De tragische Juliana

(\N) Beeld
(\N)

Door het huwelijk van Juliana en Bernhard liep een kloof van emotie versus ratio. De commissie-Beel koos in 1956 de zijde van de ratio; in zijn boek geeft Cees Fasseur de prins ook het volle pond. Het slachtoffer heet Juliana.

Jan Kuijk

Langzaam en met veel begrip voor drama voert Cees Fasseur in zijn dubbelbiografie van koningin Juliana en prins Bernhard de lezers naar wat zijn uitgever als de grote verrassing had aangekondigd: het meer dan vijftig jaar geheim gehouden rapport, waarmee de commissie-Beel in 1956 een oplossing forceerde in wat zich toen liet aanzien als een shakespeariaans koningsdrama op paleis Soestdijk.

Maar tegen het einde van het boek worden de lezers (twee keer zelfs) gewaarschuwd voor een anticlimax. Het eindigt niet als de koningsdrama’s waaraan het schouwburgpubliek gewend is. Een blijspel wordt het zeker niet, maar toch, om Shakespeare te citeren: All’s well that ends well - door Burgerdijk kort en krachtig vertaald als: Eind goed, al goed.

Wie de geschiedenis na 1956 een beetje heeft gevolgd, zal daar niet van opkijken, maar wie niet opziet tegen gedetailleerde en met veel personen gestoffeerde verhalen (als bijlage zijn er drie pagina’s met alleen de namen van hoofd- en bijfiguren) moet zich dit boek niet laten ontgaan. Fasseurs persoonlijke aanpak herinnert er ons aan dat geschiedenis de enige wetenschap met een muze is; dat in elk geval hoort te zijn. Hij is royaal in het afwegen van goed of kwaad en in zijn oordeel over de vele hoofdrolspelers. Toch blijft de toon zakelijk, met als dat zo uitkomt – en dat is gelukkig vaak – een afstandelijke ironie.

Bovendien is zijn boek een goudmijn voor liefhebbers van nutteloze kennis, mensen die er bijvoorbeeld prijs op stellen te weten dat prins Bernhard tijdens de pinkstervakantie in 1936 op paleis Het Loo tot de Nederlandse cultuur werd ingeleid door wat spelletjes sjoelen met zijn aanstaande schoonmoeder; eerder had hij nog geïnformeerd of hij alleen zijn smoking moest meenemen of ook zijn rok.

Het is ook wijs boek en dat zeg ik niet omdat prins Bernhard er in het oordeel over zijn rol in de Hofmans-affaire zo genadig afkomt. Fasseur weegt alle voors en tegens mooi af, maar hij is hier niet alleen historicus. Hij heeft ook ervaring met de rechtspraktijk en dat blijkt. De rol van de prins, die alle moeilijkheden in het paleis zelf naar buiten bracht door bewust te kleppen tegen bevriende buitenlandse journalisten, deugt moreel gezien natuurlijk niet en evenmin dat hij zijn rol glashard bleef ontkennen. „De prins nam het niet zo erg met de waarheid”, luidt Fasseurs understatement.

Maar gezien de afloop wordt de historicus (die toen hij schreef die afloop kende) een pragmaticus. Het conflict was al lang niet meer beperkt tot één familie, maar kreeg ook staatsrechtelijke consequenties en zat, omdat iedereen omwille van het geheim van Soestdijk moest zwijgen, muurvast. Die impasse doorbrak Bernhard met zijn indiscreties en daarom krijgt hij in Fasseurs afweging het volle pond.

Het grootste slachtoffer in deze eindfase is koningin Juliana, die door de conclusies van het rapport van de commissie-Beel van haar persoonlijke en vertrouwde staf op het paleis wordt beroofd en gedwongen is afscheid te nemen van haar vriendenkring uit Baarn, waarin Greet Hofmans langzamerhand was opgenomen – de vrouw met wie het allemaal begonnen was toen zij zich in 1948 als ‘een boze fee aan het paleishek had gemeld en zich niet liet verjagen’, zoals Fasseur het onheilspellend formuleert. Het is de tijd van de koude oorlog, de politieke controverse tussen Oost en West, waarbij het communisme zich bediende van ’louche proffen en humane heren/die onze weerstand zalvend wegmasseren’, zoals Simon Carmiggelt – een sociaal-democraat-met-haar-op-de-tanden – in die dagen in een hekeldicht vast legde. Wie het in één zin samengevat wil lezen: in deze tegenstelling stond de van vage religieuze ideeën vervulde Juliana ook onder invloed van die ‘louche proffen en humane heren’.

Het was de kloof van emotie versus ratio – een kloof die van het begin af aan door het huwelijk van Juliana en Bernhard had gelopen. Als twee intelligente mensen hadden zij er mee leren omgaan, totdat prinses Marijke (zoals Christina aanvankelijk heette) met een ongeneeslijke oogkwaal werd geboren en Greet Hofmans zich als paranormaal begaafde genezer aandiende. De commissie-Beel ging in haar conclusies aan de zijde van de ratio staan (dus van prins Bernhard, de oudste prinsessen, het kabinet en de meerderheid van het parlement). ’Een bemoeizuchtig gezinsbemiddelingsbureau’, oordeelt Fasseur over de commissie, maar hij vindt dat haar conclusies ’voor de hand lagen’.

Toch blijft de koningin zich nog zo’n drie maanden koppig verzetten, tot tenslotte het belang van het land en de continuïteit ook voor haar de doorslag geven. Zij is de wijste, maar gaat een periode van grote eenzaamheid in, tot langzamerhand in elk geval de kameraadschap in het huwelijk terugkeert en er een werkbare verhouding met de nieuwe hofhouding mogelijk blijkt.

Misschien is zelfs de verhouding in het huwelijk door deze gebeurtenissen verdiept, wat duidelijk naar buiten kwam toen in 1976 de vraag opkwam of de prins al dan niet steekpenningen voor de aankoop van militaire vliegtuigen zou hebben aangenomen. Ook nu werd weer een driemanschap aangesteld voor een onderzoek naar de feiten, wat resulteerde in een voor de prins vernietigend rapport. Bernhard moest diep door het stof, maar hij op zijn beurt vond dit keer een strijdlustige en loyale echtgenote aan zijn zijde. Er kan geen twijfel over bestaan dat hij er dankzij haar steun weer bovenop gekomen is.

Het is vooral Juliana die als tragisch uit dit boek naar voren komt. Vervuld van een diep plichtsbesef, maar van haar jeugd af aan onzeker en besluiteloos, opgroeiend onder de druk van een dominerende moeder (die haar een minderwaardigheidscomplex heeft aangepraat, oordeelde de dicht bij haar staande freule Wttewaal van Stoetwegen); na haar huwelijk gebonden aan een ambitieuze en roekeloze man en zwaar lijdend onder een schuldbesef over de halve blindheid van haar jongste dochter. „Wie ben ik dat dit doen mag?”, vroeg zij met naar de hemel opgeheven ogen bij haar inhuldiging in 1948. De in dit boek onuitgesproken vraag dringt zich op: „wie zijn wij dat wij een ander zoiets aandoen?”

Prinses Juliana en prins Bernhard in 1938, met de in dat jaar geboren Beatrix. (Trouw) Beeld
Prinses Juliana en prins Bernhard in 1938, met de in dat jaar geboren Beatrix. (Trouw)

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden