De toekomst der religie is begonnen

'Wat is er in de boezem van Trouw gaande? Waarvan zijn we als lezers getuige? Van een lang uitgesponnen afscheid van het christendom? Of van de geboorte van iets nieuws, van een religiositeit die aarzelend naar vorm, naar taal, naar zelfbewustzijn zoekt?' Volgens de publicist en uitgever Jan Oegema komt er iets nieuws en is onder anderen de dichter C.O. Jellema de vormgever daarvan: 'Iemand die op eigen kracht zijn religiositeit heeft herontdekt, zonder behoefte aan binding en gemeenschap. Iemand die, overdrachtelijk gesproken, de stad heeft verlaten, de rivier heeft doorwaad en nu in het open veld staat, tegelijk verwonderd en beangst door de onbemensde ruimte.'

'Mij kijkt een god aan', luidt de kop boven het stuk. Mijn blik glijdt naar de foto links op de pagina. Een heer op middelbare leeftijd, getrimd baardje, droeve, vermoeide ogen, milde lach, beginnend buikje. C.O. Jellema kijkt mij aan, ik kijk hem aan. De ruimte tussen ons vult zich met berusting, verdriet, als ik me niet vergis met een glimpje vreugde.

Hij is dood nu, C.O. Dankjewel voor je mooie gedicht over de babykrab. En over het kerkje van Fransum, 'van het uitblijvend antwoord de schrijn'. Die regel zullen we niet vergeten.

Een zaterdagochtend in november. Ik sla Letter & Geest open, het katern dat ik vaak het eerste lees. Vooral vanwege de Geest. Naast luidruchtige essays over laatste ontijdingen, naast strijdbare manifesten van nieuw rechts en links, naast klemmende steunbetuigingen aan Ayaan, Theo en Pim, blijft er gelukkig ruimte voor het ontijdige. Godlof, zou ik bijna zeggen. Maar God moet het doen met een dunne g tegenwoordig. Hij heeft iets van de man op de foto. Kwetsbaar, irenisch, bescheiden.

Het stuk dat ik opsla, is geschreven door Gerben Wynia, de bezorger van Jellema's nalatenschap. Zojuist is diens vertaling verschenen van Seuse en Tauler, twee middeleeuwse mystici. Eerder vulde Jellema twee boeken met vertalingen van Meester Eckhart, één van de grote literaire en religieuze ontdekkingen van de 20ste eeuw. Aan de hand van lange citaten geeft Wynia een beeld van Eckharts betekenis voor het werk van de Groningse dichter. Een kwestie van geestverwantschap, begrijp ik. Van herkenning.

Jellema heeft zich opvallend vaak uitgelaten over zijn voorliefde voor Eckhart. Een citaat uit een lezing: 'Eckhart noemt god de Einöde, een wonderschoon woord. De godheid achter god is öde, leeg, want niet met begrippen te vullen. Maar tegelijkertijd is hij de eenheid van alles, de eenheid waaruit alles is voortgekomen. Eckhart slaagt erin om dat in één woord uit te drukken.'

Wat een merkwaardig gefluister toch, dat met regelmaat opklinkt vanuit de levensbeschouwelijke pagina's van Trouw. Wat een voorzichtige, breekbare, ijle, om-woorden-verlegen-woorden. Ze nestelen zich in de binnenkamers van de krant, wegduikend voor het boze oog van kwaadwillenden, wachtend op goede verstaanders. Fascinerend, deze publieke verborgenheid. 'De mystici lezend en vertalend, over hen schrijvend in diverse essays, keert Jellema ook steevast terug naar de poëzie van Hans Faverey, Les Murray en Wislawa Szymborska, en naar het proza van Nescio.' Intieme mededelingen, welbeschouwd.

Wat is er in de boezem van Trouw gaande? Waarvan zijn we als lezers getuige? Van een lang uitgesponnen afscheid van het christendom, dat met smaak en intense weemoed wordt uitgeluid, herinnerd, herdacht? Of van de geboorte van iets nieuws, van een religiositeit die aarzelend naar vorm, naar taal, naar zelfbewustzijn zoekt?

Overgang

Om meteen antwoord te geven op die vraag: mogelijk zitten de solo-religieuzen, zoals ik ze maar zal noemen, nu midden in de overgang van het een naar het ander, van het uitluiden van het kerkelijke christendom naar een herontdekking van religiositeit op eigen kracht en eigen voorwaarden. Zullen zij de moed hebben om zich verder te ontwikkelen en zich duidelijker te manifesteren? Bezitten ze het lef en de getalsmatige kracht om een factor van belang te worden? In potentie hebben ze alles wat nodig is om een integer en geloofwaardig alternatief te bieden aan dolende kerkverlaters, ontevreden new agers en frisse nieuwkomers.

Als de dood van een schimmige rebellenleider tweeduizend jaar geleden tot iets bijzonders kan leiden, dan moet dat ook kunnen door de dood van diens Vader.

Dit is een van de dingen die Jellema onderzocht. In zijn eentje weliswaar en zonder pretenties, met weinig meer dan een tuin en een blad onbeschreven papier als verkenningsmiddel. Hij werkte in het klein aan iets wat feitelijk heel groot is: de articulatie van een intelligent en dus ontvaderd godsbesef, dat voor hem moeiteloos overging in liefde voor de natuur en de keuze voor een eenvoudig, studieus leven te midden van poëzie, literatuur en kunst. Als jongetje van zeven zag hij in een lang uitgesponnen minuut hoe de wereld om hem heen vervloeide, hoe ze bijna transparant werd, een mystieke eenheidservaring die hij als volwassen man opnieuw trachtte op te roepen in zijn gedichten. Een onmogelijk streven natuurlijk, voor hem zelf ongetwijfeld getekend door mislukking. Voor ons als lezers daarentegen is het uitgemond in een geslaagd en herkenbaar oeuvre.

Voor mij is Jellema het prototype van de solo-religieus. Iemand die, overdrachtelijk gesproken, de stad heeft verlaten, de rivier heeft doorwaad en nu in het open veld staat, tegelijk verwonderd en beangst door de onbemensde ruimte. Moederziel alleen onder de zwijgende hemel, slechts vergezeld door lispelende stemmen opklinkend uit een geheugen gevuld met zinnen uit dierbare boeken. Stemmen die een gevoeligheid wakker roepen, een zintuiglijkheid die afkerig is van stelligheden en loden begrippen.

Jellema was zoon van een dominee. Hij groeide op in een oude protestante traditie, die hij als zo velen van zijn generatie de rug toekeerde. Naast filosofie en germanistiek studeerde hij theologie, hetgeen in zijn geval het geloof zijns vaders niet bekrachtigde, maar juist problematiseerde. Hoewel hij in zijn laatste levensperiode milder werd in zijn oordeel over de kerk, leidde dat niet tot een terugkeer. Die stap had hij zonder twijfel niet gezet, was de tijd hem vergund geweest. Wie eenmaal het protestantisme vaarwel heeft gezegd, geneest nimmermeer van de vervreemding die een hernieuwde confrontatie steevast oproept. Om van de weemoed maar te zwijgen.

Natuurlijk was Jellema niet de enige in de ontwikkeling die hij doormaakte. Verschillende dichters, schrijvers, kunstenaars en filosofen zijn een soortgelijke weg gegaan, en met hen een substantieel deel van de Trouwabonnees en de lezende kijkers van NCRV, KRO en IKON. Voor hen heeft het oude afgedaan, althans in zijn dogmatische en rituele uitingen. Tegelijk blijft dat deel naarstig zoekende naar nieuwe woorden en beelden om het lang weggedrukte verlangen te stillen. Behoedzaam weliswaar, want het is nog niet zo lang geleden dat de godsdienstverachters de dienst uitmaakten. Het atheïsme van W.F. Hermans, Rudy Kousbroek en Karel van het Reve was algemeen aanvaard, óók door de kerkverlaters die de strijdbare nuchterheid van deze oer-hollandse mannen dankbaar omarmden in het verzet tegen hun oer-hollandse vaders en grootvaders.

Het tijdelijke pact werkte louterend, het blies de hemel schoon. Alle mooie en lelijke leugens van het christendom moesten wijken voor een prettige en eerlijke grondstoffelijkheid. Maar behalve louterend was het wereldbeeld van Hermans en de zijnen intimiderend. In feite was het even protestants, even rechtlijnig en dogmatisch als de theologie die het moest ontgelden. Het zit de solo-religieuzen nog steeds in de weg. De patriarchen van het atheïsme kijken nog altijd over hun schouders mee. Het zijn bij wijze van spreken hun aangenomen vaders, grijs of dood inmiddels, maar nog altijd met aanzienlijke macht bekleed. Zij vrezen hun blik, ze hebben immers geleerd met hun ogen te kijken. Hetgeen ze nu belemmert om hun herontluikende religiositeit met een open geest te bezien. Daarvoor heeft de intellectuele banvloek iets te veel indruk gemaakt.

Lectio divina

Kort gezegd: de solo-religieuzen zijn bang. Bang voor misverstanden, voor snerende commentaren van de goddeloze buitenwacht. Ze kunnen uitstekend aangeven wat ze niet geloven, wat in hun ogen onhoudbaar of verwerpelijk is; Harry Kuitert en Cees den Heyer hebben er zelfs hun levenswerk van gemaakt. Maar aangeven wat hun wel beweegt en inspireert, daarvoor hebben ze doorgaans te veel schroom. Hoewel ze op alle mogelijke manieren gefascineerd zijn door het religieuze, laten ze zich niet snel verleiden om zich uit te spreken. Dat laten ze liever over aan een enkeling als C.O. Jellema of - cruciale naam in dit verband - Frans Kellendonk, die als eerste een bres schoot in het hardstenen taboe waardoor de literatuur was ingesloten. Jellema is niet de enige die daar de vruchten van heeft geplukt.

Solo-religieuzen hebben behoefte aan veiligheid en die vinden ze voornamelijk in de Tekst. De Tekst is hun alibi. Ze vinden soelaas in het lezen van poëzie, filosofie en levensbeschouwelijk proza. Met hart en ziel storten ze zich op De bedoeling van verbeelding, het indringende zomerdagboek van bekeerling Willem Jan Otten, een geschrift dat ze met de grootst mogelijke interesse tot zich nemen. En met stiekeme afgunst, omdat Otten zich heeft gewaagd aan een experiment waarvoor ze zelf vooralsnog te bleu zijn. Nee, terug naar de kerk hoeven ze niet. Liever niet zelfs. Toch prikkelt Otten hen met zijn dadendrang, met zijn even openhartige als veeleisende zelfonderzoek. Alleen kunnen ze met hun eigen gevoelens geen kant op.

En dus grijpen ze naar het volgende boek. En het daarop volgende. Zo hebben ze van lieverlee hun lectio divina ontwikkeld, gokkend op glimpen van het goddelijke in het bestuderen en becommentariëren van allerhande geschriften. Een risico mijdende, indirecte methode, zij het wel een waarmee ze inmiddels een indrukwekkende canon hebben opgebouwd.

Wie de katernen van Trouw volgt, weet waarover ik het heb. Regelmatig staan daarin fraaie stukken over Levinas, Heidegger, Sloterdijk en Wittgenstein. Over Achterberg, Faverey, Kopland, Lucebert en Leo Vroman. Over Abel Herzberg, Czeslaw Milosz, Les Murray en Gerard Reve. Stukken geschreven door Theo de Boer, Jaap Goedegebuure, Rüdiger Safranski en wijlen Andreas Burnier. Jammer dat Ger Groot (NRC), Gert J. Peelen (de Volkskrant) en Marjoleine de Vos (NRC) niet tot de vaste scribenten van Trouw horen, want zij zouden het front der solitairen meer stootkracht kunnen geven.

Voor zover ze het in de gaten hebben, zien atheïsten de publicatiepolitiek van Trouw ongetwijfeld met lede ogen aan. In hun optiek worden in dit dagblad heel wat geliefkoosde auteurs naar God toe gepraat, onder de neutrale vlag van culturele kennisoverdracht. Nu is het een feit dat de literatuur en filosofie van de afgelopen eeuw dikwijls hebben gefungeerd als religieus laboratorium. Maar het is evenzeer een feit dat de solo-religieuzen meestentijds opereren onder chique voorwendsels. Die hebben ze kennelijk hard nodig.

Veel baard

Om misverstanden te voorkomen: ik heb grote sympathie voor de solo-religieuzen. Ik behoor tot hen, ik neem het voor hen op. Soms verdrietig, soms opgelucht staar ik met ze naar het kerkje van Fransum. Ik deel hun ontworteling, hun canon, hun lezerigheid, hun angsten. Toen ik afgelopen najaar in Trouw een essay publiceerde over de Hongaarse Nobelprijswinnaar Imre Kertüsz, zei een vriendin tegen me: 'god Jan, wat een persoonlijk stuk, eigenlijk gaat het over jezelf'. Voor haar was dat zonneklaar, maar niet voor de argeloze lezer, die een mystiek-religieuze verhandeling gepresenteerd kreeg, uitmuntend in beschouwelijkheid en objectiviteit. Veel baard, weinig tong.

Laat ik daarom vanaf nu spreken in de wij-vorm.

Wij solo-religieuzen, wij durven niet zo goed. Wij zijn knap verlegen met onszelf. In ons binnenste woelt veel wat niet naar buiten mag, wat we uit schaamte voor ons houden. Ja, protestants zijn we nog altijd, ook de katholieken onder ons. Trendwatchers vertellen ons dat moderne zwevers tegelijk én religieus én seculier zijn, een signalement waarin we ons gemakkelijk herkennen. Over de ene kant praten we makkelijk, die verdedigen we tegenover de achterblijvers zelfs met passie: onze ontvadering, ons beschaafde hedonisme, onze bereidheid wetenschappelijke bevindingen serieus te nemen. Over de andere spreken we liever niet, tenzij verhuld in mooie, invoelende stukken over kunst en poëzie.

Eén probleem dat ons daarbij parten speelt is ons begrip van religiositeit. Dat is in essentie nog altijd theologisch. Dat wil zeggen: verankerd in een metafysica die we ondanks sterke argumenten en een intrinsieke afkeer nog steeds niet hebben overwonnen. We zitten vast aan een verleden dat niet voorbij wil, vooral niet omdat we geen idee hebben van de toekomst. We zouden gebaat zijn bij een andere definitie van religiositeit, een definitie die ons helpt de tweespalt die ons plaagt weg te nemen. We zouden gebaat zijn bij een kundig en onpartijdig psycholoog, eentje die ons niet naar de mond praat en toch het beste met ons voorheeft.

Die psycholoog is er. Een verklaarde atheïst met een verbazingwekkende, onverklaarbare sympathie voor de mystieke mens.

Simon Vestdijk

Hij schreef het middenin de oorlog, in gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel. In 1947 verscheen het in boekvorm: De toekomst der religie. Negen lezingen waarin Vestdijk de weg baant voor een nieuwe religieuze mens, verlost van zijn zelfgeschapen demonen en in harmonie met zichzelf. Aan het einde van zijn boek bepleit hij het oprichten van instituten waar 'de rijpere jeugd' zich kan scholen in concentratie- en meditatiemethoden, naar het voorbeeld van het oude India, waar kinderen (volgens hem) van jongs af aan doorkneed worden in yogatechnieken.

Vestdijk, zoon van een remonstrants predikant, wist het zeker: het christendom had zijn langste tijd gehad. Hij baseerde die overtuiging op een scherp inzicht in de menselijke psyche en de geschiedenis van de godsdiensten. Hij onderscheidt drie typen die je in alle tijden en culturen tegenkomt: het metafysisch-projecterende, het sociale en het mystiek-introspectieve type. In het christendom, en vooral in de protestantse divisies die Vestdijk als zijn broekzak kende, domineerde de eerste soort, die der metafysici. In zijn optiek waren dat vooral mannen. Steile, stipte, starre lieden, gedisciplineerd en vasthoudend, redenerend en ordenend, vechtend tegen hun seksualiteit, geteisterd door zondebesef, niet in staat zichzelf of anderen te doorgronden. Zij ontlenen hun kracht aan het onbetwijfelbare bestaan van een andere wereld, voor hen de troonzaal van waarheid en wilskracht.

Deze mannen, gepresideerd door die ene, alles overtreffende Man, hadden niet het eeuwige leven, betoogde Vestdijk in 1943. De toekomst was allereerst aan het sociale type, dat veel warmbloediger en emotioneler wezen dat zich graag ontfermt over de medemens en gerechtigheid laat prevaleren boven de rechte leer. Ze waren al geboren, deze sociaal bewogen religieuzen. Het ontbrak er nog maar aan dat Vestdijk hun namen kon spellen. De Oosterhuizen, de Schillebeeckxen, de Sölles, en al die andere bevrijders van de jaren zestig en zeventig - Vestdijk voorzag ze.

En hij voorzag ons, de solo-religieuzen. Niet zoals we nu zijn, maar zoals we kunnen worden. Als we onze angst afleggen, kunnen we toegroeien naar het type dat Vestdijks meeste sympathie had, het mystiek-introspectieve. Vestdijk meende dat dit slag de grootste overlevingskansen bezat, simpelweg omdat het meer dan de andere aansluit bij de menselijke natuur. Sleutelbegrip in zijn analyse is het begrip 'integratie'. Daarmee doelt hij op de mate waarin de religieuze mens in balans is met zichzelf en de wereld om hem heen. Het metafysische type beschouwt hij als gedesintegreerd, dit in tegenstelling tot het sociale en, vooral, het mystiek-introspectieve type.

Zijn karakterschets van de geïntegreerde mens leest als een pleidooi voor een vrij beleefde religiositeit, opgewekt en verbeeldingrijk: ,,Een geïntegreerde zal zijn fantasieën, dromen en visioenen voor 'werkelijkheid' verslijten; maar de volgende dag heeft hij andere fantasieën die de 'werkelijkheid' van die van de vorige dag teniet doen. Dit gemis aan consequentie kleurt uiteraard zijn religieus wereldbeeld dat steeds vloeiender, dynamischer, relativistischer zal zijn dan dat van het gedesintegreerde type. Meestal maakt de geïntegreerde een innerlijk voorbehoud, meestal is hij bereid het 'bewezen' geloofsstuk weer terug te nemen en (als symbool of gelijkenis) van zijn absoluut karakter te ontdoen; en dat betekent dat hij meester is van zijn geloof en niet de slaaf ervan.''

Levenskunst

Wat een visioen dat Vestdijk hier oproept. Wat een fraai visioen. Zelf had Vestdijk niet de behoefte het achterna te jagen, daarvoor was hij te veel een man van de ratio, was hij te cerebraal aangelegd. 'Het intellectualisme is nu eenmaal de grote bezoeking van de westerling', constateert hij laconiek - en hij was schrander genoeg om te begrijpen dat hij zelf een voorbeeldig bebrild bewijs van die stelling was.

En wij, solo-religieuzen? Weten wij inmiddels aan dat intellectualisme weerstand te bieden? Weten wij het voldoende te relativeren? We zijn halverwege, zou ik zeggen. Halverwege het metafysische en het mystiek-introspectieve. Nog slaaf van het voorbije, geen meester nog van het toekomende. Dat maakt ook voor onszelf de zaak ietwat onoverzichtelijk. We zijn hard bezig ons te ontworstelen aan het ene type, maar missen het vertrouwen om ons al geheel te identificeren met het andere. Uit Vestdijks analyse kun je trouwens eenvoudig afleiden dat die transformatie hoort bij de ideale ontwikkelingsgang van het menselijk individu. Religiositeit begint dikwijls met naïeve voorstellingen - projecties, zegt Vestdijk in navolging van Freud - die bij het ouder worden hun evidentie verliezen. Uiteindelijk moet de mens de moed vinden ze los te laten, niet zelden een moeizaam proces dat de nodige geestkracht en mentale lenigheid vereist.

Wanneer wij als solitairen die kunnen opbrengen, is het denkbaar dat we in de buurt komen van Vestdijks ideaal. Dat we in de toekomst, in een hopelijk nabije toekomst, onze religiositeit beoefenen én uitdragen als een levenskunst. We aanvaarden onze verlangens als een natuurlijk gegeven, daarbij scherp wakend voor de simplismen die de new agers zo ongeloofwaardig maken, om van de beminnelijke vaagheden van de ietsisten nog maar te zwijgen.

We weten dat de waarheid van vandaag de vergissing van morgen is. We weten dat we uiteindelijk niets weten, dat we ons niet krampachtig moeten vastklampen aan de inzichten die we opdoen. We spelen met het woord God, niet om het woordspel, niet om een heimelijk heimwee, maar omdat dit woord de opdracht inhoudt ons eigen ik weg te lachen, ons van onszelf en onze kinderlijke ficties te ontdoen. We oefenen ons in religieuze ironie, naar het voorbeeld van Eckhart en Silesius, van Lucebert en Gerard Reve, van Rumi en Meester Dogen. Of naar het voorbeeld van Imre Kertüsz, die in Dagboek van een galeislaaf schrijft: 'De werkelijke naam van het transcendente is het Niets, maar daarom is het niet minder transcendent.'

Ja, we bekwamen ons in de paradox, zonder valse pretenties, en evenzeer zonder valse bescheidenheid. We zijn lichtvoetig en sterk. Hoe zei Vestdijk het? Vloeiend, relativistisch, dynamisch. Zal het zo ver komen? Vinden we een manier om werkelijk vrije religieuze individuen te worden? En ons op die titel met elkaar te verbinden? Dat is zeer de vraag.

Open deuren

Laten we in elk geval vaststellen dat er veel is om op terug te vallen en verder te bouwen. De vrije religiositeit kan putten uit vele tradities, zij is uit overtuiging transcultureel en eclectisch. Op ethisch vlak kan zij een corpus aan leefregels samenstellen, bijeen gesprokkeld uit de wijsheidsliteratuur van vele eeuwen (denk aan Confucius, Lao Tse, Prediker, de Bergrede, Erasmus, Sogyal Rinpoche, Szymborska). Voor kennis van de menselijke geest, voor inzichten rond verinnerlijking en onthechting kan zij putten uit een al even indrukwekkend corpus aan teksten, niet in de laatste plaats van auteurs wier werk in de Trouwkaternen zo hartstochtelijk wordt geëxploreerd. Een deel van de literatuur, kunst en filosofie van de twintigste eeuw laat zich moeiteloos combineren met de preken van Eckhart en de leringen van Boddhidharma en Hui-neng. Bert Schierbeek heeft dat aanstekelijk aangetoond in De tuinen van Zen, een van de meest overtuigende (en humorvolle) getuigenissen van vrije religiositeit die ik ken.

Vrijheid hoeft overigens niet te ontaarden in vrijblijvendheid, de achilleshiel van new agers en ietsisten. Discipline is een voorwaarde voor elke serieuze religieuze praktijk, ofschoon ze nooit doel op zich mag zijn. Vestdijk zocht die discipline waar ze inderdaad gevonden moet worden: in meditatie, in zazen, in yoga. De vrije religieus koestert de stilte, per slot is zij het hoofdbestanddeel van het merkwaardige heelal dat ons omsluit. De stilte weet meer dan wij, zij voedt ons op tot bescheidenheid - wat mij betreft een sleutelbegrip, zowel in praktisch als in intellectueel opzicht. Bescheidenheid en exactheid: we wantrouwen begrippen met hoofdletters, zijn spaarzaam met woorden waarvan we de betekenis niet goed kennen.

De vrije religiositeit heeft de mystiek als leidraad, wat meteen betekent dat zij haar fundament zoekt in het meest universele aspect van de bestaande godsdiensten en religies. De ervaringen en bevindingen van de mystici vormen haar vertrekpunt, bepalen haar inhoud. Want of ze nou van christelijke, joodse, islamitische, boeddhistische en hindoeïstische komaf zijn, mystici hebben veel met elkaar gemeen. Zij spreken dikwijls dezelfde taal, zoals onlangs opnieuw werd benadrukt door Piet Winkelaar, een ex-priester, nu atheïst, die ervoor pleit de religie te redden uit het wrak van de godsdienst, in casu het christendom. In zijn studie Anders dan we denken; een geseculariseerde benadering van het religieuze (zie het interview daarover in Trouw van 16 december jl.) somt hij zeven gemeenschappelijke kenmerken op. Ik memoreer een viertal dat ook uit het oeuvre van Jellema te destilleren valt: de ervaring van verbondenheid met al het bestaande; de vrijwording van het ego; de verrassende uitwerkingen van onthechting; de innerlijke omvorming die een mens anders in het leven doet staan. Spontaner, maar ook verantwoordelijker. Een schepsel onder de schepselen.

Toegegeven, het zijn open deuren - behalve wanneer je er zelf doorheen moet. Dan blijken die overbekende formules werelden van nuance te herbergen. En merk je dat je het kleinood van Eckharts Einöde niet zo maar cadeau krijgt.

Te gelukkig

Als je net als Vestdijk de zaken nuchter op een rij zet, dan kun je haar eenvoudig uittekenen: een serieuze, op de mystieke tradities georiënteerde, niet-metafysische, niet-godsdienstige religie, terughoudend in haar uit- en aanspraken, met stilte als centrum, meditatie als dagelijkse praktijk, (zelf)ironie als wapen, mildheid en aandacht als doel. Je kunt haar, gek genoeg, bijna bedenken. En constateren dat ze onder handbereik ligt, nu veel duidelijker dan in de tijd dat Vestdijk zijn utopie schetste.

Werkelijk, ze ligt voor het grijpen. Alleen is de vraag of wij, de Einzelgünger in Gods grote familie, wij overangstigen en cerebralen, de stap aandurven. Of we wat vaker durven zeggen wat ons op het hart ligt en ons gaan ontpoppen tot vrije religieuzen. Vervolgens of we onder de leeslamp vandaan willen kruipen om gezamenlijk dingen uit te proberen, gezamenlijk onze geschiedenis en ons voorland te verkennen, gezamenlijk naar formuleringen, sleutelteksten en mogelijk zelfs rituelen te zoeken. In je eentje religieus zijn is op den duur net zo onwezenlijk als in je eentje je verjaardag vieren.

Als ik Trouw of Volzin lees, rondspeur op zinweb.nl, af en toe programma's van de IKON, KRO en NCRV zie, dan waag ik te vermoeden dat ik niet de enige ben met een behoefte aan meer duidelijkheid en onderling contact. Als redacteur van De Prom, een levensbeschouwelijk fonds, ken ik auteurs van wie ik weet of bevroed dat ze in een soortgelijke richting denken en in dezelfde wazige verten turen als ik. Niettemin denk ik dat de urgentie ontbreekt. We zijn zoekende, we zijn verlangende, maar eigenlijk zijn we te gelukkig met ons bestaan om nood te hebben aan iets dat daadwerkelijk de naam religie verdient. Daarbij: we staan argwanend tegenover elke vorm van collectiviteit, we zijn bij voorbaat schuw voor elke suggestie van dwang. Vrijheid is ons een kostbaar goed, en terecht. We zijn individuen met opvattingen en leefstijlen die we niet makkelijk prijsgeven. Alleszins begrijpelijk.

Gevaar is dan wel dat we iets bijzonders niet laten gebeuren. Dat we onszelf een kans onthouden. Dat onze stille renaissance zal uitmonden in een vergeefse. Dat een promovendus straks zal oordelen dat zij uitsluitend gericht was op persoonlijk welbevinden, uitsluitend voortkwam uit nostalgie.

Vestdijk had een droom en reikte ons een identiteit aan waarmee we die droom kunnen waarmaken. Hij spreekt over de mystiek-introspectieve mens, ik over de vrije religieus, maar we bedoelen hetzelfde. Vestdijk had een hekel aan het machtsbolwerk van het christendom (twee jaar voor zijn dood schreef hij nog een roman over het proces tegen Eckhart) en stippelde de weg uit naar een alternatief, naar een levensvatbare synthese tussen oost en west. Er zijn al allerlei clubs waar die weg wordt bewandeld; de meeste zijn klein en opereren in de marge. Ik noem er enkele: de Vrije Gemeente in Amsterdam, de Woudkapel in Bilthoven, Stichting Filosofie Oost-West in Utrecht (en Antwerpen) en de Abdij Maria Toevlucht in Zundert, een van de kloosters waar monniken zich hebben toegelegd op Zenbeoefening. Ook bij de van oudsher confessionele universiteiten worden soms opmerkelijke programma's aangeboden.

Tot een hecht georganiseerd verband zal het niet komen. In West-Europa is de mystiek altijd een onderstroom geweest, en ook al wint ze sinds het begin van de vorige eeuw aan kracht en omvang, ze zal niet snel de concurrentie aangaan met het christendom en de islam. Als vrije religieuzen elkaar opzoeken, gebeurt dat in klein verband, overeenkomstig de aard van de tijd en de aard van de mystiek - de twee hebben elkaar immers gevonden vanwege hun aangeboren individualisme. In het beste geval vormen de vrije religieuzen een stevig netwerk van gelijkgestemden, een archipel met veel onderling verkeer tussen de eilandjes en atollen, naar buiten toe vertegenwoordigd door wijze figuren die het gedachtegoed op een aansprekende manier uitdragen en onze renaissance meer gezicht en gewicht geven. Het zou goed zijn voor ons, en het zou goed zijn voor de nieuwe aanklagers van religie en godsdienst, die al even eenkennig en onwetend zijn als hun grijze en dode voorgangers.

We zouden een verschil kunnen maken, een ander geluid kunnen laten horen. We hebben iets te vertellen. Nu nog een klein beetje dapperheid.

Met dank aan Gert Peelen en Roelie Zijlstra. 'Paarden op het strand' uit het boek 'High over Holland' van Karel Tomei

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden