De tijd gaat sneller dan de kruier van Kaboel

Ali Bakhesh is vijfenzestig, denkt hij. Zijn voeten doen zeer. Toch duwt hij zijn handkar met lastjes door de straten van Kaboel. Tenminste, als zijn potentiële opdrachtgevers niet kiezen voor een jonge vent met een auto. „Ik geef de hoop niet op, want ik geloof in God, maar u ziet mijn situatie.”

Zijn tweewielige kar heeft het zonet bijna begeven, moppert Ali, en hij trekt zijn colbertjasje recht. Het moet ooit lichtgrijs zijn geweest maar de onderste helft is nu zwart van vet en smeer. Hij moest een lading stalen pijpen vervoeren, een loodzware vracht. Over hoeveel kilometer weet Ali niet. „Ik ben analfabeet begrijpt u, ik weet niks van kilometers. Laten we zeggen drie keer duizend passen.”

Op de terugweg had de ongeveer 65-jarige Ali Bakhesh –zijn leeftijd weet hij niet precies– het zich gemakkelijk gemaakt bovenop de lege kar, voortgetrokken door zijn 23-jarige neef. Zo komen ze voorbij het parlementsgebouw in de Afghaanse hoofdstad Kaboel. Ali lacht, zwaait en wenkt. „Kom er maar bij zitten”, roept hij uitnodigend.

Lastdrager Ali en zijn neef Jawid, die hem helpt, zijn Hazara’s, in grootte de derde Afghaanse etnische bevolkingsgroep die vooral in de bergen van centraal Afghanistan woont, in een gebied dat Hazarajat heet. De stad Bamiyan –bekend van de reusachtige boeddhabeelden die zijn opgeblazen door de taliban– wordt beschouwd als hun culturele hoofdstad.

Hazara’s staan laag in aanzien in de Afghaanse samenleving en ze knappen vaak de zwaarste en vuilste klussen op. Velen kruien sinds jaar en dag met brandhout en metaal door de stad, zijn schoonmakers, bediendes of zoeken tussen bergen afval naar bruikbare dingen die ze misschien nog kunnen doorverkopen.

Zoals lastdragers als Ali en Jawid zijn er vele duizenden in Kaboel. Dag in, dag uit vervoeren ze de meest uiteenlopende goederen, zolang het maar wat opbrengt. Met gevaar voor eigen leven manoeuvreren ze hun karren door het waanzinnig drukke en chaotische verkeer in de stad. Links en rechts worden ze ingehaald door toeterende taxi’s, bussen, vrachtauto’s en de alom tegenwoordige terreinwagens van de Verenigde Naties, ambassades en hulporganisaties.

Vrachten vervoeren doet Ali al vanaf zijn dertigste. Daarvoor was hij boer in Bamiyan.

„Daar was het moeilijk overleven. Ik moest steeds meer voor andere boeren gaan werken. Ik had zelf ook een stukje land, maar dat heb ik aan iemand in onderpand moeten geven om aan geld te komen. Bij hem heb ik een schuld van 250.000 afghani (ruim 3300 euro). Als ik die niet kan terugbetalen, krijg ik mijn land niet terug. Ik geef de hoop niet op, want ik geloof in God, maar u ziet mijn situatie. Het zal heel moeilijk zijn om het geld bij elkaar te krijgen om dat land terug te kopen.”

Velen als Ali zijn in Kaboel terecht gekomen op zoek naar werk. Anderen zijn gevlucht voor de taliban. Hazara’s zijn meestal sjiitische moslims en werden zwaar vervolgd tijdens het soennitische talibanregime, tussen 1995 en 2001. Duizenden Hazara’s zijn afgeslacht door talibanstrijders, die hen beschouwen als ongelovigen.

Ook Ali Bakhesh heeft die terreur aan den lijve ondervonden. Hij woont en werkt al tientallen jaren in Kaboel, maar ten tijde van het talibanregime is hij weer in Bamiyan gaan wonen, omdat het daar veiliger was. Dat ging echter niet lang goed.

„Ze kwamen ook bij ons langs en sloegen mij en mijn vrouw in elkaar. Ons huis staken ze in brand”, vertelt Ali, als hij aanschuift voor een kopje thee in een theehuis. Hij krabt even onder zijn wollen mutsje. „Mijn familie en ik zijn toen gevlucht naar de plaats Behsud, ook in Hazarajat, maar daar kon ik geen werk vinden. Mijn hele gezin moest gaan bedelen. Dat was de enige manier om nog aan een stuk brood te komen.”

Zijn neef, die er ook bij was, vult het verhaal aan. „We zijn toen met 300 à 400 mensen vanuit Behsud verder getrokken over de bergen, in de hoop naar Pakistan te kunnen gaan. Het was een barre tocht van tien dagen te voet over de Baba-bergen, een van de hoogste bergketens in Afghanistan. Het was heel koud, er lag veel sneeuw en velen van de groep zijn onderweg gestorven. Misschien wel honderd, dat weet ik niet precies. Na weer een nacht op die berg vonden we ’s ochtends de doden, vooral vrouwen en kinderen.”

Het lukte Ali en zijn familie inderdaad om naar Pakistan te vluchten, maar ook daar was het moeilijk om werk te vinden. In arren moede is hij toen maar teruggegaan naar Kaboel, enkele maanden voor de val van het talibanregime in het najaar van 2001. Zijn vrouw is daar overleden aan de gevolgen van de mishandeling door de talibs.

Hij pakte zijn werk als lastdrager weer op, geholpen door zijn neef. Maar de moderne tijd haalt de kruiers ook in Afghanistan letterlijk in. Ali en zijn collega’s verliezen steeds meer klanten aan vervoerders die de beschikking hebben over een bestelauto of een kleine vrachtwagen. Wel iets duurder, maar veel sneller en gemakkelijker.

Ali is bang over niet al te lange tijd misschien helemaal werkloos te worden. Zijn vaste stek bij een metaalhandel in het zuidwesten van de stad levert aanzienlijk minder werk op dan vroeger. Op een goede dag verdient hij slechts 100 afghani (1,30 euro), maar er zitten ook dagen tussen dat hij helemaal geen klanten heeft. „En ik ben al oud. Ik kan nu nog vrij goed lopen, maar ’s avonds doen mijn voeten pijn.”

Ali heeft een zoon en zeven dochters wat in een land als Afghanistan, waar vrouwen nog altijd heel laag worden aangeslagen, wordt gezien als een soort vloek. „Soms weet ik niet hoe ik mijn kinderen moet voeden, zeker niet na slechte dagen”, zegt Ali. „Veel voedsel kan ik niet kopen, want de prijzen zijn torenhoog. We eten weinig groente en niet eens een keer per maand vlees. Meestal eten we brood met thee, maar soms kan ik de suiker niet eens betalen. Tot nu toe heb ik mijn kinderen niet hongerig naar bed hoeven sturen, maar dat betekent niet dat ze genoeg te eten hebben gehad.”

Ali’s zoon, die 23 is, heeft zijn eigen gezin en zorgen. Hij werkt net als zijn vader als kruier, maar dan op de grootste markt in Kaboel. Vier van zijn dochters werken thuis; ze weven tapijten, vertelt Ali. „Het benodigde materiaal –zoals een getouw– kan ik niet betalen. Dus ben ik afhankelijk van mensen die mijn dochters inhuren. Natuurlijk gaat veel van de winst naar deze mensen. Mijn dochters weven ongeveer twee meter tapijt per maand, waarvoor ze 4000 afghani (ca. 55 euro) krijgen.”

Er is niemand die naar hen omkijkt, zegt Ali somber. „Ik, noch mijn gezin heeft een toekomst. We hebben geen verleden, geen heden. Mijn kinderen zullen dezelfde problemen hebben als ik. Ik ben analfabeet. Mijn leven had veel beter kunnen zijn, als ik had leren lezen en schrijven.”

Van mogelijkheden om bijvoorbeeld een microkrediet aan te vragen, is Ali daarom ook niet op de hoogte. Neef Jawid kan wel een beetje lezen en schrijven en ook autorijden. „Als ik werk zou kunnen vinden als chauffeur, zou dat een enorme verbetering van mijn leven zijn. Maar om een goede baan bij de overheid of een hulporganisatie te krijgen moet je connecties hebben en die heb ik niet.”

Ook de leiders van de Hazara’s, die net als de meeste andere krijgsheren comfortabele huizen hebben in Kaboel, doen weinig voor hun volk, vindt Ali. „Over die mensen weet ik niet zoveel. Misschien waren hun vaders rijk en hebben zij alles geërfd, ik weet het niet. Maar feit is dat niemand iets voor ons doet.”

„Afghanistan heeft veel en rijke natuurlijke hulpbronnen”, weet Ali. „Onze leiders zouden moeten zorgen voor werk, maar zij dienen alleen maar hun eigen belangen. Juist zij zijn in de positie om wat te veranderen in dit land, maar ze denken niet verder dan hun eigen families. Eigenlijk bent u de eerste persoon die belangstelling toont voor mijn leven sinds ik 35 jaar geleden met dit werk begon.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden