De terreur zal niet winnen in Irak

,,Gesprekken met zo'n twaalf Iraakse ballingen laten een verward gevoel achter omdat ze, hoe kritisch ze ook zijn, toch een vrij optimistisch beeld schetsen, dat in weinig media is terug te vinden.'' Redacteur Eildert Mulder sprak met Iraakse ballingen in Nederland. ,,Ze zijn overtuigd van de uiteindelijke overwinning op wat zij 'de terreur' noemen en niet 'het Iraakse verzet'. Over de hoogte van de prijs maken ze zich geen illusies: die zal hoog zijn.''

door Eildert Mulder

,,Ze hebben je zeker niet de achterkamer laten zien?'' zegt Mohsin een jaar later. Hij heeft het over een woonvertrek in het huis van zijn zus en zwager in Bagdad.

Ter voorbereiding van een reis naar Irak, na de val van Saddam, praatte ik op een Haags terrasje urenlang met Mohsin over Bagdad. Of, beter, over het Bagdad zoals dat in zijn hoofd voortleefde maar niet meer bestond, zo bleek een paar dagen later. Vol vervoering beschreef hij de Aboe Nuwasstraat aan de oever van de Tigris, met zijn bars, vrouwen en dichters. Hij wees literaire cafés aan en waar je tweedehands boeken kon kopen.

Allemaal spoorloos verdwenen, maar de aanwijzingen hoe bij zijn zuster en zwager in de wijk Thawra te komen, klopten perfect: 'Neem een taxi naar het benzinestation van Thawra, daarna tweede straat rechts en dan de vierde kapper links en die zal je verder helpen.' Voor het eerst ben je in een wildvreemde stad met zes miljoen inwoners en de oppervlakte van een Nederlandse provincie, en met die summiere aanwijzingen ben je in een half uur op het juiste adres in een achterafstraatje in een vermaarde volkswijk, waar Saddam nooit echt vat op kreeg, ook niet met de bloedbaden die hij er nu en dan liet aanrichten.

Daar heeft Mohsin Saddam vervloekt. Zijn bloed kookte toen aanhangers van Saddam hun buren schoffeerden, misbruik makend van hun macht als partijleden. 'Het was waanzin', blikt hij terug, 'maar zulke dingen gebeurden soms. Een dichter schold eens in een theater zomaar Saddam uit. Van hem hebben we nooit meer iets gehoord.' Mohsin overleefde wel. Voor de foute buren was de solidariteit van de volksbuurt belangrijker dan trouw aan de leider. Ze deden geen aangifte.

Mohsin is dichter. In de oorlog van 1991 verbijsterde hij iedereen door tijdens bombardementen doodgemoedereerd de Franse schrijver Baudelaire te blijven lezen. Later belandde hij in de gevangenis, vanwege bij hem thuis aangetroffen filosofieboeken. 'Een mens kan meer aan dan je denkt', zegt hij over zijn detentie. Maar toen de folteringen door Amerikanen in de Aboe Ghraib-gevangenis bekend werden, kreeg hij last van herbelevingen.

Mohsin was tegen de oorlog. Hij vindt nog steeds dat de Irakezen zelf Saddam hadden moeten verdrijven. Toch is zijn stemming omgeslagen. Het viel hem op dat zijn familieleden aan de telefoon vrolijker klonken dan onder Saddam: ,,Vroeger zeiden ze, als je vroeg hoe het ging 'al-hamdoelillah, God zij dank'. Maar het klonk triest. Nu zeggen ze hetzelfde, maar vrolijk.''

Die achterkamer, zo onthult hij, was van een broer van de zwager, een militair, na een complot tegen Saddam in 1980 geëxecuteerd. 'Sindsdien staan alle meubels en boeken nog op dezelfde plaats', zegt hij. De zwager draagt weer witte kleren. Sinds 1980 ging hij in het zwart gekleed. De goede berichten nemen toe. Andere familieleden hebben vakantie gevierd in Iran. Ze krijgen salaris. Ook de hoge bloeddruk is gedaald. De dokter durft nu wel de juiste diagnose te stellen: 'Saddamstress.'

Mohsins verhaal staat niet op zichzelf. Gesprekken met zo'n twaalf Iraakse ballingen laten een verward gevoel achter omdat ze, hoe kritisch ze ook zijn, toch een vrij optimistisch beeld schetsen, dat in weinig media terug is te vinden.

Gezien de dagelijkse ellende is de wanhoop van de media over Irak begrijpelijk. Maar soms lijken journalisten toch een beetje te veel op de profeet Jona, die van God boetepreken moest houden in Nineve, dicht bij het huidige Mosoel. Toen hij klaar was ging hij lekker op een berg zitten kijken hoe de stad zou worden omgekeerd. Hij voelde zich verongelijkt toen dat niet gebeurde.

Wie nu nog optimistisch is over Irak, voelt zich soms een kloon van Saddams minister van propaganda Sahhaaf, de man die, zelfs toen de Amerikaanse tanks al door Bagdad rolden, volhield dat het Iraakse leger alles onder controle had. En die, volgens grappenmakers, na het neerhalen van Saddams standbeeld in Bagdad zei: ,,Periodiek onderhoud.'' President Bush had in de oorlog weinig tijd om tv te kijken, maar Sahhaaf miste hij nooit. De grimmige berichtenstroom uit Irak zou de indruk kunnen wekken, dat Amerika nu zelf een Sahhaaf nodig heeft om de moed erin te houden. Weinigen denken dat de verkiezingen van morgen een wondermiddel zijn tegen alle kwalen.

Er waren eerdere momenten van valse hoop. Zoals de dood van Saddams zonen in de zomer van 2003. Of de arrestatie van Saddam zelf, in december van dat jaar. Maar ook het opgeluchte 'We've got him' van de Amerikaanse bewindvoerder Paul Bremer bracht geen verlossing. Irak is geen Roemenië, waar in 1989 het verzet van de getrouwen van dictator Ceausescu instortte na de executie van hun held.

In plaats daarvan verschenen er op tv video's van opperterrorist Aboe Moesab Al-Zarqawi, die in de naam van God gijzelaars de keel afsnijdt. Het aantal omgekomen Irakezen zal in de tienduizenden lopen. Tweeduizend Amerikaanse militairen sneuvelden en ook twee Nederlandse. Dezer dagen zijn stemlokalen het doelwit. Uit angst voor aanslagen zijn veel namen van kandidaten niet bekend gemaakt. De kiezers stemmen op goeddeels anonieme lijsten.

Wie uitsluitend staart naar de jobstijdingen moet de ongeveer 60 procent van de Amerikanen, die onderhand tegen de oorlog zijn, wel gelijk geven. Toch zijn er stemmen die de harmonie van de klaagzang verstoren.

Iraakse ballingen spelen geen mooi weer. Ze hebben bijtende kritiek op de Amerikanen. En ze behoren niet allemaal tot de bevolkingsgroepen, die onder Saddam het ergste hebben geleden, de sjiieten en de Koerden. In maart 2003 waren ze verdeeld over de oorlog, sommigen liepen mee in protestdemonstraties, al dan niet aangemoedigd door Gretta Duisenberg. Toch denken velen nu, dat Irak op de goede weg is. Deels baseren ze dat op eigen waarneming, deels op telefooncontacten met familie en vrienden in Irak. Ze zijn overtuigd van de uiteindelijke overwinning op wat zij 'de terreur' noemen en niet 'het Iraakse verzet'. Over de hoogte van de prijs maken ze zich geen illusies, die zal hoog zijn. In die zin zijn ze wel pessimistisch.

Gevraagd om de toestand nu te vergelijken met die onder Saddam maken ze de volgende balans op: ,,Materieel gaat het beter, er zijn salarissen en de markt is beter verzorgd. We mogen zeggen wat we willen. Maar onder Saddam was de straat veilig. Geen zinnig mens vindt de huidige toestand aanvaardbaar, maar dat was hij onder Saddam evenmin. Ook toen hadden we maar een paar uur elektriciteit. Nu is er uitzicht op verbetering en toen niet.''

Vrijheid vinden ze belangrijk. Europese kranten turfden wat lacherig hoe vaak Bush in zijn inauguratierede het woord 'vrijheid' gebruikte. Misschien vanuit achterdocht tegen grote woorden. Maar grote woorden zijn er niet voor niets. Pas als ze door ijdel gebruik hun kracht verliezen verdienen ze het een prooi te worden van de cynicus. Bij Irakezen is het woord vrijheid nog niet uitgehold, ze praten erover als een eerste levensbehoefte, misschien omdat ze uit ondervinding weten wat onvrijheid is.

Zoals Salam Saidi, elektricien in Almere. Ook hij groeide op in Thawra. Halverwege de jaren tachtig zat hij als schooljongen maanden in een dodencel in Aboe Ghraib. Per week werden er honderden mensen opgehangen. Voor Saidi geen reden om de latere Amerikaanse folteringen in dezelfde gevangenis te relativeren: ,,Die vond ik zelfs erger. Saddam en zijn trawanten waren misdadigers, dat wist je. Maar ik vond het een enorme schok dat ook Amerikanen dat soort dingen deden.'' Saidi is eenmaal teruggeweest naar Irak, vlak na de oorlog. We reisden in dezelfde taxi. Het was een schitterend moment toen hij na aankomst in Bagdad zich even terugtrok en weer tevoorschijn kwam in een zondags pak, ter ere van zijn moeder.

Ook hij gelooft niet in een overwinning van de terroristen: 'Geen mens wil het oude regime terug.' Via een computerprogramma praat hij soms met strijders van Zarqawi. Lang duren die gesprekken niet: ,,Het enige wat ze zeggen is dat Irak bezet is en dat zij dus het wettige recht hebben om zich te verzetten. Maar als je ze vraagt waarom ze al die moorden op burgers plegen dan schelden ze je uit voor landverrader en gooien ze je eruit.''

Abd Al-Rahim Al-Rifai, voormalig zakenman en nu journalist, is teleurgesteld en pessimistisch. Hij pendelt geregeld op en neer tussen Nederland en Irak en treedt vaak op in discussieprogramma's van satellietzenders. Hij was een fel voorstander van de oorlog. Spijt heeft hij niet: 'Ook met de kennis van nu zou ik hetzelfde standpunt hebben ingenomen.' Teleurgesteld is hij over het Amerikaanse leger en zijn pessimisme geldt de middellange termijn. Het komende jaar wordt zwaar: ,,Nu zijn we alleen maar in gevecht met de terroristen. Maar na de verkiezingen moeten we met elkaar in gevoelige kwesties knopen doorhakken. Dat zal nieuwe spanningen veroorzaken.''

Hij kent Samawah en zegt dat de Nederlanders, als ze net zo waren opgetreden als de Amerikanen, niet twee maar minstens honderd mensen hadden verloren: ,,Als de Amerikanen iemand doodrijden betalen ze 500 dollar. Daarvan kun je een schaap kopen. Vergelijk dat met wat de nabestaanden van de aanslag in Lockerbie kregen van Libië. Dan zeggen de Amerikanen: 'Ja, maar Lockerbie was opzet, wij maken ongelukken.' Maar ze walsen soms bij het minste of geringste met hun tanks over een personenauto heen. Is dat dan nog een ongeluk?''

Paul Bremer vond hij rampzalig: ,,Hij stapelde de ene fatale fout op de andere. Het stomste was de manier waarop hij het Iraakse leger ontbond. Tienduizenden mensen verloren hun baan. Hij heeft ze in de armen gedreven van de terroristen. Het Iraakse leger was professioneel. Voor die mensen is het maken van bommen een peulenschil.

Hij ziet wel manieren om militairen los te weken van de terroristen: 'Geef ze de kans om aannemers te worden.' Die strategie werkte in de zuidelijke stad Nasiria. Ze hadden daar last van een militiebaas van de sjiietische geestelijke Moktada Sadr. Rifai: 'Hij is nu aannemer en zijn enige zorg is of hij op tijd zijn cement krijgt.' Rifai gelooft dat ook delen van het islamitische verzet kunnen worden geneutraliseerd: 'Je moet hun angst wegnemen dat ze in het nieuwe Irak buitenspel komen te staan.' Hij heeft de indruk dat de Amerikanen veel goede, Iraakse ideeën tegenhouden en hoopt dat een nieuwe regering zich sterker zal opstellen.

Yasin Alnasayyir is voorzitter van de Stichting Akaad die in maart een festival houdt over Iraakse films van na de val van Saddam. Ter vergelijking worden Nederlandse films vertoond over de jaren na de bevrijding van de Duitse bezetting. In november was Alnasayyir voor het eerst sinds tien jaar terug in Irak. Het werd de tijd van zijn leven. Hij bezocht zijn kinderen in Bagdad en zijn moeder in Basra. Vooral Basra was prachtig: ,,Ik kon daar tot twee uur 's nachts op straat lopen, ook over de boulevard, wat onder Saddam verboden was. Britse militairen zie je bijna niet.'' Toch zijn er ook dingen die niet deugen in Basra: ,,Er lopen veel Iraniërs rond, ook bij de politie. Islamitische partijen hebben wegversperringen en als je een ambtenarenbaan wil dan heb je een brief van een partij nodig. Wat dat betreft zijn ze net als Saddam.''

Een dag nadat hij een lezing had gehouden meldde een tv-zender dat hij was gedood. Alnasayyir: ,,Een dreigement. Het deed me weinig. Ze noemen zich 'verzet' maar een bom bij een school is terrorisme. Hoe erger hun misdaden, hoe meer ze ons herinneren aan Saddam met zijn massagraven en oorlogen. Niemand wil dat terug. Natuurlijk is er angst, over de vraag hoelang de terreur zal voortduren. Maar niemand is bang dat het oude regime terug zal keren. De terroristen kunnen niet winnen. Ze zijn versnipperd en hebben geen programma. Ze steunen op stammenloyaliteit maar die duurt niet eeuwig. Een ding is zeker, er is nu minder angst in Irak dan onder Saddam.''

vervolg?

vervolg?

,,Ze hebben je zeker niet de achterkamer laten zien?'' zegt Mohsin een jaar later. Hij heeft het over een woonvertrek in het huis van zijn zus en zwager in Bagdad.

Ter voorbereiding van een reis naar Irak, na de val van Saddam, praatte ik op een Haags terrasje urenlang met Mohsin over Bagdad. Of, beter, over het Bagdad zoals dat in zijn hoofd voortleefde maar niet meer bestond, zo bleek een paar dagen later. Vol vervoering beschreef hij de Aboe Nuwasstraat aan de oever van de Tigris, met zijn bars, vrouwen en dichters. Hij wees op de plattegrond van Bagdad plekken aan van literaire cafés en waar je op straat tweedehands boeken kon kopen.

Allemaal spoorloos verdwenen, maar de aanwijzingen hoe bij zijn zuster en zwager in de wijk Thawra (ook wel Saddam- of Sadr-City genaamd) te komen, klopten perfect: ,,Neem een taxi naar het benzinestation van Thawra, daarna tweede straat rechts en dan de vierde kapper links en die zal je verder helpen.'' Voor het eerst ben je in een wildvreemde stad met zes miljoen inwoners en de oppervlakte van een Nederlandse provincie, en met die summiere aanwijzingen ben je in een half uur op het juiste adres in een achterafstraatje in een vermaarde volkswijk, waar Saddam nooit echt vat op kreeg, ook niet met de bloedbaden die hij er nu en dan liet aanrichten.

Daar heeft Mohsin Saddam vervloekt. Zijn bloed kookte toen aanhangers van Saddam hun buren schoffeerden, misbruik makend van hun macht als partijleden. ,,Het was waanzin'', blikt hij terug, ,,maar zulke dingen gebeurden soms. Een dichter schold eens in een theater zomaar Saddam uit. Van hem hebben we nooit meer iets gehoord.'' Mohsin overleefde wel. Voor de foute buren was de solidariteit van de volksbuurt belangrijker dan trouw aan de leider. Ze deden geen aangifte.

Mohsin is dichter. Zijn opleiding tot chemicus brak hij af toen hij vermoedde dat hij in de wapenindustrie zou eindigen. Hij koos voor de literatuur. In de oorlog van 1991 verbijsterde hij iedereen door tijdens bombardementen doodgemoedereerd de Franse schrijver Baudelaire te blijven lezen. Later belandde hij in de gevangenis, vanwege bij hem thuis aangetroffen filosofieboeken. ,,Een mens kan meer aan dan je denkt'', zegt hij over zijn detentie. Maar toen de folteringen door Amerikanen in de Aboe Ghraib-gevangenis bekend werden, kreeg hij last van herbelevingen.

Mohsin was tegen de oorlog. Hij vindt nog steeds dat de Irakezen zelf Saddam hadden moeten verdrijven. Toch is zijn stemming omgeslagen. Het viel hem op dat zijn familieleden aan de telefoon vrolijker klonken dan onder Saddam: ,,Vroeger zeiden ze, als je vroeg hoe het ging 'al-hamdoelillah, God zij dank'. Maar het klonk triest. Nu zeggen ze hetzelfde, maar vrolijk.''

Die achterkamer, zo onthult hij, was van een broer van de zwager, een militair, na een complot tegen Saddam in 1980 geëxecuteerd. ,,Sindsdien staan alle meubels en boeken nog op dezelfde plaats'', zegt hij. De zwager draagt weer witte kleren. Sinds 1980 ging hij in het zwart gekleed. De goede berichten nemen toe. Andere familieleden hebben vakantie gevierd in Iran. Ze krijgen salaris. Ook de hoge bloeddruk is gedaald. De dokter durft nu wel de juiste diagnose te stellen: ,,Saddamstress.''

Mohsins verhaal staat niet op zichzelf. Gesprekken met zo'n twaalf Iraakse ballingen laten een verward gevoel achter omdat ze, hoe kritisch ze ook zijn, toch een vrij optimistisch beeld schetsen, dat in weinig media terug is te vinden.

Gezien de dagelijkse ellende is de wanhoop van de media over Irak begrijpelijk. Maar soms lijken journalisten toch een beetje te veel op de profeet Jona, die van God boetepreken moest houden in Nineve, dicht bij het huidige Mosoel. Toen hij klaar was ging hij lekker op een berg zitten kijken hoe de stad zou worden omgekeerd. Hij voelde zich verongelijkt toen dat niet gebeurde.

Wie nu nog optimistisch is over Irak, moet zich verzetten tegen het gevoel een kloon te zijn van Saddams minister van propaganda Sahhaaf, de man die, zelfs toen de Amerikaanse tanks al door Bagdad rolden, volhield dat het Iraakse leger alles onder controle had. En die, volgens grappenmakers, na het neerhalen van Saddams standbeeld in Bagdad zei: ,,Periodiek onderhoud.'' President Bush had in de oorlog weinig tijd om tv te kijken, maar Sahhaaf miste hij nooit. De grimmige berichtenstroom uit Irak zou de indruk kunnen wekken, dat Amerika nu zelf een Sahhaaf nodig heeft om de moed erin te houden. Weinigen denken dat de verkiezingen van morgen een wondermiddel zijn tegen alle kwalen.

Er waren eerdere momenten van valse hoop. Zoals de dood van Saddams zonen in de zomer van 2003, in een schietpartij bij Mosoel. Of de arrestatie van Saddam zelf, in december van dat jaar. Maar ook het opgeluchte 'Ladies and gentlemen, we've got him' van de Amerikaanse bewindvoerder Paul Bremer bracht geen verlossing. Irak is geen Roemenië, waar in 1989 het verzet van de getrouwen van dictator Ceausescu instortte na de executie van hun held.

In plaats daarvan verschenen er op tv video's van opperterrorist Aboe Moesab Al-Zarqawi, die in de naam van God gijzelaars de keel afsnijdt. De schattingen over het aantal omgekomen Irakezen lopen sterk uiteen maar het zal in de tienduizenden lopen. Tweeduizend Amerikaanse militairen sneuvelden en ook twee Nederlandse. Dezer dagen zijn stemlokalen het doelwit. Uit angst voor aanslagen zijn veel namen van kandidaten niet bekend gemaakt. De kiezers stemmen op goeddeels anonieme lijsten.

Wie uitsluitend staart naar de jobstijdingen moet de ongeveer 60 procent van de Amerikanen, die onderhand tegen de oorlog zijn, wel gelijk geven. En moet ook alsnog adhesie betuigen aan de Franse president en de Duitse bondskanselier voor hun verzet tegen de Brits-Amerikaanse inval in Irak. Toch zijn er stemmen die de harmonie van de klaagzang verstoren.

Iraakse ballingen spelen geen mooi weer. Ze hebben bijtende kritiek op de Amerikanen. En ze behoren niet allemaal tot de bevolkingsgroepen, die onder Saddam het ergste hebben geleden, de sjiieten en de Koerden. In maart 2003 waren ze verdeeld over de oorlog, sommigen liepen mee in protestdemonstraties, al dan niet aangemoedigd door Gretta Duisenberg. Toch denken velen nu, dat Irak op de goede weg is. Deels baseren ze dat op eigen waarneming, deels op telefooncontacten met familie en vrienden in Irak. Ze zijn overtuigd van de uiteindelijke overwinning op wat zij 'de terreur' noemen en niet 'het Iraakse verzet'. Over de hoogte van de prijs maken ze zich geen illusies, die zal hoog zijn. In die zin zijn ze wel pessimistisch.

Gevraagd om de toestand nu te vergelijken met die onder Saddam maken ze de volgende balans op: ,,Materieel gaat het beter, er zijn salarissen en de markt is beter verzorgd. We mogen zeggen wat we willen. Maar onder Saddam was de straat veilig. Geen zinnig mens vindt de huidige toestand aanvaardbaar, maar dat was hij onder Saddam evenmin. Ook toen hadden we maar een paar uur elektriciteit. Nu is er uitzicht op verbetering en toen niet.''

Vrijheid vinden ze belangrijk. Europese kranten turfden wat lacherig hoe vaak Bush in zijn inauguratierede het woord 'vrijheid' gebruikte. Misschien vanuit achterdocht tegen grote woorden. Maar grote woorden zijn er niet voor niets. Pas als ze door ijdel gebruik hun kracht verliezen verdienen ze het een prooi te worden van de cynicus. Bij Irakezen is het woord vrijheid nog niet uitgehold, ze praten erover als een eerste levensbehoefte, misschien omdat ze uit ondervinding weten wat onvrijheid is.

Zoals Salam Saidi, elektricien in Almere. Ook hij groeide op in Thawra. Saidi zat halverwege de jaren tachtig als schooljongen maanden in een dodencel in Aboe Ghraib. Per week werden er honderden mensen opgehangen. Voor Saidi geen reden om de latere Amerikaanse folteringen in dezelfde gevangenis te relativeren: ,,Die vond ik zelfs erger. Saddam en zijn trawanten waren misdadigers, dat wist je. Maar ik vond het een enorme schok dat ook Amerikanen dat soort dingen deden.'' Saidi is eenmaal teruggeweest naar Irak, vlak na de oorlog. We reisden in dezelfde taxi. Het was een schitterend moment toen hij na aankomst in Bagdad zich even terugtrok en weer tevoorschijn kwam in een zondags pak, ter ere van zijn moeder.

Ook hij gelooft niet in een overwinning van de terroristen: ,,Geen mens wil het oude regime terug.'' Via een computerprogramma praat hij soms met strijders van Zarkawi. Lang duren die gesprekken niet: ,,Het enige wat ze zeggen is dat Irak bezet is en dat zij dus het wettige recht hebben om zich te verzetten. Maar als je ze vraagt waarom ze al die moorden op burgers plegen dan schelden ze je uit voor landverrader en gooien ze je eruit.''

,,Ik ben erg teleurgesteld'', zegt Abd Al-Rahim Al-Rifai, voormalig zakenman en nu journalist. ,,En ik ben ook pessimistisch.'' Hij pendelt geregeld op en neer tussen Nederland en Irak en treedt vaak op in discussieprogramma's van satellietzenders. Hij was een fel voorstander van de oorlog. Spijt heeft hij niet: ,,Ook met de kennis van nu zou ik hetzelfde standpunt hebben ingenomen.''

Teleurgesteld is hij over het Amerikaanse leger en zijn pessimisme geldt de middellange termijn. Het komende jaar wordt zwaar: ,,Nu zijn we alleen maar in gevecht met de terroristen. Maar na de verkiezingen moeten we met elkaar in gevoelige kwesties knopen doorhakken. Dat zal nieuwe spanningen veroorzaken.''

Hij kent Samawah en zegt dat de Nederlanders, als ze net zo zouden zijn opgetreden als de Amerikanen, niet twee maar minstens honderd mensen zouden hebben verloren: ,,Als de Amerikanen iemand doodrijden betalen ze 500 dollar. Daarvan kun je een schaap kopen. Vergelijk dat met wat de nabestaanden van de aanslag in Lockerbie kregen van Libië. Dan zeggen de Amerikanen: 'Ja, maar Lockerbie was opzet, wij maken ongelukken.' Maar ze walsen soms bij het minste of geringste met hun tanks over een personenauto heen. Is dat dan nog een ongeluk?''

Paul Bremer vond hij rampzalig: ,,Hij stapelde de ene fatale fout op de andere. Het stomste was de manier waarop hij het Iraakse leger ontbond. Tienduizenden mensen verloren hun baan. Hij heeft ze in de armen gedreven van de terroristen. Het Iraakse leger was professioneel. Voor die mensen is het maken van bommen een peulenschil. Saddam begreep het beter. Als die militairen op non-actief stelde dan gaf hij ze een kantoor met een secretaresse en een paar hakkenklappende soldaten. Ze behielden hun salaris en mochten doen wat ze wilden.''

Hij ziet wel manieren om militairen los te weken van de terroristen: ,,Geef ze de kans om aannemers te worden.'' Die strategie werkte in de zuidelijke stad Nasiria. Ze hadden daar last van een militiebaas van de sjiietische geestelijke Moktada Sadr. Rifai: ,,Hij is nu aannemer en zijn enige zorg is of hij op tijd zijn cement krijgt.'' Rifai gelooft dat ook delen van het islamitische verzet kunnen worden geneutraliseerd: ,,Je moet hun angst wegnemen dat ze in het nieuwe Irak buitenspel komen te staan.'' Hij heeft de indruk dat de Amerikanen veel goede, Iraakse ideeën tegenhouden en hoopt dat een nieuwe regering zich sterker zal opstellen.

Yasin Alnasayyir is voorzitter van de Stichting Akaad die in maart een festival houdt over Iraakse films van na de val van Saddam. Ter vergelijking worden Nederlandse films vertoond over de jaren na de bevrijding van de Duitse bezetting. In november was Alnasayyir voor het eerst sinds tien jaar terug in Irak. Het werd de tijd van zijn leven. Hij bezocht zijn kinderen in Bagdad en zijn moeder in Basra. Vooral Basra was prachtig: ,,Ik kon daar tot twee uur 's nachts op straat lopen, ook over de boulevard, wat onder Saddam verboden was. Britse militairen zie je bijna niet.'' Toch zijn er ook dingen die niet deugen in Basra: ,,Er lopen veel Iraniërs rond, ook bij de politie. Islamitische partijen hebben wegversperringen en als je een ambtenarenbaan wil dan heb je een brief van een partij nodig. Wat dat betreft zijn ze net als Saddam.''

Een dag nadat hij een lezing had gehouden meldde een tv-zender dat hij was gedood. Alnasayyir: ,,Een dreigement. Het deed me weinig. Ze noemen zich 'verzet' maar een bom bij een school is terrorisme. Hoe erger hun misdaden, hoe meer ze ons herinneren aan Saddam met zijn massagraven en oorlogen. Niemand wil dat terug. Natuurlijk is er angst, over de vraag hoelang de terreur zal voortduren. Maar niemand is bang dat het oude regime terug zal keren. De terroristen kunnen niet winnen. Ze zijn versnipperd en hebben geen programma. Ze steunen op stammenloyaliteit maar die duurt niet eeuwig. Een ding is zeker, er is nu minder angst in Irak dan onder Saddam.''

vervolg

vervolg

,,Ze hebben je zeker niet de achterkamer laten zien?'' zegt Mohsin een jaar later. Hij heeft het over een woonvertrek in het huis van zijn zus en zwager, in Bagdad.

Ter voorbereiding van een reis naar Irak, na de val van Saddam, praatte ik op een Haags terrasje urenlang met Mohsin over Bagdad. Of, beter, over het Bagdad zoals dat in zijn hoofd voortleefde maar niet meer bestond, zo bleek een paar dagen later.

Vol vervoering beschreef hij de Aboe Nuwasstraat aan de oever van de Tigris, met zijn bars, vrouwen en dichters. Hij wees op de plattegrond van Bagdad plekken aan van literaire cafés en waar je op straat tweedehands boeken kon kopen.

Allemaal spoorloos verdwenen, maar de aanwijzingen hoe bij zijn zuster en zwager in de wijk Thawra (ook wel Saddam- of Sadr-City genaamd) te komen, klopten wel perfect: ,,Neem een taxi naar het benzinestation van Thawra, daarna tweede straat rechts en dan de vierde kapper links en die zal je verder helpen.'' Voor het eerst ben je in een wildvreemde stad met zes miljoen inwoners en de oppervlakte van een Nederlandse provincie, en met die summiere aanwijzingen ben je in een half uur op het juiste adres in een achterafstraatje in een vermaarde volkswijk, waarop Saddam nooit echt vat kreeg, ook niet met de bloedbaden die hij er nu en dan liet aanrichten.

In een van die straatjes heeft Mohsin Saddam vervloekt, in een periode dat je met minder risico de profeet Mohammed kon uitschelden. Zijn bloed kookte toen aanhangers van Saddam hun buren schoffeerden, misbruik makend van hun macht als partijleden. ,,Het was waanzin'', blikt hij terug. ,,Maar zulke dingen gebeurden soms. Een dichter schold eens in een theater zomaar Saddam uit. Van hem hebben we nooit meer iets gehoord.'' Mohsin overleefde wel. Voor de foute buren was de solidariteit van de volksbuurt belangrijker dan trouw aan de leider. Ze deden geen aangifte.

Mohsin is dichter. Zijn opleiding tot chemicus brak hij af toen hij vermoedde dat hij in de wapenindustrie zou eindigen. Hij koos voor de literatuur. In de oorlog van 1991 verbijsterde hij zijn omgeving, toen hij bij bombardementen doodgemoedereerd de Franse schrijver Baudelaire bleef lezen.

Later belandde hij alsnog in de gevangenis, vanwege bij hem thuis aangetroffen filosofieboeken. ,,Een mens kan meer aan dan je denkt'', zegt hij over zijn detentie. Maar toen de folteringen door Amerikanen in de Aboe Ghraib-gevangenis bekend werden, kreeg hij last van herbelevingen.

Mohsin was tegen de oorlog. Hij vindt nog steeds dat de Irakezen zelf Saddam hadden moeten verdrijven. Toch is zijn stemming omgeslagen. Het viel hem op dat zijn familieleden aan de telefoon vrolijker klonken dan onder Saddam: ,,Vroeger zeiden ze, als je vroeg hoe het ging 'al-hamdoelillah, God zij dank'. Maar het klonk triest. Nu zeggen ze hetzelfde, maar vrolijk.''

Die achterkamer, zo onthult hij, was van een broer van de zwager, een militair, na een complot tegen Saddam in 1980 geëxecuteerd. ,,Sindsdien staan alle meubels en boeken nog op dezelfde plaats'', zegt hij. De zwager draagt weer witte kleren. Sinds 1980 ging hij in het zwart gekleed. De goede berichten nemen toe. Andere familieleden hebben vakantie gevierd in Iran. Ze krijgen salaris. Ook de hoge bloeddruk is gedaald. De dokter durft nu wel de juiste diagnose te stellen: ,,Saddamstress.''

Mohsins verhaal staat niet op zichzelf. Gesprekken met zo'n twaalf Iraakse ballingen laten een verward gevoel achter omdat ze, hoe kritisch ze ook zijn, toch een vrij optimistisch beeld schetsen, dat in weinig media terug is te vinden.

In het licht van de dagelijkse ellende is de wanhoop van de media over Irak begrijpelijk. Maar soms lijken journalisten toch een beetje te veel op de profeet Jona, die van God boetepreken moest houden in Nineve, dicht bij het huidige Mosoel. Toen hij klaar was ging hij lekker op een berg zitten kijken hoe de stad zou worden omgekeerd. Hij voelde zich verongelijkt toen dat niet gebeurde.

Wie nu, in Nederland, nog optimistisch is over Irak, moet zich verzetten tegen het gevoel een kloon te zijn van Saddams minister van propaganda Sahhaaf, de man die, zelfs toen de Amerikaanse tanks al door Bagdad rolden, volhield dat het Iraakse leger alles onder controle had. En die, volgens grappenmakers, na het neerhalen van Saddams standbeeld in Bagdad zei: ,,Periodiek onderhoud.'' De Amerikaanse president George Bush had in de oorlog weinig tijd om tv te kijken, maar Sahhaaf miste hij nooit.

De grimmige berichtenstroom uit Irak zou de indruk kunnen wekken, dat Amerika nu zelf een Sahhaaf nodig heeft om de moed erin te houden. Weinigen verwachten dat de verkiezingen van morgen een wondermiddel zijn tegen alle kwalen.

Er waren eerdere momenten van valse hoop. Zoals de dood van Saddams zonen in de zomer van 2003, in een schietpartij in Mosoel. Of de arrestatie van Saddam zelf, in december van dat jaar. Maar ook het opgeluchte 'Ladies and gentlemen, we've got him' van de Amerikaanse bewindvoerder Paul Bremer bracht geen verlossing. Irak is geen Roemenië, waar in 1989 het verzet van de getrouwen van dictator Ceausescu instortte na de executie van hun held.

In plaats daarvan verschenen er op de tv video's van opperterrorist Aboe Moesab Al-Zarqawi, die in de naam van God gijzelaars de keel afsnijdt. De schattingen over het aantal omgekomen Irakezen lopen sterk uiteen maar het zal in de tienduizenden lopen. Tweeduizend Amerikaanse militairen sneuvelden en ook twee Nederlandse. Dezer dagen zijn stemlokalen het doelwit. Uit angst voor aanslagen zijn veel namen van kandidaten niet bekend gemaakt. De kiezers stemmen op goeddeels anonieme lijsten.

Wie uitsluitend staart naar de bagger van jobstijdingen moet de ongeveer 60 procent van de Amerikanen, die onderhand tegen de oorlog zijn, wel gelijk geven. En moet ook alsnog volmondig adhesie betuigen aan de Franse president en de Duitse bondskanselier, voor hun verzet tegen de Brits-Amerikaanse inval in Irak. Toch zijn er stemmen, die de harmonie van de klaagzang verstoren.

Iraakse ballingen spelen geen mooi weer. Ze hebben bijtende kritiek op de Amerikanen. En ze behoren niet allemaal tot de bevolkingsgroepen, die onder Saddam het ergste hebben geleden, de sjiieten en de Koerden.

In maart 2003 waren ze verdeeld over de oorlog, sommigen liepen mee in protestdemonstraties, al dan niet aangemoedigd door Gretta Duisenberg.

Toch denken velen nu, dat Irak op de goede weg is. Deels baseren ze dat op eigen waarneming, deels op telefooncontacten met familie en vrienden in Irak. Ze zijn overtuigd van de uiteindelijke overwinning op wat zij 'de terreur' noemen en niet 'het Iraakse verzet'. Over de hoogte van de prijs maken ze zich geen illusies, die zal hoog zijn. In die zin zijn ze wel pessimistisch.

Gevraagd om de toestand nu te vergelijken met die onder Saddam maken ze de volgende balans op: ,,Materieel gaat het beter, er zijn salarissen en de markt is beter verzorgd. We mogen zeggen wat we willen. Maar onder Saddam was de straat veilig. Geen zinnig mens vindt de huidige toestand aanvaardbaar, maar dat was hij onder Saddam evenmin. Ook toen hadden we maar een paar uur elektriciteit. Nu is er uitzicht op verbetering en toen

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden