De tranen van mijn dochter

Verkopen gaat gepaard met verlies, schrijft Coen Simon. Hij verkocht een walkman aan zijn broer en verknoeide zo hun 'harmonieuze onschuld'.

Op mijn dertiende verkocht ik, op de fiets op weg naar school, mijn walkman aan mijn twee jaar oudere broer. Ik reed met twee vrienden op kop van de groep waarmee we dagelijks naar de stad fietsten, mijn broer reed een paar fietsen daarachter.

De donkerblauwe Sony-walkman was mijn eerste bezit geweest dat ik van eigen spaargeld had gekocht. Het was de begintijd van de walkman, dus het was een joekel van een ding. Er gingen vier batterijen in, er zat een zwarte schouderband aan, en ook nog een clip die je achter je broekriem kon schuiven. Ik gebruikte de bevestigingen allebei als ik ermee op mijn skate-board stond.

In de jaren die volgden onderging het design van de walkman een voor de hand liggende metamorfose, hij werd kleiner. Hoe beter het ding te verbergen was, hoe gewilder het werd. De walkman werd niet alleen kleiner, compacter, ronder, gladder en lichter, het kreeg bovendien een zogenaamd autoreversesysteem, zodat je de cassettespeler ook niet meer uit je binnenzak hoefde te halen om het bandje om te draaien. Ik ging dolgraag met deze mode mee, maar ik had behalve zakgeld nog geen inkomen.

Het was dan ook evenveel een wanhoopspoging als een grap toen ik me halverwege de Hallsedijk omdraaide op mijn fiets en riep dat ik een walkman in de aanbieding had. Er werden wat grappen teruggeroepen totdat de stem van mijn broer klonk: "Wat wil je ervoor hebben?"

Ik wierp een blik over mijn schouder en wist nog niet zeker of hij het meende, maar voor de zekerheid zette ik hoog in. Het bieden begon. De anderen zwegen terwijl wij het afdingen naspeelden dat we van onze ouders hadden afgekeken, op de markt en bij venduties - zoals mijn moeder antiekveilingen noemde. Ik wist nog altijd niet helemaal zeker of mijn broer het meende, toen de onderhandeling bij zeventig gulden stokte. Hier werd het spel blijkbaar ernstig. Ik acteerde verontwaardiging en keerde me zo laconiek mogelijk weer naar de vrienden naast me. Mijn broer bleef stil.

Ik voelde spijt. Ik had er honderd gulden voor willen hebben omdat ik wist dat ik anders nog weken moest sparen voor de nieuwe Sony, maar door deze gretigheid had ik nu helemaal niks. Zomaar zeventig gulden door mijn vingers laten glippen.

We verlieten de Hallsedijk. Iedereen praatte alweer door elkaar. Ik dacht net dat het moment van handel definitief voorbij was toen ik opnieuw mijn broer achter me hoorde.

"Negentig, laatste bod."

Het was een grote sprong ineens. En door de onverwachte herziening van het lot besloot ik niet te dralen. Ik kneep in mijn rem en liet me langszij zakken. "Verkocht", zei ik met uitgestoken hand. Hij klapte erop.

Negentig gulden was meer dan de helft van de prijs die ik er drie jaar eerder voor had betaald. Ik had nog niet veel benul van inflatie, waardevermindering, prijselasticiteit of welk begrip dan ook uit de markteconomie.

Maar ik voelde wel dat dit een goeie deal was. Toch was mijn euforie van korte duur. Voor we de stad hadden bereikt knaagde er aan mijn geluk een steeds sterker wordend schuldgevoel.

Ook al hadden we volgens mij eerlijk en in het openbaar gehandeld, en verkocht ik mijn broer geen troep, niet eerder had er tussen hem en mij een financiële transactie gestaan. Tot dan toe hadden we alleen dingen geruild en gedeeld, maar nooit had ik geld verdiend aan goederen die voor mijn gevoel ook een beetje van de familie waren. Daar kwam nog bij dat ik de walkman niet had verdiend, maar gespaard met het zakgeld dat ik zomaar iedere maandag kreeg van mijn ouders. Voor mijn gevoel verdiende ik nu dus geld met geld van een ander.

Als ik eraan terugdenk komt de gebeurtenis me wat onbenullig voor, maar ik herinner me nog goed dat ik toen het gevoel had dat ik iets voor altijd had verpest. Alsof we tot dan toe in een harmonieuze onschuld hadden geleefd, die door een stom spelletje te spelen ineens voorgoed voorbij was. Het idee dat ik een te hoge prijs had gevraagd maakte het allemaal nog veel zondiger.

Strikt genomen is handel de overdracht van bezit. Dat deze bezitsoverdracht bij ruilhandel belast is met gevoelens van spijt, schuld en schaamte is niet zo gek gezien het feit dat ruilen per definitie alleen kan worden voltrokken tussen twee verschillende goederen of diensten. Ruilen is altijd een opgave. Je bent iets helemaal kwijt, een ding of de tijd die je niet meer anders kunt besteden. Kinderen beseffen dat doorgaans te laat. En dan komt van ruilen huilen. Maar het overdragen van bezit in een monetair systeem lijkt de opgave die we doen bij een ruil in zekere zin te compenseren. De gebruikswaarde van een bezit wordt vervangen door een vergelijkbare potentiële waarde, uitgedrukt in een symbool, geld dus.

Iedereen weet dat deze uitwisseling van reële en potentiële waarde een hachelijk spel is, omdat het lastig is vast te stellen of de symbolische waarde de werkelijke waarde dekt. Wat een bezit voor alleen mij persoonlijk betekent is al lastig te kwantificeren, laat staan dat we deze waardering ook nog zouden moeten vergelijken met de waarderingen van ieder ander.

De wereld van waarden zweeft volgens geldfilosoof Georg Simmel als een parallel universum boven onze wereld van waren. We gaan er stilzwijgend van uit dat het mogelijk moet zijn om de symbolische en reële waarde zo te laten samenvallen dat ze tegen elkaar kunnen worden weggestreept. Een misleidend idee. Tijd is geld, maar geld is geen tijd natuurlijk. Er gaat bij iedere handel altijd iets verloren, zelfs als we er financieel niet slechter van worden.

Zo kreeg ik van onze garage bij de aanschaf van een occasion eens een fikse inruilkorting voor ons afgekeurde Peugeootje. Toen we een paar dagen later op weg naar zwemles de garage passeerden remde ik even en wees mijn dochter op onze oude 106 die achter twee vreemde auto's in een hoekje stond geparkeerd. "Zwaai nog maar even", zei ik voor de grap. Maar in mijn binnenspiegel zag ik de tranen in haar ogen springen. Toen ik uitlegde dat het niet anders kon, omdat de auto van de politie niet meer de weg op mocht, merkte ik aan het klemmende gevoel op mijn adamsappel dat ook ik wist dat de tijd die we in deze auto hadden doorgebracht voorgoed verdwenen was. Niet een ding, maar een hele wereld.

De tranen van mijn dochter symboliseren het verlies dat met iedere koop gepaard gaat. Een verlies dat eigen is aan bezit. Want wat houdt het eigenlijk in iets te bezitten? Ik had me dat denk ik pas voor het eerst afgevraagd toen ik de koop van mijn walkman net had gesloten. De koop waaraan ik, zoals gezegd, voor mijn gevoel, onverdiend verdiende. Dat lijkt een woordenkwestie, maar aan het ongemak moet ik gevoeld hebben dat de morele en economische betekenissen van de term 'verdienen' elkaar ergens overlappen.

Al overheersten mijn schuldgevoelens, hoe ik ook piekerde, ik kon niet bedenken wat ik fout had gedaan, waar ik schuld aan had. Ik schaamde me ervoor dat ik mijn broer en mij in deze situatie had gebracht, maar ik zag ook geen reden waarom ik het de volgende keer niet weer zou doen, tenzij het was om me niet meer te hoeven schamen.

Wat ik toen nog niet bedacht, was dat voor alles wat we verdienen geldt dat we het nooit alleen maar aan onszelf te danken hebben. Terwijl ik zocht naar een eigen tekortkoming die mijn schaamte voor deze aankoop kon verklaren, wees de schaamte die ik voelde op een tekort van een andere orde, een tekort dat geen mens kan compenseren: de verlegenheid over de vraag wat ons toekomt en wat niet, de vraag in hoeverre we ons bezit verdienen, wanneer de wereld van ons is en wanneer wij van haar zijn.

Niemand beschikt ondubbelzinnig over zijn kapitaal - over zijn geld noch over zijn bezit, over zijn lichaam noch over zijn geest. Wat we hebben, verdienen we natuurlijk niet zonder meer. Zelfs dat wat we volkomen eigenhandig bij elkaar hebben verdiend hebben we nog altijd te danken aan de juiste omstandigheden en de talenten die we meekregen bij onze geboorte.

Door de nadruk die er in onze tijd wordt gelegd op eigen verantwoordelijkheid, autonomie en authenticiteit dreigen we te vergeten dat we uiteindelijk natuurlijk niet onze eigen schepper kunnen zijn. En dat we voordat we überhaupt iets kunnen verdienen, al iets moeten hebben, een bezit waarvan we niet kunnen zeggen dat we het ook verdienen te bezitten. Kortom, vóór iedere verdienste, of deze nu van morele of van financiële aard is, is ons al van alles toegekomen - zomaar uit het niets. Dat lijkt een triviale vaststelling, maar feitelijk is dit 'niets' bepalend voor al onze morele uitspraken en voor al onze waarheidsclaims.

Want wie niet weet wat hem toekomt weet nooit definitief waarvoor hij verantwoordelijk is, en wie niet weet waar de wereld begint en hijzelf ophoudt (dat wil zeggen wat hem eigen is en wat niet), die kan nooit met zekerheid vaststellen of zijn waarheid dezelfde is als de waarheid waarin de rest van de wereld leeft.

Het ontbreken van een beginpunt is cruciaal voor het denken en het doen van de mens. Het is een tekort dat we niet als een gepasseerd station achter ons kunnen laten, al is die neiging nog zo groot. Want het lijkt onzinnig om ergens bij stil te staan waarvan we met zekerheid kunnen vaststellen dat we er nooit iets over te weten komen, maar er is natuurlijk een groot verschil tussen iets niet weten omdat het je niet is verteld en iets niet weten omdat de logica dat niet toestaat. 'Wat was er voordat er iets was?' is een vraag die we niet kunnen beantwoorden, maar die we ook niet naast ons neer kunnen leggen. Wat we niet kunnen weten zegt altijd iets over ons, over wat het betekent om mens te zijn.

En zo voelde ik op de fiets naar school, beschaamd na de verkoop van mijn oude walkman, wat het betekent om mens te zijn. Ik kon me schuldig voelen zonder te weten waaraan. Ik had verdiend, maar ik kon niet bepalen of ik dit zogezegd verdiende, of dit mij eerlijk toekwam. Vanwege mijn behoefte eerlijke handel te drijven werd ik er juist mee geconfronteerd dat voor juiste verdeling een grond nodig is die de mens ontbeert. Voor eerlijke handel zouden we boven onszelf moeten kunnen uitstijgen om objectief van alles de waarde te bepalen.

Die avond klopte ik op de kamerdeur van mijn broer. Het was de kamer die we gedeeld hadden tot hij twee jaar voor mij naar de middelbare school ging. Met alleen een bureaulamp aan zat hij aan zijn tafel achter een opgeslagen boek en een schriftje. Hij boog weg van het licht om me te kunnen zien. Toen schoof ik de doos in het licht van de bureaulamp voor hem op tafel. Ik had alles zo netjes mogelijk op zijn oorspronkelijke plek terug in het piepschuim geschoven. "Die is nu van jou", zei ik.

Hij schoof in een ruk met stoel en al naar achteren en liep naar de klerenkast in de hoek van de kamer. Vanaf het plankje waar ooit mijn kleren hadden gelegen greep hij het blikken kluisje met Dagobert Duck erop. Ik had zo'n spaarpot ook gehad, maar die van mij was allang kapot. Hij knalde het blik op tafel, pakte het papiergeld dat hij met zijn werk bij het tankstation had verdiend, en begon te tellen. Toen ik dat zag voelde ik me even wat minder schuldig. Ik bedacht dat de aankoop voor hem niet zo groot was als de verkoop voor mij.

Er was niets onzekers meer aan hem te zien. Integendeel, uit het gemak waarmee de transactie nu plaatsvond leidde ik af dat het goed was zo. Hij verdiende dit snel genoeg weer terug.

"Negentig", zei hij met een uitgestoken hand vol briefjes. Ik pakte het papier aan alsof het een gift was. Ook al hoefde ik me niet meer schuldig te voelen over de prijs, want die kon hij gemakkelijk betalen, ik besefte dat ik toch nog bij hem in het krijt stond.

Dit essay is een bewerkt hoofdstuk uit Coen Simons boek 'Schuldgevoel. Over de behoefte aan dingen die we niet nodig hebben', dat vandaag verschijnt bij uitgeverij Ambo/Anthos, Amsterdam.

In april geeft Simon lezingen in boekhandels en bibliotheken. www.coensimon.nl

Coen Simon is filosoof. Hij publiceert regelmatig in Letter & Geest en elders. In 2012 won hij de Socrates Wisselbeker voor het beste filosofieboek met 'En toen wisten we alles'.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden