column

De Tour was hartverscheurend en verrassend

Beeld Maartje Geels

De sprint van Rigoberto Urán, op een benenbrekend verzet. Het leek een vertraging, op de verkeerde versnelling. Zo sprinten? Dat wordt nooit winnen. Maar Urán won, met minimaal verschil, de etappe wel.

De oppermachtige Marcel Kittel. Hij fietste niet, hij vlóóg. Overal omheen, met grote halen als eerste thuis. Zonder een spoortje van vermoeidheid vloeide elk interview zijn mooie Nederlands, brak de zon door op zijn gezicht, het stralen van een man in vorm.

De valpartij van Richie Porte. Als een lappenpop buitelde hij over de weg. In zijn val kegelde hij Daniel Martin mee, tegen de bergwand aan. De mens lijkt zo nietig soms, zo onbeduidend. Zo makkelijk te pletten, zo eenvoudig kapot te slaan.

De clash van Peter Sagan en Mark Cavendish. John Degenkolb er overheen. Arnaud Démare zwiepte er nog tussendoor, via een gaatje dat er eigenlijk niet was. Er waren sowieso geen gaten - terwijl de heren allemaal meenden van wel. Sprinters zijn gek. Gaan door zonder een millimeter toe te geven, totdat er iemand valt.

De 0,0003 seconde waarmee Edvald Boasson Hagen verloor. De daalkunsten van Primoz Roglic. De glans op het gezicht van Robert Gesink, in de dagen voor hij tegen het asfalt ging. De kramp van Calmejane. De hoop, hup Gesink, fiets dóór, want die Lilian stort in!

Onsportief

De knie van Alejandro Valverde, na nog geen kwartiertje Tour al op de poot van een drankhek aan gort. Het geboe van de Fransen naar Chris Froome. Zo onsportief, zo onterecht. De Brit was gewoon de sterkste, hij verdient net als alle anderen een groot applaus. Mooi land, dat Frankrijk, jammer van de Fransen die er wonen - schoot het telkens door me heen.

Daniel Martin en zijn vechtlust. Als ik de Ier zie fietsen, moet ik altijd aan Popeye denken. Misschien komt het door zijn blauwe pakje, misschien komt het door zijn gezicht - waar je zo een pijp in ziet. Misschien is het ’t krachten aanboren als je die niet meer verwacht.

Het stoempen van Bauke Mollema. Oren tussen de schouders en blijven gaan. Schonkig harkend, met de hete adem van zijn achtervolgers in de nek. Hoekiger en hoekiger, als een vierkant bonkte Mollema over de meet. Zei: jooaaa, dat winnen, dat was best wel leuk.

Sprinkhaanman

Chris Froome zelf. Als altijd, de sprinkhaanman waar ik niet graag naar kijk - maar veel bewondering voor heb. De top bereiken is moeilijk. Daar blijven is oneindig moeilijker. Doe het maar eens. Jaar op jaar de beste, en dit jaar ook nog eens met zo’n klein verschil.

De Tour was rauw. Bloederige plekken, gaten in lycra. Plakken aan lakens, pleisters op wonden. Sagan eruit. Valverde eruit. Gesink eruit. Porte eruit. Kittel eruit. Cavendish eruit. En nog vele, vele anderen. Te veel renners, naar mijn smaak, die de kleur bepaalden.

De Tour was vertrouwd. De zonnebloemen, de graanvelden. Het bekken trekken van Thomas Voeckler. De kastelen, de levende kunstwerken in het veld. Het aanvallen van Alberto Contador. Mee galloperende paarden. Thomas de Gendt als tête de la course.

De Tour was hartverscheurend. De tranen van Warren Barguil; zijn hele lijfje schokte toen hij dacht dat hij van Urán gewonnen had. De pedaal van Gesink, in zijn rug. Zijn naam in beeld, plus abandon.

De Tour verraste in het staartje met een fenomenale powersprint. Te lang, te zuur, van veel te ver aangegaan gebeurde dat wat onder die omstandigheden eigenlijk niet kon. Dylan Groenewegen. Op de Champs Élysées. Hoppa, o yeah!

De Tour was dit jaar van alles. Maar saai? Nee. Dat was hij niet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden