'De tenniskinderen zijn verwend en bedorven'

AMSTERDAM - De Nederlandse tenniskampioenschappen zijn in volle gang. Martin van Daalen kijkt naar de verrichtingen van Edwin Kempes. De tennistrainer vertrekt geen spier, wanneer zijn pupil de eerste set wint van de als derde geplaatste Martijn Bok. Hij blijft al even onverstoorbaar, wanneer Kempes de partij alsnog verliest. Winst is mooi. Maar een nederlaag ook. Daar kan een tennisser van leren.

Kempes heeft zojuist geleerd dat hij niet alles uit zichzelf heeft gehaald, wat er in zat. “In de tweede set vond hij dat hij slecht stond te spelen”, analyseert Van Daalen. “Die set heeft hij verloren, omdat hij dat idee maar niet van zich af kon zetten. Hij moet leren de vorige bal te vergeten en alleen maar bezig te zijn met de volgende bal. En hij moet leren dat het niet uitmaakt hoe hij die volgende bal slaat, zolang hij er maar een punt mee scoort.”

Edwin Kempes is een typisch produkt van de Nederlandse tennisschool, waarin verreweg de meeste aandacht uitgaat naar de techniek. Vanaf de eerste tennisles wordt het er bij kinderen ingehamerd dat een flodderig geslagen bal, ook al levert hij een punt op, een miskleun is. Die visie is niet uit te roeien, ook al kan iedereen zien dat een rouwdouwer als Jim Courier meer succes heeft dan een schoonheidsspecialist als Jan Siemerink.

“Daaraan kun je zien dat techniek niet zaligmakend is”, zegt Van Daalen. “Maar het lijkt wel alsof dat in Nederland nog niet is doorgedrongen. Hier worden tennissers er constant op vastgepind hóé ze de bal moeten slaan. Terwijl het er alleen maar om gaat dat je het punt wint. Hoe je dat doet is van geen enkel belang. Edwin heeft voor mijn part mooier gespeeld en meer initiatief getoond dan Martijn Bok, maar Bok heeft het slimmer aangepakt. Dan vind ik dat Edwin verdiend verloren heeft.”

Van Daalen werkte zeseneenhalf jaar op de Harry Hopman Academy met tennissers als Jim Courier, Pete Sampras en Jennifer Capriati. Ruim twee jaar geleden keerde hij terug naar Nederland, werd trainer bij de Amsterdamse eredivisieclub Popeye Gold Star en begon daar een tennisschool. Sindsdien stoomt hij, met behulp van sponsorgelden, twee assistenten en een Amerikaanse aanpak, jeugdige talenten klaar voor de wereldtop.

Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Tussen Nederlanders en Amerikanen ligt, afgezien van een Atlantische oceaan, een wereld van verschil. “Wanneer je in aanraking bent geweest met de situatie in de Verenigde Staten, valt het hier wel eens tegen”, verzucht Van Daalen. “Het is daar heel gemakkelijk om met toppers te werken, omdat de juiste mentaliteit er met de paplepel is ingegoten. Als ik tegen Amerikanen zeg dat ik twee uur aan de forehand wil werken, geven ze geen kik. Terwijl ze hier al na een kwartier beginnen te piepen: 'Mogen we nu iets anders doen?' Daar word ik wel eens doodziek van.”

Nederlandse tenniskinderen zijn op hun veertiende jaar al door en door verwend en bedorven. “Jarenlang zijn ze door hun omgeving opgehemeld en behandeld als semi-godjes. Ze denken dat ze al heel wat zijn en gaan er van uit dat ze alles beter weten dan de trainer. Waar ze die arrogantie vandaan halen om mij te vertellen dat het niet klopt wat ik zeg, weet ik niet. Wat ik wel weet is dat ze besmet zijn met een mentaliteit, die moeilijk is af te leren. Het kost jaren om die arrogante houding om te buigen. Allemaal verloren tijd, die veel beter aan iets anders besteed had kunnen worden. Dat is de reden waarom Nederlandse kinderen pas op hun achttiende en niet, zoals in veel andere landen, al op hun veertiende doorbreken.”

In twee jaar tijd heeft Van Daalen een groep van negen veelbelovende talenten bij elkaar gekregen. Zij zijn niet geselecteerd op techniek of tactiek, maar op mentaliteit en fysieke kwaliteiten. “Techniek is te veranderen en taktiek is aan te leren”, is de trainer van mening. “Mentaliteit, conditie en handigheid zijn veel belangrijker. Bij jeugdtoernooien kijk ik hoe de kinderen zich gedragen. Zie ik mogelijkheden om hun gedrag snel te veranderen, kan ik er wat van maken en kan ik het maximale eruit halen? Als dat zo is, nodig ik ze uit om een half jaar in mijn school te komen trainen.”

Als de samenwerking na een half jaar proefdraaien wederzijds bevalt, tekent de leerling een contract, waarin hij zich tot zijn negentiende jaar aan de Amsterdamse tennisschool verbindt. In ruil voor de nagenoeg gratis trainingen laat de tennisser, zodra hij met het verdiende prijzengeld royaal kan rondkomen, een deel van dat geld in de kas van de school terugvloeien. “Zij zijn voor ons een investering, die er heel vaak niet uitkomt”, vertelt Van Daalen. “Iedereen die de top 50 niet haalt, is per definitie een verliespost.”

De financiële belangen, die met de opleiding van de talenten zijn gemoeid - ieder van hen kost de tennisschool zo'n 15 000 gulden per jaar -, vereisen een zakelijke benadering. Tennissers die niet bereid zijn zich aan het regime van de school aan te passen, wordt dringend verzocht hun heil ergens anders te zoeken. “Een van de sterke punten van het Amerikaanse systeem is, dat de teamgenoten elkaar steunen”, legt Van Daalen uit. “Die mentaliteit is alleen over te brengen, als iedereen meewerkt. Er hoeft maar één rotte appel in de groep te zitten, die gaat zeuren omdat hij vindt dat hij te hard moet werken, en hij kan een hele groep naar beneden halen. Daarom smijt ik iedereen die niet in de groep past, eruit. Dat is een verschil tussen ons en de meeste andere tennisscholen. Zij zijn voor hun inkomsten afhankelijk van hun spelers en durven ze dus minder gauw op straat te zetten. Maar doordat wij de steun van sponsors hebben, hebben we die mogelijkheid wel.”

Van Daalen is blij dat hij een dergelijke stok achter de deur heeft. “Al zou je ook kunnen zeggen dat zo'n stok helemaal niet nodig zou moeten zijn.” Het wordt bijna eentonig: “In Florida ben ik geconfronteerd met topspelers en de manier waarop zij denken. Die manier probeer ik hier over te brengen, omdat ik gezien heb dat het werkt. Als ik een Amerikaanse tennisser vraag waarom hij een bepaalde fout maakt, rust hij niet voordat hij het weet. Als ik hetzelfde aan een Nederlandse tennisser vraag, is het standaard antwoord: 'Weet ik niet'. Dat is lekker makkelijk. Door dat te zeggen hoef je niet na te denken en kritisch te zijn. Je wilt niet leren, je wilt alles aangereikt krijgen. Het kost tijd om daarover te praten en die tijd gaat weer ten koste van andere dingen. Al is het ook een uitdaging om daar verandering in aan te brengen.”

Een van zijn uitdagingen heet Edwin Kempes. De 18-jarige Monnickendammer, die op eigen houtje niet veel verder was gekomen dan het spelen van B-toernooien in de regio Noord-Holland, werd anderhalf jaar geleden aan de Popeye-stal toegevoegd. Onder leiding van Van Daalen maakte hij zo'n progressie door, dat hij aan Jong Oranje werd toegevoegd. Begeleid door de juniorencoaches Fred Hemmes of Marian Laudin bezoekt hij satelliettoernooien, de eerste stap van iedere proftennisser naar het grote werk.

Aan zijn slagenrepertoire valt niet veel meer te verbeteren. “Als je me een jaar geleden naar mijn sterkste punt had gevraagd, had ik alleen mijn forehand kunnen noemen”, zegt Kempes. “Maar in een jaar tijd heb ik zoveel geleerd, dat al mijn slagen nu goed zijn.” Kempes is een Courier-type, stelt Van Daalen tevreden vast. Als hij nou ook nog gaat denken als een Courier, kan hij een heel eind komen. “Mijn zwakke punt is dat ik nog niet de juiste bal sla op het juiste moment”, weet Kempes van zichzelf. “Als ik tegen Martijn Bok met 40-15 voor sta, moet ik voor een ace gaan.” Winnen is mooi. Maar verliezen ook. Edwin Kempes heeft er heel wat van geleerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden