De teloorgang van de stilte

Met de Uitmarkt, de opening van het culturele seizoen in Amsterdam, barst de komende dagen weer een hoop kabaal los. Het hoort bij de Nederlandse volksfeesten, maar een teken van beschaving is het bepaald niet. „Schreeuwen is het begin van gewelddadigheid.”

Op een steenworp afstand van de Franse koningenkathedraal in Reims staat een permanente draaimolen. Zo’n klassieke; met twee verdiepingen waarin de houten paarden steigerend en dalend hun rondjes draaien. Ogenschijnlijk niets nieuws onder de zon.

Maar wacht eens: er is toch iets uitzonderlijks aan de hand. De kinderen roepen niet naar hun moeders, die om de draaimolen heen staan, maar zeggen een paar woorden als hun paardje langs hun moeder draait. En de moeders verstáán dat. Op de kinderstemmen na is het immers stil. Heel zacht valt nog het gekreun van het draaiplankier te horen.

Nu een willekeurige zaterdagmiddag in Nederland. Voor een even willekeurige Albert Heijn staat een draaimolen. Met kleuterauto’s van kunststof in plaats van houten paarden. Ook hier staan moeders rondom. Aan twee kanten naast de draaimolen produceren manshoge luidsprekers oorverdovende muziek. De kinderen in de draaimolen schreeuwen zich de lucht uit het lijf om de aandacht van hun moeders te trekken. Tevergeefs, de decibellen overschaduwen zelfs de sirene van de draaimolen. Onderling bespreken wie de mooiste (brandweer)auto berijdt, is uitgesloten. Ook de moeders langs de rand halen het wel uit hun hoofd om een woord met elkaar te wisselen.

Die draaimolen met zijn luidsprekers die louter keet veroorzaken, is op elk Nederlands feest terug te vinden. Op buurtfeest, braderie, Koninginnedag of op de jaarlijkse Uitmarkt. Een Nederlands openluchtfeest zonder oorverdovende klankkasten is uitgestorven. Wie elkaar op een feest ontmoeten, moeten in gebarentaal een praatje maken. Bedienend personeel draagt oordopjes. Als je wat wilt bestellen, moet je iets aanwijzen en een aantal vingers opsteken. Alsof je in een stomme film zit. Hoewel: zát je daar maar in.

Amper heb je over de twee draaimolens verhaald, of de reactie is even bliksemsnel als identiek: ,,Ga toch weg, jij, met je ouwelullenpraatjes! Vroeger was alles altijd zeker beter! Weet je wat het met jou is? Je gaat niet met je tijd mee!”

Tja, vroeger. Dat was ooit. Toen bestond de verwensing ’ouwelullenpraatjes’ nog niet en waren er simpelweg ’oude mannen’ die soms ook nog ’wijs’ bleken te zijn.

Of schreef William Shakespeare welbeschouwd alleen maar lappen ouwelullenpraat?

In zijn enscenering van Shakespeares ’Het temmen van een feeks’ laat regisseur Ivo van Hove een tumult en kabaal losbarsten dat horen en zien doet vergaan. De vrienden van de onverschrokken Petruchio, die zijn feeks Kate gaat temmen, zijn in permanente feeststemming. Dat wil zeggen: ze zijn doorlopend dronken als tollen en weten niet anders feest te vieren dan hossend, stampend, spugend en olé schreeuwend (dé hedendaagse dialoog) oeverloze stampij te maken. Het maakt niet uit of ze er nu als corpsballen, bouwvakkers of voetbalvandalen uitzien, als er maar tumult, kabaal en keet rondom hen loeit. Te midden van al dat identieke bonkebonkebonkbehang hebben Shakespeares vrienden uit Padua, Pisa en Verona zelf niet eens meer in de gaten op welk feest ze zijn beland: oudejaarsavond, een olympische huldiging, de Wereldcup, 5 mei of toch de naderende bruiloft van Kate, die haar feeksharnas heeft afgelegd?

Het volksfeest Sail moest het, de eigennaam getrouw, van wind en van zeilen hebben. Van knarsende gieken, klotsende golven, ratelende ankerkettingen, klapperende zeilen, kreunende dukdalven, in bourdontoon zwoegende scheepsschroeven, overkrijsende zeemeeuwen, zuchtende sluisdeuren, uitrekkende en natte scheepstrossen en het gekrikkrak van een aan te sjorren lier.

Maar dat was de organisatie niet genoeg, want er moest nu eenmaal ’leven in de brouwerij’ wezen. ,,Er worden extremere sporten en kunsten getoond, waaronder varen op waterscooters”, berichtte de buurtkrant in kennelijke feeststemming. ’Varen’ is hier valselijk gebruikt, want een scooter te water vaart niet, maar ronkt, walmt, tolt nutteloos en knetterend van de ene oever naar de andere. Nog meer feestnieuws: ,,Op de kop van het Javaeiland krijgt de Noordzee met behulp van moderne Hollandse muziek meer invulling.”

Met ’Het temmen van een feeks’ schetst regisseur Van Hove een trefzekere metafoor van ’het hedendaagse feest’ in Nederland. Sluipenderwijs, bijna ongemerkt, ontkiemt te midden van het aanhoudende groepslawaai de liefde tussen twee individuen, tussen Kate en Petruchio, die naarmate hun liefde groeit hun geschreeuw laten varen, en tegen het slot vrijwel tegen elkaar fluisteren.

In deze geest schreef Thomas Rosenboom met ’Denkend aan Holland’ zijn loflied op verstilling. Althans, op een ingrijpende vermindering van lawaai. ,,Stel je toch eens voor: een algeheel schreeuwverbod op onderwijsinstellingen, vanaf de kleuterschool tot aan de universiteit: het zou een wetsvoorstel kunnen zijn. Het kost niets, bespaart alleen maar heel veel geld dat nu uitgegeven moet worden aan de vervanging van al die leerkrachten in de ziektewet.”

Rosenboom neemt de beginregel van Marsmans ’Herinnering aan Holland’ als leidraad voor zijn beschrijving van de teloorgang van feestvieren in Nederland en de toename van onbehouwen lompheid in het bijzonder. Lawaai en agressie zijn kennelijk onlosmakelijk aan elkaar verwant.

Een feeststemming kan bliksemsnel, als per oogopslag, in oorlogszuchtige grimmigheid omslaan. Rosenboom beschrijft hoe dronken feestvierders ’de armen zegevierend omhoog’ en ’in een wolk van dreunende house’ op bootjes door de gracht voorbijkomen. ,,En ja, dan zwaait er zo’n lachende en zingende vrijbuiter op een gegeven moment ook naar mij. Ik zwaai natuurlijk niet terug, ik lach niet eens terug, ik kijk alleen maar terug, strak, onbewogen, zonder een spier te vertrekken. Na een kort moment, je ziet het bijna niet, maar onmiskenbaar toch, verandert er iets in de held: de mond blijft open, de arm geheven, alleen lacht hij nu niet meer maar zwaait hij dreigend met de vuist – toch wel een heel verschil, wat is er in de gauwigheid gebeurd? Vreugde? Je zou wel zeggen dat hij daar vol van zat, maar echte vreugde vervliegt toch niet zomaar? Ik zou dan ook denken dat deze man niet vol vreugde zat, maar barstensvol opwinding, die onder de inwerking van het gedreun, de drukte en de drank weliswaar de uiting kreeg van een beroesde vreugde, maar er hoeft dan maar iets te gebeuren, iemand hoeft maar even zijn zin niet te krijgen, of diezelfde opwinding verschiet in een flits tot woede, razernij en geweld.”

Dat is binnenlands vertier, en Nederlanders nemen dat mee naar het buitenland als ze massaal op vakantie gaan naar „een Grieks eiland, Marbella, de Costa Blanca of hoe die ongelukkige oorden ook mogen heten”.

,,Heesgeschreeuwd komen ze terug, en omdat ze ook doof zijn van de herrie blijven ze schreeuwen, thuis, op school, als ze allang volwassen zijn, in restaurants, waar je nauwelijks nog met elkaar kunt praten vanwege de herrie.”

Opvallend afwezig in ’Denkend aan Holland’ is het oeverloze geschreeuw in mobiele telefoons. ,,Ja”, zegt Rosenboom, ,,maar ik schrijf over gedragingen die agressief geladen zijn. Dat getelefoneer vind ik niet agressief, hooguit asociaal. Al krijg je, denk ik, wel meteen een grote bek terug als je vraagt of het wat zachter kan.”

Hij noemt zichzelf allerminst bereisd, maar komt wel eens in het buitenland. ,,Toen ik jaren geleden eens terugkwam uit België, voelde Nederland vreemd aan, en België juist vertrouwd. Dat is raar, want in het buitenland heb je ander eten, andere natuur, architectuur, taal, mensen die er anders uitzien. Opeens realiseerde ik mij: ik heb tijdens die dagen in België helemaal geen geschreeuw gehoord. Dat was een gevoel van thuiskomen. Sindsdien zag ik overal een bevestiging, of het nu Zuid-Europa, Denemarken, Argentinië of Amerika is; de mensen schreeuwen daar niet. En schreeuwen is het begin van gewelddadigheid. Ieder slachtoffer van straatgeweld is eerst uitgescholden.”

Dat hij prompt na verschijning van ’Denkend aan Holland’ voor ’ouderwetse lul’ werd uitgemaakt, deert hem niet. ,,Ik vind zo’n reactie ouderwets, dát vind ik ouwelullenpraat, die getuigt van een weigering om de werkelijkheid onder ogen te zien. Mensen willen het niet weten, wat ik aanstip, maar iedereen kan het zien. De omgangsvormen in Nederland zijn de laatste dertig jaar meer veranderd dan in de drie eeuwen daarvoor.”

,,Ja, luidt het weerwoord dan, Nederlanders zijn kennelijk zo lichtgeraakt omdat we zo dicht op elkaar wonen. Dan zeg ik: vroeger woonden de mensen nog dichter op elkaar. In het huis waarin ik woon, leefde eerder een gezin van acht mensen. Vroeger, vroeger; we leven nú, verwijten ze me dan. Alsof dat een onomstotelijke realiteit is! Ik vind het ’nu’ een gril van de laatste twintig jaar. Wat is er tegen om je te spiegelen aan het verleden? Het verleden is niet gek, het heden is gek. Ik weet dat paardenwagens van vroeger meer lawaai maakten dan de huidige vrachtwagens. Ik ga me heus niet aan een klingelende tram ergeren, want daar zitten mensen in die geen taxi kunnen betalen. Ik erger me niet aan geluid, maar wel als dat gepaard gaat met minachting voor anderen. Ik heb het over asociaal lawaai, dat zich altijd in groepsverband voltrekt. ’We zijn toch aan het feesten?’ Dat is niet feesten maar zich collectief misdragen.”

Rosenboom zegt zijn pamflet niet uit ergernis te hebben geschreven, maar uit het verlangen een samenleving terug te zien waarin iedereen zich op z’n gemak voelt. Wat zijn pleidooi voor een schreeuwverbod op scholen, straten en pleinen betreft, ziet hij meteen ook praktische problemen bij de naleving daarvan. Anderzijds, op de internationale school met buitenlandse leerlingen schreeuwen de kinderen niet tegen elkaar. Vreemd. Of, zoals hij in zijn pamflet constateert: in tegenstelling tot het buitenland kent Nederland, dankzij zijn kabaalouders, geen verlegen of bedremmelde kleuters meer.

Eindeloos kan hij doorgaan met voorbeelden. Op straat als een onbekende je toeroept: ’Heee, jij, waar is de Dam?’, terwijl ze in het buitenland nog steeds beginnen met: ’Meneer, mag ik u iets vragen?’

Of afgesnauwd worden door fietsende moeders met nota bene kinderzitjes achterop die door rood rijden, als hij het zebrapad oversteekt. ,,Ik ben 49, word uitgescholden door twintigjarigen die mijn kinderen konden zijn, terwijl het enige wat ik doe, oversteken is als het voetgangerslicht op groen staat.”

Toch voelt hij zich geen zwartkijker, integendeel. Hij hoort al gelijkgestemde meningen om zich heen, lezers van ’Denkend aan Holland’ sturen hem brieven vol bijval. ,,Je hebt een kritische beginmassa nodig. Zoals ooit het woonerf zich uitbreidde, en de bewoners zelf aan de autoriteiten vroegen of er bij hen geen speelstraat met weinig autoverkeer kon komen.”

’Het temmen van een feeks’ door Toneelgroep Amsterdam. 15, 16 + 17/9 Stadsschouwburg Amsterdam, 20/9 Hoorn, 22/9 Enschede, 23 en 24/9 Groningen, tournee t/m 15/12.
Toneelgroep Amsterdam

’Denkend aan Holland’ van Thomas Rosenboom, uitgeverij Querido.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden