DE TENTOONSTELLING

Het Moldavische paviljoen rook naar rozenolie, bij de Georgiers mocht je wijn proeven. Een bezoek aan de De Tentoonstelling van Verworvenheden van de Volkseconomie moet een reuze leuk verzetje zijn geweest. Nu is de permanente expositie aan lager wal.

WERA DE LANGE

In deze hoek kunnen geinteresseerden nog zaadjes kopen, geiten en koeien bekijken in allerlei soorten en maten. Hier rijden jonge paardenfanaten tenminste nog rondjes over het daarvoor bestemde veldje. Hier heten de paviljoens 'Zwijnenfok' en 'Brood'. Of 'Voer'. En als ik door de zilversparren heen omhoog kijk, wordt ik recht in de kont van een stier uit Stalin's tijd gezogen. Het stierenbeeld staat in de vrieskou vurig te doen op het dak van 'Vleesverwerking', een van de pompeuzere paviljoens.

Misschien vertonen en verkopen ze in Voer nog socialistisch, of desnoods kapitalistisch, beesteneten? Had je gedacht. Het roze van neorococo slaat de bezoeker in het gezicht, 'Voer' is ook al een meubelhal geworden, zoals Kosmos verziekt is door een autosalon, Electrotechniek door parfums en stereo- installaties.

''Oh ja, er komen hier heel veel kopers'', zegt de flitsend geklede meubelverkoper bij de deur van 'Voer', met overdreven zelfvertrouwen. Geen klant te bekennen. De meubelwinkel van de firma 'Korsa' is hier sinds een half jaar gevestigd. De winkelhuur - ''wat is het ook al weer, Wasja?'' - komt neer op ongeveer driehonderd roebel oftewel zestig cent per vierkante meter. Per maand? ''Ja. Ik geloof per maand'', zegt de verkoper vaagjes. Te betalen aan? Aan de directie van de agrarische sectie van de Tentoonstelling van Verworvenheden van de Volkseconomie. En die directie heeft zich inmiddels zeker omgevormd in een commerciele rechtspersoon, los van de staat? ''Ja, natuurlijk'', zegt de verkoper, ''hoe het precies zit, weet ik niet, maar de hele Tentoonstelling is nu commercieel, dacht ik.''

In een kamertje aan de achterkant van 'Voer' zitten drie vrouwen uitgebreid niets te doen. ''Ach, u moest eens weten hoe druk het hier vroeger was, toen we nog tentoonstellingen organiseerden!'', vertelt Tatjana Petrovna, de meest enthousiaste van de drie dames. ''Zulke mooie tentoonstellingen hebben we gehad, honderden bezoekers per dag, studenten, agronomen, schoolklassen, directies van collectieve boerderijen, iedereen kwam kijken. Ach, het was zo zinvol, zo mooi.''

Alle drie de vrouwen zijn gestudeerde agronomen. En nu zitten ze hier bij de thee maar een beetje duimen te draaien. Twee van hen werken ongeveer tien jaar bij de tentoonstelling, enthousiaste Tatjana al sinds 1971. 'Voer' is ''als het ware mijn hele leven''. ''Maar de hele tentoonstelling valt nu uit elkaar. Er is niets meer van over. Een enkel paviljoen heeft nog wel eens een korte agrarische tentoonstelling, met weinig vitrines, voor een paar dagen, altijd commercieel. Bij 'Broodproduktie' doen ze vaak iets. Wij helpen dan een beetje. Verder hebben we niets te doen.''

Tatjana laat foto's zien: Een enthousiaste, heel jonge Sovjet-vrouw, te weten Tatjana zelf, leidt dikbuikige collectieve-landbouwbonzen rond over proefvelden met klaver en geeft uitleg bij feestelijk gekleurde produktietabellen. Honderden foto's heeft ze, van vitrines, maquettes, uitstalkasten, voer en bij ieder object geeft ze weer uitleg: wat voor voer, hoe mooi die ronddraaiende korenaar van glas gemaakt was, en hoe modern die-en-die opslagmethode voor bieten toen werd gevonden.

Er werkten in die oude tijden zevenduizend mensen op de permanente Tentoonstelling van Verworvenheden van de Volkseconomie, in Moskou-Noord, bijna aan de voet van de tv-toren van Ostankino. Tatjana zucht: ''Nu zijn het er nog vijfduizend. De directie heeft ons met zoveel woorden verteld, dat we veel te veel mensen in dienst hebben. Dus zit iedereen te wachten tot er ontslagen vallen. Terwijl directeuren intussen, vermoeden we, hun zakken spekken met de huuropbrengsten.'' De agronome gebaart in de richting van de hal met rococo-meubeltjes. ''Tweehonderd roebel per vierkante meter per etmaal, betalen ze hier. En dan is dit nog een afgelegen paviljoen. De autosalons rond het centrale plein betalen het dubbele.''

We gaan bijna mee terugverlangen naar de tijd van de Volkseconomie. Weemoedig nemen we afscheid van de enthousiaste Tatjana, die zoveel liever hard gewerkt had aan haar geliefde tentoonstelling. Aan haar heeft het niet gelegen, dat het nooit wat geworden is met de voedering van de gemiddelde collectieve Sovjet-koe.

We lopen terug naar de hoofduitgang van de TVVE, door de kou, de blerende muziek, langs de kermis van rokende sjaslik en kiosken met vodka en Mars, tussen de burgers door die zich aan Mercedesssen en Japanse televisie's zijn komen vergapen. Zo loopt Tatjana ook iedere dag naar de metro, elke dag is er weer een stukje van vroeger afgeknabbeld en een stukje nu toegevoegd.

Er wandelen hordes grote kartonnen dozen met ons mee naar de uitgang, pas gekochte computers, video's, televisie's, met Russische beentjes er onder. Russen geven tegenwoordig de voorkeur aan Japanse, Amerikaanse en West-Europese Verworvenheden.

Een keer heb ik meegemaakt, dat er hier - op het terrein van de Tentoonstelling - een decadent feest werd gegeven. Dat was twee jaar geleden. Dus toen was de verloedering al begonnen. Maar toen waren er nog geen winkels en auto-salons in de paviljoens en er hingen nog geen reclameborden.

Dat decadente feest verdient het niet onthouden te worden, maar de ijskoude maannacht en het onwezenlijke decor wel: Levensgrote ruimtestations aan het dak van het Kosmos-paviljoen, ruimtepakken en -helmen, modellen van satellieten, enorme straalmotoren en al het andere dat bij ruimtereizen goed van pas komt. Buiten voor de deur stond een echte raket. Die raket staat er nog. De astronaut Joeri Gagarin met zijn lieve gezicht was al tot een reclame-grap voor dat malle feest gedegradeerd.

Bewoners van dollarland mochten in die decadente nacht met de auto het terrein op, als ze een feestkaartje hadden. Met vier hikkende Hollanders op de achterbank, draaiden we rondjes om de fontein van de Vriendschap tussen de Volkeren met zijn reidans van geheel vergulde vrouwenstandbeelden, langs de paviljoens Boek, Volksonderwijs, Kernenergie, om de wilde Vissenfontein, langs de enorme transformator, Graanteelt, Electrotechniek, Optika.

Architectuur uit de Stalin-tijd verveelt niet, net zo min als Mussolini-, of Hitler- of Ceaucescu-bouw, net zo min als sprookjes. Op de Tentoonstelling van Verworvenheden toont het totalitarisme zijn versierderigste gezicht, met geglazuurde bloemenkransen om dorische zuilen, strak-klassicistische gevels in een stroopje van weelderige beeldengroepen, grote pleinen en mozaieken fonteinen met glinsterende halfedelstenen en malachiet. De burger wordt een blij kind, als hij het allemaal ziet.

Duitse krijgsgevangenen lieten zich hier bij het begin van de bouw in 1949 van hun beste kant zien, in het grond- en graafwerk, vertelt ingenieur Soerogin, die het hele grondwerk en de aanleg van de fundamenten voor de tentoonstelling heeft gedaan. Russische gevangenen, uit de Boetierka-gevangenis werden in de meubelmakerij gebruikt, weet architect Marinovski zich nog vagelijk te herinneren. ''Daar waren geweldige vaklieden onder.''

Leonid Marinovski heeft de wording en verwording van de Tentoonstelling helemaal meegemaakt, van 1949 tot 1986, toen hij als hoofdarchitect uit protest ontslag nam. ''Architect Zjoekov werd in 1949 gebeld door iemand van het Centraal Comite. Ik was er bij. Zjoekov en ik waren in die tijd bezig met een gezamenlijk ontwerp voor het Bjeloroeski-metrostation,'' vertelt Marinovski.

''Het CC vroeg of Zjoekov de bouw van een grote, permanente Tentoonstelling wilde leiden, op het terrein van de tijdelijke Landbouwtentoonstelling van 1939. Zjoekov was altijd recht op de man af en zei: Nee. Waarom niet? vroegen ze. Hij antwoordde dat hij goed had onthouden, hoe de hoofdarchitect van die tijdelijke Landbouwtentoonstelling, Altarzjevski, in 1939 naar een kamp in Kolyma (noordoostelijk Siberie, het kampgebied met de hoogste sterfte) verdween. Iets in de tentoonstelling van Altarzjevski stond Kaganovitsj (een naaste medewerker van Stalin - red.) niet aan; Altarzjevski naar het kamp. Zo gingen ze toen met architecten om in dit land. En nu is het nog niet veel. Kortom, Zjoekov zei 'nee'. Hij bleef liever professor. Denkt u er toch maar over na, zei de man van het CC. Uiteindelijk bezweek Zjoekov voor de verleiding van de grootschaligheid van het project. Dat stond hem aan.''

De nieuwe, permanente Tentoonstelling moest groots en wijds worden, maar wel zo goedkoop mogelijk. Geen gewapend beton, geen staalconstructies, oh nee. ''In 1949 hadden we nog helemaal niets om mee te bouwen. Alles moest met licht materiaal, alleen het paviljoen Machinebouw, later Kosmos, kreeg een staalconstructie'', vertelt Marinovski. Misschien komt het door die materiaalkeuze, dat bezoekers een zeker bordkartonnen, decorachtig gevoel bij blijft.

Iedere republiek van de Sovjet-Unie kreeg een eigen paviljoen in de Tentoonstelling van Zjoekov, met stijlfiguren die naar de folklore van die republiek verwezen. Het Moldavische paviljoen was permanent in een geurtje van rozenolie gedompeld, bij de Georgiers mocht je wijn proeven, en zo kregen alle paviljoens 'de atmosfeer' van hun republiek mee, vertelt Marinovski. Voor de vermoeide, afgebeulde Russen van de Stalintijd moet een bezoek aan de tentoonstelling een reuze leuk verzetje zijn geweest.

Helemaal in het begin, in de tekenfase, beklaagde de partijsecretaris van Moskou, Nikita Chroesjtsjov, zich over het feit, dat het Moskouse paviljoen lager was dan het Oekraense, dat er vlak naast lag. Haastig werd er een afzichtelijke gouden piek op het Moskouse paviljoen geprojecteerd. Die staat er nog steeds op. Niet veel later kwam de pas benoemde partijsecretaris van Oekraine, Nikita Chroesjtsjov, op het architectenkantoor kijken. Hij werd woedend, toen hij zag dat het Moskouse paviljoen hoger dreigde te worden dan het Oekrainse. Haastig werd er een bruidstaartachtige constructie bovenop het dak van 'Oekraine' verzonnen. Die staat er ook nog steeds.

''En het is allebei zo lelijk, die piek en dat rare geval'', klaagt Marinovski, ''allebei de ontwerpen zijn verziekt. Zo werkten wij. Wilt u dat wel geloven? Zo werkten wij. Als het niet Chroesjtsjov was, dan was er altijd wel een wegens dronkenschap omlaag gepromoveerde minister, die zich met je werk bemoeide, omdat hij voor een paar maanden tot directeur van de Tentoonstelling was benoemd.''

In 1965 besloot iemand, dat de republiekspaviljoens vervangen moesten worden door sectorpaviljoens: Er kwam een huis voor de Electrotechniek in het paviljoen van Wit-Rusland, Oekraine werd graanteelt, enzovoort. De republieken reageerden beledigd. Voor de tentoonstelling was het het begin van het verval. ''Wat moest je iedere keer met het nieuwe tractormodel uit Rostov? Daar komen mensen toch niet van heinde en verre voor naar Moskou,'' moppert Marinovski gekweld. Het ging van kwaad tot erger. In vele paviljoens stonden objecten wel drie jaar of langer te kijk. ''Het was geen tentoonstelling meer, maar een opslag. Er waren nog drie of vier paviljoens die publiek bleven trekken, vooral de agrarische. De rest stierf langzaam af. Wie wil er nu naar een paviljoen voor Volksonderwijs of een paviljoen voor Agitatie en Propaganda? ''

Nu gaat Marinovski maar liever helemaal niet meer kijken naar wat er van zijn Tentoonstelling is geworden. ''Een kermis in de slechte betekenis van het woord.'' Hij kijkt met liefde naar een foto van het centrale plein van 1954, vlak voor de opening van de TVVE. ''Japanners, die weten hoe je een tentoonstelling opbouwt,'' zegt hij opeens gepassioneerd. ''Een tentoonstelling moet een trampoline naar de toekomst zijn, geen uitstalkast van tractoren.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden