De tirannie van de meerderheid

(\N)

John Stuart Mill (1806-1873) was een befaamd Brits filosoof en kampioen van het liberalisme. Cor Hermans ontdekte in hem vooral een gepassioneerde rationalist, met een open oog voor de morele en institutionele tekortkomingen van de democratie. Zijn zoektocht naar een ’bevrijding via de rede’ is nog volop actueel, zelfs om te begrijpen hoe we midden in een kredietcrisis terecht zijn gekomen.

De pursuit of happiness: in deze plechtige belofte van de Amerikaanse Grondwet om onbekommerd ons geluk, ons eigen belang, na te mogen jagen, ligt tevens de American dream besloten dat dit streven uiteindelijk ook ’het grootste geluk voor het grootste aantal’ oplevert.

Dit geloof is zo sterk dat zelfs de kredietcrisis het vermoedelijk niet echt aan het wankelen zal brengen. Het zal mij tenminste niet verbazen als straks blijkt dat de Amerikanen al weer volop bezig zijn met business as usual, terwijl wij hier in Europa nog jarenlang bezig zijn om moeizaam de eindjes aan elkaar te knopen.

Het draait dus om het najagen van het eigen belang en het daaraan gekoppelde geloof dat dit de beste uitkomst oplevert. Wat de diepere achtergronden daarvan zijn, kreeg ik tot mijn verbazing zomaar aangereikt in het boek dat de historicus en publicist Cor Hermans schreef over de Engelse filosoof en kampioen van het liberalisme John Stuart Mill. Voor mij was hij vooral de man die op meeslepende wijze in zijn beroemde essay ’On Liberty’ in het krijt was getreden voor de vrijheid van meningsuiting. Maar minstens zo belangrijk blijkt zijn worsteling met het utiliteitsdenken en het daarop gebaseerde geloof langs deze weg het grootste geluk voor het grootste aantal te kunnen bewerkstelligen.

Dit utiliteitsdenken kreeg Mill letterlijk met de paplepel ingegoten, die van zijn vader James Mill, en die van Jeremy Bentham. Samen werkten zij aan het stoutmoedige project de mechanische principes bloot te leggen van de menselijke geest, om vervolgens op die basis de uitgangspunten te ontwerpen voor een perfect functionerende samenleving. Het codewoord van deze pragmatische filosofie was nuttigheid: ieder mens streefde een nuttig bestaan na en wel door zijn genot en plezier (of voordeel, of winst) te maximaliseren en het ervaren van pijn (of nadeel, verlies) te minimaliseren.

Het lijkt een recept voor chaos, maar in combinatie met de veronderstelling dat de mens een redelijk wezen is, kan ieder voor zich zo ongeveer uitrekenen wat de gevolgen zijn van een bepaald gedrag, welke voordelen hem dat oplevert en wat de nadelen zijn. En als de wetgeving daarbij aansluit, moet het mogelijk zijn het grootste geluk voor het grootste aantal te bewerkstelligen. Zoals Bentham het formuleerde: ,,De natuur heeft de mensheid geplaatst onder het bestuur van twee soevereine meesters, pijn en genot. (...). Ze regeren ons in alles wat we doen, in alles wat we zeggen, in alles wat we denken(...) Het utiliteitsprincipe erkent deze onderwerping en neemt haar als grondslag voor haar systeem, dat als doel heeft het bouwsel van het levensgeluk op te richten met behulp van rede en recht.’’

Als gezegd, John Stuart Mill kreeg dit soort kost met de paplepen ingegoten, de heren namen zijn opvoeding persoonlijk ter hand. Voor zijn tiende kende het Grieks en Latijn al nauwelijks geheimen voor hem, inclusief de geschriften van de klassieke meesters, van Plato tot Aristoteles en van Ovidius tot Cicero. En via latere grote denkers kwam hij als vanzelfsprekend uit bij het ambitieuze project van zijn vader en Bentham: het utiliteitsprincipe als grondslag voor de nieuwe samenleving.

Ten dele is hij dit denken ook trouw gebleven; wat hem aansprak was dat het utiliteitsdenken een handvat bood om recht te doen aan de afzonderlijke belangen van een zo groot mogelijk aantal individuen. In de kern was het utilitarisme een sociale welzijnstheorie, die de algehele nuttigheid van ieders handelen in het licht van het gemeenschappelijk belang tot ethische norm verhief. De theorie sloot bovendien wonderwel aan bij de opvattingen van Adam Smith, dat als mensen maar de ruimte krijgen om hun eigen belang na te streven dit als door een invisible hand als vanzelf tot groter welvaart leidt.

Maar anders dan Bentham en zijn vader bracht Mill ook een groot deel van zijn leven door in Frankrijk, waar hij uitvoerig kennismaakte met Franse denkers. Bovendien liet hij zich inspireren door de Duitse romantici. Dit alles resulteerde in een genadeloze kritiek op zijn leermeesters, overigens zonder de kern van het utiliteitsdenken aan te tasten. Zo verweet hij Bentham het menselijk gedrag te reduceren tot het nastreven van eigen belang. Hiermee wordt miskend dat de mens naar geestelijke vervolmaking en zelfrespect kan streven als doel op zich, zonder daarin te worden geleid door hoop op het vinden van genot en het vermijden van pijn. Bentham, zo concludeerde hij, ontbeert een diepgaande kennis van het menselijk hart.

De kern van zijn kritiek geldt echter de kwantitatieve benadering van Bentham: het grootste geluk voor het grootste aantal als een eenvoudige optelsom en daarmee ook als dictaat van de volkswil. Mill was beducht dat dit zou leiden tot tirannie van de meerderheid, dat de mens voortdurend gebukt zou gaan onder het ’despotisme van de Publieke Opinie’. Met deze kritiek trok Mill één lijn met Tocqueville, die zowel bewondering als kritiek had op het utiliteitsdenken dat in de Verenigde Staten zijn vleugels wijd had uitgeslagen.

De bewondering gold de dynamiek die dit denken bewerkstelligde. Maar de kritiek was dat de volksmassa geen enkele hindernis leek te ontmoeten om voortdurend haar opinie door te drukken. Voor Tocqueville en voor Mill stond vast dat in zo’n samenleving opiniekwantiteit (hoeveel mensen denken ergens hetzelfde over) belangrijker zou worden dan de opiniekwaliteit. Het hieruit voortvloeiende conformisme en zijn eenzijdige gerichtheid op materiële welvaart zou de geestelijke vrijheid in de weg staan. De democratie als bedreiging van de waarheid.

Het kost een paar stevige avonden om zich deze door Hermans geschetste Mill eigen te maken. Maar dan heb je ook wat. Een verrassende kijk op Mill en een boeiend opgeschreven ideeëngeschiedenis van de negentiende eeuw, inclusief de rake notie dat een rücksichtlos nastreven van eigen belang ook niet alles is, zoals we inmiddels met de kredietcrisis aan den lijve hebben mogen ervaren.

Een Joodse familie van emigranten, op zoek naar materieel én geestelijk geluk, vlak voordat ze aanmeren in de Nieuwe Wereld. (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden