De tijd vergeten

"Je kunt hier beter rechts afslaan.""Hoezo, vader?""Daar in de verte is de toren van Hankum, daar zouden we toch heen? Dan moet je er hier af."

door Dick Oostra

Zijn oude hand met de bruine vlekken wijst naar de witte boerderij rechts en vervolgens naar de zadeldaktoren in de verte. Hij kijkt me ontspannen aan. Heldere ogen vandaag, die zien wat een ander ook ziet.

Inderdaad, we zijn op weg naar Hankum, naar de bloeiende krentenbomen, daar vroeg hij om toen we het verpleeghuis verlieten. Maar moeten we nu al van de snelweg af? Ik wil hem niet teleurstellen en neem dus de eerste afslag naar rechts. Gelukkig zitten we goed: aan het eind van de afrit geeft een wit bordje met rode letters aan dat we nog vier kilometer van Hankum verwijderd zijn.

Als ik de smalle klinkerweg oprijd, breekt de lentezon door. We genieten beiden van het prachtige landschap met het onstuimig wit van de bloeiende krentenbomen. Maar als de eerste huizen van Hankum in zicht komen, neemt mijn vader de regie weer over.

“Bij de Ford-garage kun je links af, jongen.”

Op die plek blijken ze inmiddels Volvo’s te verkopen, maar we kunnen wel links af.

“Als het goed is,” zegt mijn vader, toch een beetje onzeker geworden, “komen we nu bij een kleine veemarkt, met op de hoek een Vivo-winkel.”

De smalle hoofdstraat maakt een flauwe bocht naar rechts en met een schok herken ik de ijzeren hekken van het veemarktterrein.

Ik zal een jaar of acht zijn geweest. Ik had vakantie en mocht een dag met mijn vader mee. Op reis, zoals hij dat toen noemde. Hij was hoofdvertegenwoordiger bij Red Band, zat meestal de helft van de week op zijn kantoor bij ons aan huis, maar trok er ook regelmatig zelf op uit om klanten te bezoeken. Dan mochten wij om beurten met hem mee. “Het kan zijn dat je bij sommige klanten wel erg lang moet wachten,” waarschuwde vader dan, maar dat gaf niet. Het was altijd een feest om met hem mee te gaan. Hij was iemand met aandacht voor het landschap waar hij doorheen reed. Hij leerde ons de namen van de bomen, attendeerde ons op mooie landhuizen en op de verschillende typen boerderijen, en bracht ons spelenderwijs de betekenis van de verkeersborden bij. En een hoogtepunt was het als we ons van huis meegenomen brood gingen opeten: in een cafeetje en we mochten dan zelf uitkiezen wat we erbij wilden drinken. En soms kregen we een kommetje soep.

Die dag is er veemarkt in Hankum. Mijn vader laveert met zijn stationcar voorzichtig tussen de mensen door. Rechts zie en hoor ik de koeien en de kalveren, ik hoor het geschreeuw van de handjeklappende boeren, ruik de strontlucht. Ik weet zeker dat ik nooit boer zal worden.

Een man in een blauwe overall trekt een kalf met zich mee. Het dier wil niet, schudt woest met zijn kop. Mijn vader stopt als de boer met het tegenstribbelende dier vlak voor de auto oversteekt. Vader is niet bang: hij grinnikt, trommelt even met zijn vingers op het stuur en wacht rustig af. Ik schuif op de voorbank naar hem toe en hij drukt mij even tegen zich aan. Dan legt hij zijn hand op mijn knie: ik voel me weer veilig.

De Vivo-winkel is er niet meer. Het pand huisvest een assurantiekantoor en niets herinnert meer aan een winkel. Mijn vader begint aan zijn das te friemelen, ik weet dat hij zich niet meer op zijn gemak voelt.

“Zullen we maar weer doorrijden, vader?”

“Laten we bij Raven maar koffie gaan drinken,” zegt mijn vader, “je kunt rechtdoor rijden, tot de brug.”

Raven heet nu Mentink, maar het bruine interieur heeft de sfeer van vroeger weten te bewaren.

Mijn vader zoekt voorzichtig schuifelend een plekje bij het biljart.

“Gewone koffie of een cappuccino, vader?”

Maar hij hoort mij niet. Zenuwachtig zoekt hij in zijn binnenzakken, maar hij kan blijkbaar niet vinden wat hij zoekt. Hij staat op, maar gaat weer zitten als ik hem zachtjes richting stoel duw.

“Zoekt u iets?”

“Nee, ik heb het al.” Hij legt een in vieren gevouwen papier voor zich op tafel.

Dan strekt hij zijn rug, kijkt mij recht in de ogen en zegt: “Ik heb uw zaak met het hoofdkantoor besproken. Ik kan u een gunstige schikking bieden.”

Als ik hem niet begrijpend aankijk, pakt hij het papier van tafel, vouwt het met enige moeite open en overhandigt het mij.

“Hier is het contract en ik verzoek u dringend akkoord te gaan.”

Ik zie dat ik een uitnodiging voor een bingoavond in mijn handen heb, voel me opeens heel moe worden en weet niet wat ik moet doen.

Mijn vader wordt ongeduldig. Zijn hand gaat weer naar de binnenzak en hij overhandigt mij een tandenborstel.

“Ik heb echt mijn best gedaan om de zaken gunstig te regelen voor u, maar u moet wel een handtekening zetten.”

Even overweeg ik, hoe dan ook, een handtekening te zetten. Maar vandaag voelt het als een verraad om met hem mee te gaan in de tijd. Het brandt achter mijn ogen. Ik pak zijn handen, breng mijn hoofd dichter bij zijn gezicht: “Kijk eens goed vader, ik ben Tjeerd, uw oudste zoon.”

Ik krijg het nog warmer, kijk om mij heen, maar de ober concentreert zich op het koffiezetapparaat.

“Tjeerd, uit Alkmaar,” probeer ik nog. Ik schud zijn handen heen en weer, alsof er ergens een schakeling los zit, maar houd ermee op als ik zie dat zijn nervositeit toeneemt.

De ober doet alsof hij niets gemerkt heeft en zet zwijgend de beide cappuccino’s voor ons neer. Gretig drinkt mijn vader zijn kopje leeg; mijn koffie plompt als lood in mijn maag.

“Ik wil naar mijn moeder,” zegt mijn vader dan. Ik weet niet of hij zijn moeder of zijn vrouw bedoelt, maar ik reken af en we stappen weer in de auto.

Het zonnige landschap heeft zijn bekoring verloren. Ook mijn vader is moe. Even valt hij in slaap, maar hij wordt al snel weer wakker en wrijft onrustig met beide handen over zijn bovenbenen. Ik leg mijn hand op zijn linker knie: het helpt, de spanning neemt af.

“Waar is moeder?” zegt hij dan onverwachts.

“Die is in de hemel.”

“In de hemel? Wat doet ze daar dan?” vraagt de man die vele jaren ouderling in de Gereformeerde Kerk was.

“Ze kijkt al zeven jaren naar u uit”, zeg ik. En als ik de brok in mijn keel heb weggeslikt: “Wilt u weer graag bij haar zijn?”

Even gebeurt er niets, maar dan knikt hij een paar keer bedachtzaam met zijn hoofd.

Ik verminder snelheid, verlaat de klinkerweg en rijd mijn Saab de berm in. Een paar takken striemen tegen de voorruit en een confetti van witte bloesems daalt neer op de motorkap en op de voorruit.

Met toegeknepen ogen kijk ik naar het landschap voor me en probeer weer grip op mijn ademhaling te krijgen. Dan pakt mijn vader mijn beide handen en draait zijn gezicht naar me toe. Hij is weer helemaal ontspannen.

Geen van beiden zeggen we wat, totdat hij glimlachend de stilte verbreekt.

“Ze zal wel een beetje mopperen, Tjeerd, als ik er aan kom.”

“Hoezo?”

“Ze zal wel zeggen: “Waar bleef je toch? Was je de tijd weer vergeten?””

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden