De terugkeer van Jan Hen

Trouw belichtte de afgelopen weken de positie van vrouw en vrouwenbeweging, de resultaten van eerste en tweede golf, en de vraag waar de derde blijft. Maar wat deden die golven met de man? Hoe verging het de Alexander de Grote in hem, en hoe de Jan Hen. Een persoonlijke geschiedenis van Roel van Duijn, misschien wel de meest vrouwvriendelijke man van Nederland.

Lang geleden hadden mijn ouders een huisvriend. Het was nog in de tijd van vóór de televisie en op zaterdagavond, de grote gezinsavond waarop alle zes kinderen thuis waren en wij pingpongden en quatre-mains op de piano speelden, vierde hij mee en kreeg hij van mijn moeder - als hij het Tweede Pianoconcert van Tsjaikovski in vereenvoudigde bewerking gespeeld had - een glaasje cassis. Gezellig was het met hem erbij en bovendien was hij een aristocratische man, echt mieters.

Op een late avond echter bood hij aan de kopjes en schotels af te wassen en toen mijn moeder dat afweerde met een scherp grapje over de onkunde van mannen op dit gebied, gaf hij zichzelf bloot door tegen te werpen dat hij dat thuis elke avond deed en dat het daarbij, gezien de zwakte van zijn vrouw, niet bleef; hij stofzuigde ook wel. Vanaf dat moment bekoelde mamma's enthousiasme voor hem. De volgende zaterdagavond vroeg ik haar waarom hij er niet was, en verstrooid de lange vingers naast de schaal kiepend, alsof zij zich hem nog maar met moeite herinneren kon, antwoordde zij: O ja, die Jan Hen. Aan haar gezicht zag ik dat ik niet verder vragen moest. Maar ja, de vriend van mijn oudere zus, die sportleraar wilde worden, was er en die moest maar eens laten zien dat hij mij aankon.

Wat is een Jan Hen? Het is een dubieus wezen dat buiten de grenzen van zijn geslacht waart. Een man die geen man is en niet, zoals mijn vader, de eer van zijn mannelijkheid hoog houdt door de keuken als een vrouwenvertrek te beschouwen.

Natuurlijk heb ik er altijd voor gewaakt geen Jan Hen te worden, want de straf daarvoor was dat je dan - zo had ik geleerd - je aantrekkingskracht op vrouwen wel kon vergeten. Dat was niet altijd makkelijk. Al de eerste vriendin met wie ik samenwoonde was van mening dat mannen die onder elkaar tegen regenten tekeergaan, terwijl zij hun vrouw niet alleen laten koken maar ook de vaat laten doen, hypocriete regententypes zijn.

Ik nam, omdat ik haar hoogachtte en een nieuw thema van maatschappijverandering vermoedde, haar stuk onder de titel 'Laat je man de afwas doen' op in ons revolutionaire tijdschriftje. Ik zag er iets in. De vrouw die streed voor haar rechten en die van andere onderdrukten, dat prikkelde me. Ik stelde zelfs een eerste nummer samen van een nieuw vrouwenblad, dat 'Miss Blanche' heette.

Maar wat aan mij knaagde was mijn geweten, dat mij zei dat de overwinning van Miss Blanche (een vrouw die op een wit paard 's nachts over de daken van de auto's galoppeerde) ongetwijfeld als keerzijde zou hebben dat de man massaal verraad zou moeten plegen en er weldra een walgelijk leger Jan Hennen zou komen kakelen. Was het dit besef dat er de oorzaak van was dat het tweede nummer van het revolutionaire damesblad nooit verschenen is?

Ondertussen sloeg ik mij door de perikelen van onze verhouding heen door neuriënd af te drogen, of het zeil te dweilen. Het waren tijden waarin je je zo'n compromis nog kon permitteren, omdat ook feministische vrouwen nog behoorlijk mild konden zijn. Ik herinner me dat een hoge Dolle Mina, die aardig voor mij wilde zijn, mij aanbood om de keuken schoon te maken en dat alleen maar liet zitten omdat mijn huisgenote haar iets toesiste. Ik voelde me door haar gestreeld, maar liet niet merken dat ik mijn eigen Miss Blanche even verwenste.

Je bent een man en dus wil je een held wezen. Wat anders? Aangezien het huishouden daar niet bij hoort, ontloop je het. Een werkster nemen is de gemakkelijkste truc, alhoewel je niet te veel naar haar kijken moet, want omdat werksters moedertaken verrichten kunnen zij - voor je het weet - gevaarlijk in je binnenste kruipen. Het vermijden van Jan Hen kan tot complicaties leiden.

Toen ik via onwaarschijnlijke wendingen eens boer geworden was en dus met een boerin te maken had, wist ik het gevreesde fantoom het verst te houden. Ik molk, ploegde, timmerde, scheurde er met de rode MacCormick-trekker op uit terwijl zij kaas maakte, voor de kinderen zorgde en poetste. Was dit niet een natuurlijke taakverdeling? Zij was dit lang met mij eens, alhoewel ook zij tot feminisme neigde maar in de roes van onze reis door het agrarisch tijdperk,van paard tot trekker, de rol van de boerenvrouw enthousiast naspeelde. Zolang zij dit deed ging het goed, maar zodra zij - na een schok en een plof uit onverwachte hoek - die rol van zich wierp, moest ik eraan geloven.

Vluchten uit deze tijd gaat niet meer, toen al niet. Op een avond kwam ik na het melken laat en bezweet van stal en kon ik niet aanschuiven, maar moest ik koken en kinderen verschonen. De vrijwilligers van de biodynamische landbouwschool kwamen niet om te leren stofzuigen, dus probeerde ik me er eerst uit te redden via het oude recept: een werkster. Even leek dat de dreiging af te wenden. Maar de schok was er niet zo maar een, het was de geboorte van een gehandicapt kind. Er stond weldra een vrouw voor me die van me eiste dat ik halve dagen huisman zou worden; om ons (,,van ons allebei!'') kind te verzorgen en ondertussen op te ruimen. Waarom niet iemand van buiten?

Het lot had het zo voor me geregeld dat ik kon kiezen een Jan Hen te worden of te scheiden, een dilemma om van te watertanden. Scheiden zou ontrouw zijn. Maar veranderen in een Jan Hen niet minder. Aan dat laatste denkende, keek ik in een donkere trechter gevuld met plastic speelgoed. Kon ik - door een lichtspleet in de trechterwand - dan de buitenkans op een flinke sprong in mijn innerlijke groei niet zien? Kon ik het tijdelijke van mijn nieuwe situatie als parttime huisman niet begrijpen en aanvaarden? Oh nee. Zoals een vogel die bij het zien van een zwarte, klepperende gestalte terugdeinst van de kersenboom, zo hield mij de herinnering aan die Jan Hen, met zijn zijden glimlachje en zijn kitscherige Tsjaikovski, uit de huiskamer die ik nog kort daarvoor van rood grenen vloerenhout, muurlambrisering en ook uit hout gesneden bloemen had voorzien. Want timmeren, welke man kan dat niet?

Niet lang daarna bevond ik mij in het dagelijks gezelschap van iemand die mij uit de keuken joeg als ik meende dat afdrogen toch het minste was wat ik doen moest om haar te helpen. ,,Wat sta je weer te loeren?'', waarschuwde zij, zodra ik op de keukendrempel verscheen. Het gekke was, dat dit mij niet beviel. Ik bevond mij nu in de schaduw van mijn vader, die zogenaamd de taken verdeelde maar als vanzelfsprekend buiten alles stond wat met voedselbereiding of schoonmaken van doen had, behalve dat hij op zondagavond het vlees sneed, mij daarbij kijkersloon gaf en zichzelf snijdersloon.

Eén keer heb ik hem, toen mijn moeder 's avonds naar haar spiritueel genootschap was, in de keuken met het puntje van zijn tong uit de mond zien roeren in een kopje oploskoffie, dat door mijn moeder in gereedheid was gebracht. Hij was zonder colbert en de zilveren armband, boven de elleboog, strakte zijn gladgestreken overhemdsmouw eronder zo aan dat zijn smalle maar harige pols vrij was, terwijl het daarboven, tegen de schouder, pofte en een biceps in de vorm van een perkamenten lampion verrees.

Alsof er een spook bij het gas stond. Toch was hij het. Verward keek hij mij aan, toen ik hem met een kreet uit zijn concentratie rukte. Ik begreep nu wat hij bedoelde met de woorden dat hij z'n ei niet kwijt kon als mijn moeder 's avonds uitging. Hij zette zich aan tafel met z'n Vergilius, nipte en schoof daarna de kop ver van zich af, met de rug van zijn hand zijn lippen afvegend.

Zo wilde ik niet zijn. Hij was als de schim van Aeneas die maar dwaalde door het dodenrijk zonder dat hij iets concreets aanraken kon, het week van zijn handen zodra hij ernaar tastte. Hij was de laatste van die lange rij voorvaderen, waarvan hijzelf een tot de Geuzen teruggaande stamboom aangelegd heeft, die leefde volgens het schema van de uit het agrarisch tijdperk daterende taakverdeling.

Toen mijn moeder thuiskwam zong zij een vaderlands lied waarbij ik haar op de piano begeleidde.

Sikkels blinken

Sikkels klinken

Ruisend valt het graan

Ziet de bindsters garen

Zie in lange scharen

Garf bij garve staan

Wie zwaait er met de sikkel? De boer. Wie bindt de garven? Het is allemaal even duidelijk. De sprookjes uit het tijdperk van Staring en Grimm luisteren naar vaste, geslachtelijke regels, aangedreven door pezen, spieren, borsten en baarmoeders.

Eens raakte ik in grote opwinding toen ik, ergens in de bosachtige velden van de Balkan, in de hitte van de dag achter een boom een bal zocht en een oudere vrouw voorbij zag lopen, die een zeis over haar schouder droeg. Toen zij, onder haar hoofddoek, mij met ontbloot bovenlijf ontwaarde keek zij mij een ogenblik aan en waren wij beiden ademloos, maar onmiddellijk richtte zij de blik voorwaarts, met witte knokkels het werktuig vastklemmend. Ik was getroffen, misschien net als zij. Maar ik beschouwde het als een wonder. Was het de zeis van haar man, die hem nodig had? Was haar man ziek, evenals haar zoon en buurman en had zij toen wat hoognodige halmen gezeist? Of was het wellicht een lichte vrouwenzeis? Het laat me niet los maar wij zullen het nooit weten.

Om terug te komen op de vrouw die mij op de keukendrempel tegenhield: de eerste keer vond ik het grappig en strelend, de tweede keer moest ik flauw lachen, maar de derde keer werd ik koud. Ik wilde niet afgesneden zijn van pannen en potten, want ik kon heel goed muesli met fruit maken (wél met het notenmolentje van mijn moeder geleerd) en met een theedoek zwaaiend ging ik haar te lijf.

Het nieuwe matriarchaat, werd mij ingepeperd, kan zich in verschillende gedaantes voordoen. Het kan proberen je te dwingen allerlei huishoudelijke taken te verrichten, maar het kan je ook willen dwingen daarvan juist af te blijven. Het tweede lijkt luxueus, tot je merkt dat je vrijwel niets meer hebt in te brengen over eten, huis en ja, kinderen. Op die laatsten begin je te lijken.

Vervolg op pagina 19

De terugkeer van Jan Hen | Roel van Duijn

Vervolg van pagina 17

Mijn vader koos daarvoor of liever gezegd, hij liet dat, zich veilig in een traditie wanend gebeuren. Ik niet. Geen Jan Hen wilde ik zijn, maar ook niet de bange man 'die de taken verdeelde'.

Hoog vuur heb ik met mijn nieuwe liefde. Zij leert mij e-mailen en internetten. Ik heb het nakijken als haar vingers over het toetsenbord roetsjen om iets voor te doen. Wat, w t?, vraag ik. 's Ochtends als zij op haar vouwfiets naar haar kantoor gaat zwaai ik haar uit en als het e-mailen me niet lukt mag ik haar daar bellen. Komt ze thuis, dan sta ik groente te snijden.

Toen wij met ons avontuur begonnen wilde zij dat ik leerde koken, maar het bleek dat ik al totaalsoep en boerenkool kon maken, nu, voor haar, met kruiden erbij. Bovendien spelt en andere graangerechten, wat zij van mij leerde. Waar ik mee zit, is dat ik een moreel overwicht van haar voel als het om het huishouden gaat. Zolang zij niets zegt ga ik niet uit mezelf stofzuigen, ook al weet ik van Greenpeace dat tegenwoordig ook huisstof giftig kan zijn. Totdat zij een sein geeft, beeld ik me in een correcte, ge-emancipeerde man uit het digitale tijdperk te zijn, die zijn dochter naar school brengt en vaak als enige vader ouderavonden voor z'n rekening neemt.

Ben ik goed bezig? Nee. Wel voel ik me tegenover mijn vriendin onkwetsbaar voor het eeuwige en op de lange duur ondermijnende verwijt, zoals ik dat vroeger - tot de Keukenmonopoliste - kreeg, dat ik geen flikker uitvoerde. Maar toch voel ik mij belaagd door Jan Hen. Ben ik nu een gelijkgeschakeld, door het matriarchaat onderworpen, geslachtloos wezen geworden? Een lafaard die in Opzij een aai over z'n bol krijgt omdat hij zich zo goed aanpast?

Mijn vriend Max antwoordde, toen ik hem vroeg of hij wel kookte, dat hij dat deed, maar ,,natuurlijk onder protest''. Ja, je wilt het wel, maar niet onder druk. En al helemaal niet omdat je er, zoals Jan Hen, dol op bent - zoals de digitale vrouwen je het liefst zouden zien. 'In de digitale eeuw', las ik laatst in een e-mail die zij mij plagend gestuurd had, 'telt de spierkracht van de man niet meer'. Dat kwam aan. Net als wanneer zij weigert mij de bagage te geven en me voor gek zet door met rugzak en zware tassen te sjouwen en mij met een handtasje naast zich te laten lopen. Vreselijk.

Ben ik eigenlijk niet van nature enigszins Tarzan-achtig? Ik bedoel, me van boom tot boom slingerend, daarin een nest bouwend voor de vrouw die ik roof? Vanzelfsprekend. Welnu, dan verlang ik er dus naar, net zoals Robert Bly in zijn gelijknamige boek, een wildeman te zijn. Hij zoekt het vooral in het verlengde van wat de man miljoenen jaren was: jager, krijger, minnaar. Enigszins omslachtig wil hij dat de jongere man daarvoor de rituele initiatie nodig heeft van de oudere en hij beschouwt het als een tragedie dat de zoon de vader tegenwoordig niet meer ziet werken. Wat niet het ergste is, want er is meer dan het zweet ons aanschijns. Toch deel ik met hem de behoefte om te midden van het emancipatiespektakel, zelfs met een langzamerhand enthousiaste aanvaarding daarvan, te blijven wat ik altijd was: een man.

Mij afvragend wanneer ik me echt een man voelde moest ik niet alleen denken aan mijn periode als boer, ook aan mezelf als schaker (ja, er zijn schaaksters, maar altijd te weinig) en aan de negen maanden die ik eenzaam moest wachten op een vrouw die zwanger was van mijn zaad en aan de dagen dat ik, met als enig bezit een tas met een tandenborstel, krankzinnig verliefd over straat zwierf. Maar ook als ik weet dat ik een goed stuk geschreven heb, als ik een goede politieke vondst heb gedaan of als ik zie dat een bepaalde, hopeloos zoekende vrouw gelukkig kan worden met iemand die ik voor haar weet, en dit blijkt te werken.

Maar die laatste voorbeelden zou een vrouw toch evengoed kunnen vermelden als hoogtepunten van haar vrouw-zijn? Bedrieg ik mijzelf als ik mij verbeeld dat ik op zulke momenten gelukkig ben met mijn manlijkheid? Ik denk het. Robert Bly meent dat een man ,,een emotioneel lichaam heeft dat in staat is meer dan één vorm van extase te bevatten'', maar dat geldt natuurlijk voor ieder gerijpt mens. Mijn extases hangen minder van mijn man- dan van mijn mens-zijn af. Wat ik ben, is minder belangrijk dan wie ik ben.

Bij de homoparade in Amsterdam zagen we het. Slingerende rijen van Arabische homo's, leernichten, getatoueëerde potten en andere groepen waar ik weinig verstand van heb. Ik heb nu wel ontdekt dat het gelukkig niet zo is, zoals we vroeger dachten, dat er maar twee soorten mensen bestaan - zoals men die op de linker- en rechterdeur van openbare toiletten ziet afgebeeld - maar dat er na de opstand van de homo's en lesbo's, de travesto's, de hermafrodo's en de transen een rij zichtbaar wordt. Niet twee polen, maar een rij van typen, die zich in de toekomst ongetwijfeld nog verder zullen uitsplitsen tot een steeds langere rij met steeds individueler kenmerken.

Ik vind dat mooi; we komen meer tot onszelf. Bij de parade zagen wij de slingerende rijen van homo's van allerlei soort zich vermengen met onze rijen van hetero's, die onder de kleren natuurlijk even uiteenlopend waren. Dus wat maak ik me dan nog zorgen dat ik mogelijk een Jan Hen zou zijn? Is het niet een beeld uit het voorbije, bi-polaire tijdperk toen trouw aan je sekse nog aanzien gaf en sekseverraders geminacht werden? En is Jan Hen eigenlijk niet de androgyne mens, een prachtcombinatie van manlijke en vrouwelijke eigenschappen? Eén uit die lange rij van sekse-typen, naast bijvoorbeeld Sjaan Haan, Jan Hoen, Jannie Woerd of Hen Jan?

,,We leven niet meer in het agrarisch tijdperk'', zei mijn vriendin.

,,Ook nog niet helemaal in de digitale tijd. Maar je hebt gelijk, d t liedje is uit.''

We fietsten langs een rij etalages van Computerland in de Ferdinand Bol. Onze dochter stelde dat zij beslist geen jongens op haar verjaardag wilde en ik raadde haar aan dan toch tenminste wat lesbo's uit te nodigen: ,,Zie het toch niet zo zwart-wit''.

Zo daagde er een ommekeer in me.

Ik was laatst met mijn liefste in een afgelegen Macedonisch dorp in Albanië, aan de andere kant van het meer van Oh Rid, waar nooit een vreemdeling komt en alleen wij, omdat ik toevallig een Balkanisch mengsel van Macedonisch en Servisch spreek, werden toegelaten. Het was midden in de winter en wij waren door bergen wit van sneeuw komen aanrijden, met een ongelooflijk uitzicht op de lichtende wit-roze-blauwe vlakken van het meer in de diepte. In de ijskou zaten we 's avonds met kinderen, ooms en tantes bij elkaar in het enige verwarmde vertrek, de keuken, en wij gasten mochten op de berenpels op het bed zitten.

Het was oudejaarsavond en het was als waren we in een ingevroren, geconserveerde wereld. De man sprak met stemverheffing over Alexander de Grote, hun koning, alsof hij nog leefde. De vrouw bediende ons staande aan tafel, maar at zelf niet mee en kneedde onderwijl het deeg voor de nieuwjaarsbolletjes, waarvoor de kinderen de volgende ochtend aan de deur zouden komen. Ik trachtte nu en dan de opsomming van heldendaden te onderbreken door haar een vraag te stellen, maar daarop reageerde zij verlegen, zodat de zoon en de vader door elkaar heen me gretig uitlegden wat zij bedoelde.

Toen de kaars op was verlichtte alleen de hevig sneeuwende televisie nog het vertrek. En bij dat schijnsel zat de vrouw, Natasja heette ze, met naald en draad bij mijn jas, vanwege een lange wond. Ik was ontroerd en droeg hem de volgende dag met trots, mooier dan zoals hij uit de winkel gekomen was, hoewel zij niet met ons op de foto wilde. Tegelijk voelde ik dat het een afscheid zou zijn van een versleten tijdperk dat geen lieve moedertje meer repareren kon.

Die nacht droomde ik dat ik in een haveloos schaakcafé was, spelend tussen de andere mannen en kampioen werd. De volgende nacht dat ik met mijn zoontje de Mont Ségur beklom en daarna door het Franse ruïnedorp dwaalde dat door de Duitsers uitgemoord is, en op wraak zon. En de derde nacht dat ik met sigarenrokers in een vergadering zat en er zich, nadat ik beledigd was, een wil om te winnen van mij meester maakte die mij bewoog hun mijn zwaard te tonen.

Toen was het over. De in mij voortsluimerende droom van de niet ver-sagende, onverslaanbare man was voorbij. Ik heb Alexander de Grote bij Natasja achtergelaten. En Jan Hen is samen met mijn digitale vrouw verder gereisd. Soms was ik Jan, dan weer Hen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden