De tragiek van de landmacht

De Nederlandse krijgsmacht is haar vijand kwijt en daarmee ook haar doel. Een 'brede maatschappelijke discussie' moet de organisatie in een nieuwe richting duwen. Maar de vroegere minister De Geus maakt zich zorgen. “Afbreken van de krijgsmacht gaat heel makkelijk.”

Aan het eind van zijn militaire loopbaan is de CHU'er P. B. R. de Geus toch nog gewond geraakt. Op Defensie nog wel, waar hij een jaar minister mocht zijn.

Het was begin jaren tachtig, de tijd van de kruisraketten. “Ook in de kerken ging het er hard aan toe”, herinnert De Geus zich met afschuw. “In een lezersbrief in Trouw ben ik voor de antichrist uitgemaakt. In mijn kerk kreeg ik geen hand meer van de dominee. Dat heeft me diep geraakt.”

De gemoederen zijn gekalmeerd, zozeer zelfs dat nu een minister van defensie het land vr gt om over defensie te discussiëren. Heeft de krijgsmacht nog wel zin? Valt er nog wat te verdedigen?

Ex-minister De Geus heeft sinds zijn pensionering veel over die vraag nagedacht en schreef het boek 'Staatsbelang en krijgsmacht', dat deze maand verscheen. Hij ontrafelt daarin de worsteling van Nederland met zijn defensie tijdens de koude oorlog en zet een conclusie neer die in de discussie van nu mag meetellen. “Wil Nederland een complete staat blijven, dan is er een complete krijgsmacht nodig. En als er dan zonodig bezuinigd moet worden, snij dan op een paar plaatsen flink, in plaats van overal een beetje.”

Maar eerst zal duidelijk moeten worden welke plaats Nederland in de wereld wil hebben. “Iedereen zegt hier: we zijn maar een klein landje. Dat zijn we niet. Kijk naar onze economie, ons nationaal inkomen, hoeveel internationale bedrijven we hier hebben. Qua bevolking en economie zijn we ongeveer even groot als Australië en niemand noemt Australië een klein landje.”

In zijn studie vond hij vaak bevestiging van zijn inschatting dat de bondgenoten Nederland veel belangrijker vinden dan de Nederlanders zichzelf achten. “In een reactie op mijn boek zei iemand: je trekt ons wel een heel grote broek aan. Welnee, zei ik, het buitenland trekt ons een grote broek aan. Het buitenland is niet zozeer in onze meningen geïnteresseerd, nee, het gaat om vuurkracht. Daarvan moeten ze in drie steden overtuigd zijn: in Washington, Londen en Bonn. Parijs heeft alleen maar een grote mond. De Fransen vinden zichzelf heel geweldig. Ja, daar zouden we iets van kunnen leren. Maar wat stelt Frankrijk militair nou echt voor? De laatste Franse overwinning was in Leipzig, in 1810.”

De tragiek van de Nederlandse landmacht doordesemt zijn boek. “Je ziet in de geschiedenis hoe moeilijk het is om zo'n krijgsmachtonderdeel op te zetten. Afbreken is heel wat makkelijker. In 1940 is de landmacht verslagen. Na de oorlog moeten ze met dienstplichtigen die acties opknappen in Indië. In 1949 proberen ze weer op te bouwen, maar pas in de jaren 60 het ergens op te lijken. Het heeft dus vijftien jaar geduurd voordat de bondgenoten weer respect kregen voor onze landmacht.”

Met de marine lag dat anders. Die heeft nooit gecapituleerd voor de Duitsers en voer door, een traditie sinds 1438 voortzettend. De Geus vertelt het met enige trots; hij is zelf marineman. “Ik was een Rotterdams jongetje dat naar zee wilde en mijn vader vond de marine de beste keus.” In zijn werkkamer staat nog zijn groene scheepskist, nu als tafel voor een wereldbol.

“Voor de marine en de luchtmacht is het einde van de koude oorlog niet zo ingrijpend geweest. De marine blijft gewoon varen en is overal ter wereld beschikbaar. Voor een vlieger bij de luchtmacht maakt het ook niet uit waar hij een bom laat vallen, in Rusland of in Bosnië, hij vliegt overal naar toe. De landmacht is anders, die moet je ergens neerzetten.”

De Geus is er nog lang niet zeker van dat de landmacht aan de oostgrenzen niets meer te zoeken heeft. “Zolang Rusland en Oekraïne geen gevestigde democratieën zijn, blijven zij een risico. Die landen staan er nu heel slecht voor, maar hun hele militaire infrastructuur bestaat nog. In 1905 waren hun strijdkrachten zo beroerd dat Japan ze kon wegvagen. Negen jaar later gingen ze als een grote mogendheid de eerste wereldoorlog in. Vergeet ook niet dat Polen popelt om bij de Navo binnen te komen. Ze zijn bang voor de Russen, en zíj kunnen het weten.”

De landmacht helemaal richten op vredesmissies, zou volgens De Geus strijdig zijn met het staatsbelang. “Onrust in het Midden-Oosten bijvoorbeeld raakt ook ons staatsbelang. Onze energie komt daar merendeels vandaan. Toen de Amerikanen ons in de oorlog tegen Irak om Koeweit vroegen om artillerie, hebben we helaas nee moeten zeggen. We hadden te weinig beroepssoldaten, doordat we nog afhankelijk waren van de dienstplicht. Met dienstplichtigen kun je in zo'n actie niet uit de voeten.”

Bij komende bezuinigingen maakt De Geus zich het meeste zorgen over het personeel. “Het grootste probleem is steeds de werving van nieuwe mensen, zeker als het economisch goed gaat. Je moet de goede mensen zien te behouden. Ook tijdens de koude oorlog slaagde de landmacht er soms niet in het beschikbare geld te gebruiken, gewoon omdat er niet genoeg mensen waren.”

De kwaliteit van de mensen moet hoog blijven. “Aan aangeklede padvinders heb je niks. Bovendien kunnen een paar kneuzen een heel bataljon in levensgevaar brengen.”

Hij hecht er sterk aan dat militairen ervan doordrongen blijven dat ze staan voor koningin en vaderland. “Dat klinkt hoogdravend, maar ik zou me niet rustig voelen in een land met een huurlingenleger, met soldaten die het alleen voor het geld doen. Uiteindelijk moet een militair zijn leven inzetten. En met een huurling ben ik daar niet zo zeker van.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden