De trots van de Groningse jonkers

Twintig jaar zat de dienstmeid opgesloten in de tuin van landgoed Nienoord te Leek. Voor straf moest ze met tropische schelpen, brokken marmer en koraal de theekoepel versieren. Toen ze eindelijk vrijkwam zag ze zichzelf in een vijver en schrok zo van haar uitgemergelde gelaat dat ze in het water sprong en verdronk.

Of dit waar is? In elk geval beschikt Nienoord over de enige 'schelpengrot' in het land, afgezien van een grotje binnen de muren van Paleis Het Loo. Het is een van de pronkstukken van een overzichtstentoonstelling over de historie van de Groninger borgen, getiteld 'adellijke trots in de Ommelanden'.

Dat 'adellijk' moet slaan op de aspiraties van de voormalige borgeigenaren, want echte adel heeft het noorden niet gekend. Edelmannen kregen in Groningen en Friesland geen voet aan de grond. De machtigen en welgestelden, dat waren hier de 'jonkers', de titel voor de heren van het platteland.

Hoe zij woonden en plezier maakten is de komende maanden te zien in de Menkemaborg in Uithuizen, borg Verhildersum in Leens, landgoed Nienoord in Leek en in de Fraeylemaborg te Slochteren, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Groninger Borgen Stichting.

Vermoedelijk telde de provincie ooit zo'n tweehonderd borgen. Rond de veertiende eeuw had elk dorp of gehucht er een. Maar dat waren nog niet de prachtige panden van nu. Bijna alle borgen zijn begonnen als steenhuizen, verdedigingswerken van steen. Ze stonden op een ophoging op het land van rijke boeren die heerlijke rechten hadden en actief waren in waterschapsbesturen en in de rechtspraak.

In de steenhuizen van ongeveer elf bij acht meter was het niet erg comfortabel toeven. Koude, donkere holen waren het. Als het even kon bleef men er dan ook niet langer dan een paar dagen. In de vijftiende eeuw verloren de voorlopers van de huidige borgen hun nut. De muren waren weliswaar ten minste een meter dik, maar met een beetje kanon schoot men daar dwars doorheen. Er werden woningen naast gebouwd. Dit kon ook de houten boerenwoning zijn, die met stenen werd bekleed. Grachten en singels moesten voortaan de vijand weren.

In de zestiende eeuw -een roerige tijd waarin Groningen onder extern gezag kwam- sneuvelden tientallen borgen. Bij bosjes brandden ze af. Maar een groot aantal werd ook weer opgebouwd en onder invloed van de Renaissance kregen ze het karakter van mooie woonhuizen.

De eigenaren, die nog steeds een sterke agarische binding hadden, hielden er dezelfde leefstijl op na als de adel uit de omgeving, door wie ze intussen als gelijken werden erkend. Overigens wist een enkeling voor veel geld een échte adellijke titel te bemachtigen.

Rondom de Reformatie was het opnieuw onrustig in de Ommelanden. De borgen die zich staande hielden werden in de zeventiende eeuw steeds imposantere buitenplaatsen. Aan inrichting en tuinen werd veel zorg besteed. Tegelijk verdwenen er nogal wat borgen die overtollig waren geworden doordat de diverse jonkersfamilies onderling druk trouwden. Ondertussen bezaten de landheren vaak ook een riant optrekje in de stad. Aangezien ze steeds meer bij het openbaar bestuur betrokken raakten, moesten ze daar vaak zijn en in de winter was het er niet zo koud en saai als op het platteland.

De heren en hun partners troffen elkaar onder meer in de Stadsschouwburg en in de Martinikerk. In de uitbundig versierde huizen ontving men visite. Het Groninger Museum biedt als aanvulling op de expositie in de vier borgen een zeer karige impressie van dit relatief onbekende aspect van het jonkersbestaan.

In de Franse tijd raakten de borgheren hun bijzondere rechten kwijt. Menigeen moest toen in de stad op zoek naar een baan. Dat verklaart waarom er in de negentiende eeuw wederom veel borgen ten onder gingen. Maar begin twintigste eeuw was botweg slopen niet langer bon ton. Uiteindelijk bleven er in de provincie zestien panden over, waaronder minder bekende als Rusthoven in Wirdum, de Allersmaborg in Ezinge en Ekestein in Appingedam.

De in 1977 opgerichte borgenstichting heeft er drie in eigendom en is nauw betrokken bij het beheer van negen andere. Vier hebben tegenwoordig een museale functie maar er zijn er ook die dienstdoen als restaurant, atelier of hotelletje.

De stichting noemt de voormalige buitenplaatsen van de Groninger jonkers ook wel 'kastelen' en hun onderkomens in de stad 'stadspaleizen'. Dat is een beetje overdreven want hoewel stuk voor stuk een lust voor het oog, zijn ze niet allemaal even imponerend of weelderig.

In het koetshuis van Verhildersum staat gedurende de jubileumtentoonstelling de bouwgeschiedenis centraal. Daar is hoe het steenhuis werd uitgebreid tot woning en daarna tot buitenverblijf. Dat gebeurde op zoveel verschillende manieren dat elke borg een geheel eigen sfeer ademt: de witte, met een rank torentje getooide Fraeylemaborg past in een sprookje. Piloersema in Den Ham straalt ongedwongenheid uit, de statige Ennemaborg in Midwolda juist afstandelijkheid en Nienoord is een echte Victoriaanse villa met ridderzaal.

In deze laatste borg is de vrije tijd van de landjonkers het thema van een vandaag geopende tentoonstelling. Voor het eerst wordt aan dit onderwerp aandacht geschonken. Op een typisch Groningse wijze van ontspannen heeft men de Ommelander heren evenwel niet kunnen betrappen. Zij recreëerden zoals de adel overal recreëerde. De bloederige valkenjacht was -ook onder dames- een geliefd tijdverdrijf. Te zien zijn bijvoorbeeld secuur geborduurde kapjes die de ogen van de vogels bedekten alvorens zij werden losgelaten op het waterwild.

Op het landgoed werd verder eindeloos gezwierd in de door Herman Collenius beschilderde balzaal, theegeslurpt in de siertuin en rondgetoerd per koets. Voor de kinderen waren er bokkenwagentjes, om mee te oefenen. Jong en oud kunnen op Nienoord, waar ook het nationaal rijtuigmuseum is gevestigd, tijdens speciale evenementen zelf beleven wat adellijke recreatie inhield.

En dan zijn er nog de de tuinen. Hieraan is in Slochteren een expositie gewijd. Rond 1700 -over de jaren daarvoor is weinig bekend- beginnen de jonkers in navolging van de Hollandse adel hun borgen te verfraaien. Met bijgebouwen, poorten, torens, singels, siertuinen, groente- en kruidentuinen en complete parken. Eerst zijn de sier- en kruidentuinen onderdeel van een formeel ontwerp, met symmetrische vlakken, rozentunnels, perenberceaus, een fruithof en een doolhof. De tuin van de Menkemaborg is er een schoolvoorbeeld van. Na 1800 krijgt de romantische Engelse landschapsstijl de overhand. Het park bij de Fraeylemaborg in Slochteren is een mix van beide stijlen en zo groot dat je er een klein uur kunt ronddwalen.

Wie een idee wil krijgen van de zeventiende- en achttiende-eeuwse deftige interieurs van de borgen moet in de Menkemaborg zijn. Daar zijn ook spullen te vinden uit afgebroken borgen. Zoals een kristallen kroonluchter en spiegels uit borg Ewsum, en een set stoelen plus behang van borg Dijksterhuis.

Ook het staatsieledikant van de Menkemaborg is een blikvanger, zeker na de restauratie die vijftien jaar in beslag nam. Het werd als kraambed gebruikt en Willem III heeft er ook in gelegen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden