De tractor

De landbouw ontstond tienduizend jaar geleden. Het is nauwelijks voor te stellen: na eindeloze eeuwen van jagen en verzamelen - de nomadische oertijd - kwam iemand op het idee om wilde planten te kweken. Graan en bonen. Het eerste gereedschap: sikkel en mes. De landbouwgeschiedenis in een notendop: de haakploeg, de keerploeg; trekdieren, lastdieren; os, ezel en paard. Tot de komst van de eerste echte landbouwmachine in 1889 in Amerika: de tractor.

De eerste tractor was een zwaar en wonderlijk ding, na al die eeuwen van os, ezel en paard, maar het oermodel was er meteen: grote achterwielen en de boer op een ijzeren kruk achter de motor - de verbrandingsmotor. Het is een mysterie. Een paard is een paard. Maar zo'n dampende en knetterende motor op wielen?

Aan die eerste tractor moest nog wat verbeterd worden: aftakas, luchtbanden en 'hydraulische hefinrichting met diepteregeling en gewichtsoverbrenging'. De verbrandingsmotor is niet het enige mysterie. Je moet een halve werktuigbouwkundige zijn om de tractor te begrijpen.

De aftakas - een as, gemonteerd aan de achterkant van de tractor, waarmee andere werktuigen aangedreven kunnen worden, zoals maaidorsers, zelfbinders en opraappersen. Het maken van die aftakas had even tijd nodig.

Met de luchtband komen we op bekender terrein. De tractor had in het begin forse ijzeren wielen. Die ondervonden echter zo'n grote rolweerstand dat een flink deel van het vermogen van de motor verloren ging.

Bovendien waren die wielen uitgerust met kammen en punten: op het land groeven ze zich in en bleven steken, op verharde wegen richtten ze een ravage aan. De komst van de tractor met zijn karakteristieke luchtbanden in 1932 was een zegen.

En die 'hydraulische hefinrichting' met driepuntsbevestiging zorgde ervoor dat boeren de zware machines niet hoefden op te tillen om ze aan de tractor te bevestigen. De trekker, alias tractor, was klaar.

De grote doorbraak van de trekker - de 'motorisatie' - kwam in Nederland pas na de Tweede Wereldoorlog. Gesteund door het Marshallfonds van Amerika konden boeren investeren in machines.

En wie een trekker kocht, nam ook een bijpassende ploeg. Binnen enkele decennia verdween het paard van de akkers. In 1947 waren er nog 230.000 paarden, in 1970 minder dan 50.000.

De trekker had de omstandigheden mee. In de periode 1953-1962 verdubbelde het uurloon in de landbouw, terwijl de prijs van een trekker met 9 procent toenam en de brandstof met 7 procent.

Maar er kwam nog iets bij: de voorliefde voor motorisatie. De trekker was modern en prestigieus, het paard was ouderwets. En als de boerenzonen en de boerendochters dansles hadden in Hotel Dommering in Winschoten, de hoofdstad van de graanrepubliek, waar 'bunder bij bunder' werd geteld, dan kon je het wel schudden zonder trekker.

De ene boerenzoon kocht later een Massey Ferguson 7716, de andere ging studeren in de stad. De boerendochter nam paardrijles op een manege.

Misschien zou Albert Heijn na de actie met de moestuintjes ('met tips van echte moestuinexperts') ook aandacht kunnen besteden aan de ontwikkeling van de technologie, met al die prachtige landbouwmachines, zoals de tractor en de meerscharige wentelploeg en natuurlijk ook de combine: sparen voor de nieuwe Dinky Toys, met tips van echte ingenieurs.

P.R. Priester: Techniek in Nederland in de twintigste eeuw, deel III (2000). Jan Bieleman: Boeren in Nederland. Geschiedenis van de landbouw (2008).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden