De Top-100

(3) Om te beginnen weer enkele in de wind geslagen adviezen: ook Fernando Hierro, Roy Keane, Gaizka Mendieta, Teofilo Cubillas, Peter Schmeichel, Daniel Passarella, Zico, Ian Rush en Zvonimir Boban komen er bij mij niet in. Want ik zie nóg betere spelers voor mijn Top-100. Bijvoorbeeld de volgende vijftien (tussen haakjes de periode van de interlandloopbaan):

76. Ladislao Kubala (Tsjechoslowakije, Hongarije, Spanje, 1946-1961). Productieve rechtsbinnen, die geen last had van vaderlandsliefde. In 1946 debuteerde hij als international voor Tsjechoslowakije, in 1948 voor Hongarije en in 1953 voor Spanje. Populaire jongen in de nachtclubs van Boedapest, Bratislava, Wenen en Barcelona, maar hoe laat hij het ook maakte, scoren deed hij altijd en overal.

75. Coen Moulijn (Nederland, 1956-1969). 'Coentje is beter dan Gento van Real Madrid', zei bondscoach Elek Schwartz. Het idool van Rotterdam zag zichzelf als een binnenspeler, maar gelukkig dachten zijn trainers hier anders over. Een grootheid van een linksbuiten.

74. Roberto Rivelino (Brazilië, 1965-1978). Fluwelen strateeg. Regisseur op het veld. Vooral in het sublieme Brazilië van 1970 minstens zo goed en belangrijk als Pelé.

73. Karl-Heinz Rummenigge (Duitsland, 1976-1986). Technisch geschoolde aanvaller. Distantieerde zich bij Bayern München en de Duitse ploeg van de vele eenheidsworsten.

72. Sandro Mazzola (Italië, 1963-1974). Zou Sandro net zo goed worden als zijn vader Valentino, die in 1949 met Torino omkwam bij een vliegramp? Sandro werd nog iets beter!

71. Emilio Butragueno (Spanje, 1984-1992). 'De Gier' van Madrid. Als er in 'de zestien' iets te halen was, dan was Butragueno er onmiddellijk bij.

70. Lothar Matthüus (Duitsland, 1980-2000). Nare jongen. Maar, eerlijk is eerlijk, voetballen kon-ie.

69. Dejan Savicevic (Joegoslavië, Montenegro, 1986-1999). Wat een techniek. Wat een beheersing aan de bal. Wat een overzicht. Op z'n top bij AC Milan, maar eerder ook bij Rode Ster Belgrado al een juweel van een voetballer.

68. Duncan Edwards (Engeland, 1955-1958). Meer nog dan Bobby Charlton werd Duncan Edwards gezien als de man die de beste voetballer van Engeland zou worden. Maar bij de vliegramp in 1958 behoorde Edwards tot de doden van Manchester United. Charlton overleefde de crash op het vliegveld van München en werd acht jaar later wereldkampioen.

67. Fritz Walter (Duitsland, 1940-1958). Al international toen Duitsland met het hakenkruis op het witte shirt speelde. Verrassend wereldkampioen in 1954. Toen, bij die titel, was voor miljoenen Duitsers de oorlog pas echt voorbij. Voor die mensen werd Walter een symbool.

66. Hristo Stoitsjkov (Bulgarije, 1987-1999). Echte vedette. Wilde altijd de bal, want Hristo voelde zich de regisseur en de doelpuntenmaker bij uitstek. Meteen verontwaardigd wanneer hij de bal eens niet kreeg. Immens populair in Sofia en in Barcelona.

65. Kevin Keegan (Engeland, 1973-1982). Zag er uit als een dravertje, maar kon verschrikkelijk goed voetballen. Leidde lang het spel van Liverpool en Engeland.

64. Alan Simonsen (Denemarken, 1972-1986). Kleine balvirtuoos. Was in 1983 derde achter Kenny Dalglish (tweede) en Michel Platini (eerste) bij de verkiezing Europees voetballer van het jaar. Had dat jaar van velen nog twee trappen hoger mogen staan.

63. Gheorghe Hagi (Roemenië, 1983-2000). Overal waar hij speelde, bepaalde hij voor een groot deel het beeld van de wedstrijd. Superieur overzicht, perfecte balbeheersing.

62. Eric Cantona (Frankrijk, 1987-1994). Rebel. Filosoof. Reclamejongen. Vechtersbaas. Maar bovenal een groot speler. Werd in Frankrijk, maar vooral ook in Manchester aanbeden.

(Volgende week deel 4, nummer 61 t/m 47).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden