Review

De troubadour als gedichtenmachine

Laat ik er maar geen doekjes om winden: Rilke heeft mij geleerd hoe je gedichten moet maken. Even een recept. Eerste regel: je moet leren kijken - hij zegt het in alle toonaarden. Leren kijken met een blik die zich van zichzelf bewust is, maar ook met de ogen van iemand die in voortdurende verbazing verkeert en niet onnadenkend voorbijgaat aan wat hij ziet. Je moet daarbij vooral bescheiden leren zijn tegenover de dingen en de beelden om je heen - hoe priesterlijk Rilke verder ook was. Want de dingen, zo zegt hij in een beroemd gedicht, kijken terug naar jou.

De Sloveense filosoof Slavoj Zizek zegt precies hetzelfde als hij ons iets probeert te leren over de psychoanalytische theorie van Jacques Lacan: de schilderijen van Cézanne kijken terug naar jou. Hoe kunnen dingen nu naar ons terugkijken? Zizek noemt het 'the gaze', de materiële uitstraling van het onbestemde object, dat jou als het ware bijeenveegt tot een bewust mens. Maar deze 'gaze' toont zich pas als we ons oefenen in waarneming.

Tweede regel. Je moet, als je gedichten schrijft, verstrooid en tegelijk geconcentreerd leren denken. Alles is goed genoeg voor een gedicht. Het is de kracht van de metamorfose in woorden die het hem doet, en die kan alleen ontstaan als je je verdiept in het volkomen 'anders' zijn van de wereld om je heen.

Maar in gedachten moet je er altijd mee bezig zijn. Je toewijding moet onverbiddelijk zijn, anders lukt het niet op die ene, vanzelfsprekende manier die je zo moeilijk op het spoor kunt komen. Je moet opschrijfboekjes bij de hand hebben, overal en altijd. Je moet kunnen wachten tot twee als schets bedoelde fragmenten, soms jaren later, naar elkaar toe schieten en een verband gaan vormen voor een perfect uitgebalanceerd gedicht - omdat er ook in je leven en dus in je manier van kijken iets veranderd kan zijn. Je moet de woorden wantrouwen en je moet ze ten volle vertrouwen. (Verder, voor wie het zou willen proberen: Rilke wandelde veel, sliep zeer lang en was een voortreffelijke kok).

Deze overgevoelige jongen uit een Praags burgerlijk milieu, een beetje snoeverig en tegelijk hysterisch als adolescent, onttrok zich aan zijn roots, en trok naar Parijs. Daar leerde hij Rodin kennen - een man die in alles het tegenovergestelde was. Deze norse, supermannelijke gigant, deze stuurs zwijgende kolos, maakte op de gevoelige Rilke een onuitwisbare indruk.

Rodin zelf zag in hem een getalenteerde jongen, maar ook een aanstellerige kneus. Het kwam tot een breuk tussen beiden, maar Rilke had het belangrijkste geleerd in de maanden dat hij Rodin zag werken. 'Altijd zul je werken', werd zijn devies, zoals hij het van Rodin had gehoord. En hij schreef een van retoriek bol staand, maar tegelijk haarscherpe observaties bevattend opstel over de beelden van Rodin.

Daar ontplooit Rilke voor het eerst ten volle dat grote talent dat hij in zich had: om dingen zo met elkaar te associëren dat een hele geschiedenis aan kunstvoorwerpen, gezichten en situaties samenkwamen in één beeld. Rilke's gedichten zijn die van iemand die schilder had kunnen zijn en doordat hij het niet was, een van de grootste dichters van onze eeuw werd - volgens steeds meer mensen zelfs een van de grootste dichters die ooit hebben geleefd.

Een periode van zijn leven bracht hij trouwens tussen schilders door, in de kunstenaarskolonie Worpswede, waar hij ook zijn vrouw leerde kennen, Clara Westhoff - die schilderde. Later zou hij haar weer verlaten, net zoals al zijn latere, talrijke minnaressen. Hij trok rond door Europa, woonde zo'n beetje overal, en leefde alleen voor het schrijven van gedichten.

De laatste troubadour. Rilke wist zich vooral te verzekeren van de vriendschap van een aantal notoire aristocraten, op wier landgoederen hij vaak te gast was, daar prachtige werkkamers te zijner beschikking kreeg en in een afwisseling van perioden van grote exaltatie en diepe depressie zijn vaak indrukwekkende maar al evenzeer van grote schranderheid getuigende gedichten schreef.

Rilke's poëzie, het is al vaker gezegd, wortelt in een onvoorstelbaar complexe genealogie: van de middeleeuwse Provençaaalse troubadours over de hele Duitse filosofische lyriek tot en met de hardere, moderne lyriek van zijn eigen tijd. Als je veel gedichten van Rilke leest, zie je een brug tussen Petrarca en Paul Celan. Dat is op zich ongelooflijk, en het maakt een niet gering deel uit van zijn genie om dat alles in zijn persoonlijke evolutie te hebben kunnen vatten.

Zoals het met alle dichters is die een veelzijdig oeuvre hebben nagelaten, heeft Rilke zo zijn elkaar bestrijdende lezersclubs. De enen vinden de 'Neue Gedichte', de meer dan tweehonderd gedichten omvattende dubbele bundel die hij in de periode na de kennismaking met Rodin schreef, het hoogtepunt. Ze voeren aan dat deze gedichten de rijkste bundel uit het Europese modernisme vormen. Simon Vestdijk behoort tot de kenners die deze gedichten als de kern van Rilke's werk beschouwen.

Men noemt deze gedichten meestal Dinggedichte. Niet alleen gingen ze zo diep mogelijk tot op het bot van een gedachte of een beeld, ze werden zelf een soort ondoordringbaar ding, hard gemaakt, gemonteerd en geboetseerd. Het 'Ding-gedicht' is een gedicht dat niet spreekt vanuit de subject-positie van de dichter, maar vanuit het object dat hij bekijkt - een katedraal, een scarabee, een wandtapijt, een antiek beeld, twee vechtende jongens, een roos, een paadje in een tuin. Het roept bijna tastbaar het bestaan van dat voorwerp op, als het ware vanuit de verzonken diepte van het ding zelf.

Daarom kon Rilke zeggen dat de dingen naar hem terugkeken: hij probeerde binnen te dringen in hun bestaan, in datgene waarvan de filosoof Immanuel Kant had gezegd dat het ondoordringbaar is voor het menselijk verstand.

Andere lezers beweren echter dat Rilke in de door hemzelf met veel gevoel voor vertoon geopenbaarde 'Elegien' het hoogtepunt van zijn kunnen had bereikt. De 'Duineser Elegien', die Rilke zelf als een moderne tegenhanger voor Hölderlins grote elegieën zag, vormen een mengeling van vaag animistische, existentialistische en mystieke componenten. Weer anderen vinden dat Rilke zichzelf overtreft in de grote verzameling virtuoze sonnetten, de 'Sonnetten aan Orpheus', die hij in één geut schreef ten tijde van de 'Elegien', een soort 'bijproduct' waarin hij halsbrekende toeren uithaalt met alle mogelijke taalniveaus die de poëzie te bieden heeft.

En er bestaan ook nog steeds romantische lezers die ijl in het hoofd worden van de zeer lijvige bundels van de vroege Rilke, waarvan het 'Stundenbuch', met zijn zo makkelijk vloeiende, zwaar mystiek aangezette en al even verbluffende beelden een schatkamer aan meditatief materiaal bevat.

Al deze Rilke-lezers kijken een beetje meewarig naar elkaar, in de stellige overtuiging dat zij de Enige Ware Rilke begrijpen.

Maar Rilke is nog veel meer dan 'de som van al deze misverstanden' (dit laatste zijn eigen definitie van beroemdheid). Hij is de auteur van een van de eerste grote modernistische romans, 'De aantekeningen van Malte Laurids Brigge', nog altijd een van de meest verbazingwekkende stukken proza uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en van een even vernieuwende, zij het minder spectaculaire kracht als Joyce's 'Ulysses' en Prousts 'Recherche'.

Verder heeft hij in de laatste jaren van zijn leven een bundel verrassende Franse gedichten geschreven. Hij was bovendien een voortreffelijk vertaler, die bijvoorbeeld werk van Paul Valéry vertaalde, en een erudiet essayist. En vooral heeft hij een onoverzienbaar aantal andere gedichten geschreven die niet in de beroemde bundels staan, en die vaak al even verbluffend waren.

Het verzameld werk met de volledige editie van alle door hem geproduceerde teksten bevat twaalf delen van gemiddeld vierhonderd pagina's. Het overgrote deel daarvan bestaat uit gedichten. Om maar iets te zeggen. Rilke was een gedichtenmachine. Goot je een vage indruk, een kopje koffie bij het ontbijt, een vergezicht, een vrijpartij, een lichtvlek, een geluid, de smaak van een sinaasappel, de schim van een oudere vrouw op een balkon, een flard muziek of een vergeten naam in zijn bewustzijn naar binnen: het kwam eruit als een gedicht.

Nadat Rilke bejubeld was geworden, met zijn gedicht over een van zijn vermeende adellijke voorvaders, het zelfs had gepresteerd om van een dichtbundel één miljoen exemplaren te laten verkopen, verdween hij na de Tweede Wereldoorlog naar de achtergrond, en was zelfs een tiental jaar volkomen uit de mode. Het dieptepunt lag in de jaren zestig, toen sommige Duitsers zo politiek correct wilden zijn dat ze Rilke een cryptofascist noemden, een tamelijk debiele gedachte.

Toen men in 1976 zijn honderdste geboortedag vierde, ging dat aan de Heinrich Böll en Günter Grass lezende generatie volkomen voorbij. Vanaf begin jaren tachtig is zijn werk aan een comeback begonnen, en inmiddels is hij helemaal terug, als een van de grote klassiekers van de modernistische literatuur van de eerste helft van de eeuw.

In ons taalgebied heeft vooral C. O. Jellema baanbrekend vertaalwerk verricht (waarmee ik het vaak niet eens was: hij koos steevast voor oplossingen met rijmdwang en verloor zo geregeld de prachtige regelopbouw van Rilke uit het oog). 'De sonnetten aan Orpheus', de 'Elegieën van Duino' en een selectie late gedichten waren al een hele tijd verkrijgbaar in tweetalige uitgaven met commentaar, verschenen bij Ambo. Vorig jaar bracht deze uitgeverij de 'Sonnetten aan Orpheus' en de 'Elegieën' in één gebonden band opnieuw uit. Paul Claes vertaalde 'De Kornet' (uitgeverij Kritak), en Peter Verstegen begon bescheiden in 1986 met een dun bundeltje met vierentwintig gedichten, waaronder enkele uit de 'Neue Gedichte'.

Vorig jaar bracht Van Oorschot dan, in een zeer degelijke vertaling van Peter Verstegen, prachtig uitgegeven en uitvoerig geannoteerd, het eerste deel van de 'Neue Gedichte'. Dit voorjaar is daar het al even fraaie 'andere deel' op gevolgd, zodat we in ons taalgebied eindelijk over een volledige vertaling van alle belangrijkste bundels beschikken.

In 1995 publiceerde Paul Claes een beperkte selectie uit de 'Neue Gedichte', vergezeld van een soort werkvertalingen en op zijn minst opzienbarend te noemen commentaren en interpretaties ('Raadsels van Rilke'). De 'Neue Gedichte' stikken letterlijk van de verwijzingen naar de klassieke cultuur, en Claes heeft voor heel wat onverklaarde passages zeer aannemelijke, zij het soms al even verbluffende, verklaringen gevonden. Dat ze gezag hebben, blijkt onder meer uit het feit dat Verstegen in zijn commentaren geregeld naar Claes verwijst - hoewel hij hier en daar laat voelen dat hij zelf niet zo voortvarend durft te interpreteren.

Ik heb altijd al gevonden dat een taalgebied dat de grote dichters, auteurs en filosofen uit de wereldliteratuur niet in zijn eigen taal kan lezen, geen echte beschaving heeft. Het is in ons taalgebied dan ook lang triest geweest op dat gebied. De laatste jaren zijn uitgevers echter werk aan het maken van coherente, prestigieuze en mooi vormgegeven uitgaven. Er blijkt in elk geval een markt te bestaan voor deze vaak dure boeken: de nieuwe Borges-, Trakl- en Nietzsche-uitgaven (ook gebonden) bewijzen het.

Met de voor het overgrote deel knap vertaalde en uitvoerig gecommentarieerde 'Neue Gedichte' van Rilke hebben we er in elk geval een stuk internationale beschaving bij. In het essay 'Over de dichter' zegt Verstegen, dat we voor de dichter maar één plaats moeten inruimen in de gemeenschap - die van de mens die contact heeft met wat ons niet vertrouwd is, met wat zich verder af bevindt - ja, 'zum Weitesten'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden