dan ook zo te moeten vertalen. Want 2x7=14 of niet soms? Maar veertien is een plat getal en 'bis septem' is heel iets anders, een weelde dubbel op. Tot mijn verbazing vertaalt Van Wilderode 'veertien wondermooie nimfen'. Knap rekenwerk en metrisch dik in orde, maar geen poëzie. Ik heb een keer de brutaliteit gehad de dichter daarop te wijzen en hij won mijn sympathie door zich te generen. Zo'n passage is dus de eerste die ik in een vertaling ga opzoeken. En allicht vind ik dan in de zojuist verschenen meesterlijke vertaling van M. d'Hane-Scheltema, die ook de Metamorfosen van Ovidius en de satiren van Iuvenalis zo mooi vertaald heeft, en niet voor niets de Martinus Nijhoffprijs heeft gekregen, de gave alexandrijn: ,,Ik heb wel tweemaal zeven nimfen van volmaakte schoonheid''.

Alleen al de titel die zij heeft gekozen om 'Aeneis' weer te geven, 'het verhaal van Aeneas', lijkt mij in al zijn eenvoud een vondst. Want het epos van Vergilius is, zoals ook de Odyssee, niet alleen een verhaal over Aeneas, verteld door een ander, maar een groot deel ervan wordt ook door hem zelf verteld aan de Carthaagse koningin Dido die hem meer dan gastvrij ontvangt en wanhopig verliefd wordt op hem. Hij begint in het tweede boek zijn verhaal met de woorden: ,,U laat mij, koningin, opnieuw onzegbaar leed beleven''. En de lezer die ziet dat 'onzegbaar' de vertaling is van het niet puur verbale 'infandum', begrijpt meteen dat hier in het verhaal niet alleen het oude leed ter sprake gebracht zal worden, de verwoesting van Troje en de dood van Priamus, maar dat door de echte en eerste verteller via zijn hoofdpersoon tegelijk ook een nieuw verdriet wordt aangekondigd dat zal uitlopen op de treurige zelfmoord van Dido. En in het verre verschiet ligt de verwoesting van Carthago door de afstammelingen van Aeneas en zijn zoontje Ascanius, die nu Iulus wordt genoemd, om vooruit te wijzen naar het geslacht waaruit Augustus voortkwam.

Het is een genot in dit vanaf zijn verschijnen onmisbare boek te lezen met de Latijnse tekst binnen handbereik en telkens verrast te worden door de vondsten die achteraf heel vanzelfsprekend lijken. Je hoeft als dilettant deze vertaling maar aandachtig in te kijken om geslagen te worden met bewondering voor een zo groot meesterschap over twee uiteenlopende talen en culturen.

Een enkele keer moet de vertaalster voor een onmogelijkheid hebben gestaan. In de tekst komt telkens weer de kwalificatie 'pius' voor Aeneas naar voren, misschien iets minder vaak dan 'pater', maar toch met een opvallende en zeker niet onbedoelde frequentie. Zowel van Wilderode als d'Hane-Scheltema laten 'vader' soms weg, d'Hane ook bij de aankondiging van het verhaal dat Aeneas vertelt. Vondel vertaalt 'pater' - dat bij Vergilius toch wel de bijklank van 'stamvader' en 'stichter' moet hebben - met 'vorst'; en 'pius' is bij hem 'overbraaf'. In deze vertaling is na enig overleg gekozen voor 'edel': woorden als 'braaf', vroom' en zelfs 'trouw' hebben in het hedendaagse taalgebruik inderdaad al gauw een bijklank van onechte deugdzaamheid.

Tot slot permitteer ik mij een opmerking die wel past bij het thema van de boekenweek. Er verschijnen in ons taalgebied tegenwoordig niet alleen opvallend veel vertalingen uit de klassieke literatuur en filosofie, maar ze zijn ook van een opvallend hoge kwaliteit. Wanneer die hausse in vertalingen wordt verklaard vanuit een nieuwe belangstelling voor de oudheid, bedenk ik, dat ook het omgekeerde het geval kan zijn: die vertalingen laten zien dat de antieke literatuur en filosofie boeiend zijn. De Nijhoffprijs gaat dikwijls naar classici. De tijd dat die als wereldvreemde schoolmeesters werden beschouwd die correct en houterig vertalen en dan galmend declameren, kan dankzij vertalers als Van Dooren, d'Hane-Scheltema, Koolschijn en Schrijvers niet meer terugkomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden