De tapuit kan fluiten naar haar eieren

De dioxinen in de Nederlandse bodem blijken dodelijk te zijn voor sommige soorten zangvogels. Bij de tapuit komen veel eieren niet eens uit.

Bij de tapuit komt tot 30 procent van de eieren niet uit en hebben de embryo's afwijkingen. Ook embryo's van graspieper en roodborsttapuit vertonen schade. Het zijn de negatieve effecten van 'bodemdioxinen', zo blijkt uit onderzoek van de Stichting Bargerveen. Wat dioxinen doen met andere insectenetende vogels, hagedissen en spitsmuizen is nog niet onderzocht. Maar ook daar lijkt een verband waarschijnlijk.

Dat dioxinen een gevaar kunnen vormen voor de volksgezondheid en visetende zoogdieren en vogels was al eerder bekend. Onlangs nog was er ophef rondom de eieren van hobby-kippenhouders in de omgeving van een afvalverbrandingsinstallatie. Dioxinen komen vrij bij verbranding en slaan neer op de grond. Scharrelende kippen krijgen ze zo binnen.

"Ons onderzoek toont voor het eerst aan dat ook de dioxinen die in de bodem liggen opgeslagen, schadelijk kunnen zijn voor zangvogels", vertelt onderzoeker Herman van Oosten. "De dioxinegehalten in deze eieren zijn soms 100 keer hoger dan de wettelijke norm voor kippeneieren. En daarmee kun je niet uitsluiten dat de vervuiling ook een belangrijke oorzaak vormt voor de jammerlijke teloorgang van bijvoorbeeld duinpieper en kuifleeuwerik."

De onderzoeker deed zijn ontdekking min of meer per toeval. Stichting Bargerveen houdt zich sinds 2007 bezig met de tapuit. Zoals veel vogels van het open duin en de heide, gaat het ook met dit dier snel bergafwaarts. Sinds 1980 is het aantal broedparen met 90 procent afgenomen tot 250-300 paren nu.

Om de oorzaken te achterhalen - en daarmee wellicht ook een oplossing te vinden - volgt Van Oosten, al jaren de tapuiten onder meer op het Aekingerzand (Drenthe), in het Vogelduin (Castricum) en in de Kop van Noord-Holland. Hij doet dat samen met de vogelonderzoekers van Sovon. Omdat opvallend veel eieren niet uitkwamen, besloot Van Oosten deze te openen en, samen met collega Arnold van den Burg, door te meten. "Er bleken dode embryo's in te zitten met afwijkingen die wijzen op een verstoorde hormoonhuishouding. Ze hadden veren op plaatsen waar geen veren horen en vertoonden leversterfte. Dioxinen kunnen zulke afwijkingen veroorzaken. Opvallend, want de uitstoot is sinds de strengere wetgeving van 1990 heel sterk gedaald."

Om zeker te weten dat de moedervogels niet in het buitenland 'vervuild waren geraakt' (tapuiten overwinteren in de Sahel), betrok Van Oosten ook Zweedse tapuiten in zijn onderzoek. "De eieren daarvan waren schoner en kwamen ook beter uit. De schadelijke stoffen moet de vogel dus bij ons binnenkrijgen."

Kniptorren en rozenkevers

Monnikenarbeid volgde. Om er achter te komen wat tapuiten precies eten, werden bij de nesten camera's opgesteld. Vele tienduizenden prooien werden gefilmd en gedetermineerd. Kniptorren en rozenkevers maken een groot deel van het dieet uit, rupsen zo'n 25 procent. Veel prooien zijn dus insecten die als larve een tot vier jaar in de grond leven. In die tijd eten ze organisch materiaal.

Van Oosten: "En in die bodem zit de dioxine-erfenis van het verleden. De stoffen spoelen nauwelijks uit maar binden zich aan organisch materiaal. De gehalten zijn laag, maar blijkbaar uiteindelijk hoog genoeg om fataal te zijn. Insecten nemen dioxinen op en tapuiten eten duizenden, tienduizenden insecten."

Het gaat de onderzoeker te ver de dioxinen te bestempelen als dé oorzaak van de achteruitgang van tapuit of andere vogels met een vergelijkbaar menu. "Er is meer aan de hand. De duinen en heide vergrassen waardoor de dieren meer moeite hebben voldoende insecten te bemachtigen. Die zijn er minder en bovendien sterker verborgen."

Toch kunnen de dioxinen wel degelijk het verschil uitmaken tussen uitsterven of groeien in aantal, zo filosofeert de onderzoeker. "In Zweden komen vrijwel alle eieren van de tapuit uit, hier soms slechts 70 procent. Zo'n 30 procent dus niet. Op de langere termijn betekent dat wellicht een steeds verder dalend aantal tapuiten hier, en een constant of stijgend aantal in Zweden. En dat zal opgaan voor meer diersoorten die leven van 'bodembewonende' insecten en die in een kritieke fase zitten. Dat willen we ook graag onderzoeken."

Verzuring en vermesting

Aan de bodemverontreiniging is weinig te doen, ook al omdat deze wijdverbreid is. Tapuiten eten ook insecten die geen voorgeschiedenis in de grond hebben zoals sprinkhanen en rupsen, maar die bovengrondse soorten zijn op veel locaties afgenomen. Door verzuring en vermesting is de structuur van veel vegetatie eenvormig geworden - er groeien bijvoorbeeld te veel grassen - en dat kost insecten. Van Oosten: "Zo worden tapuiten gedwongen ondergrondse prooien, mét dioxine, te eten."

Toch kunnen natuurbeheerders daar wel degelijk iets aan doen, constateert de tapuitenkenner. Met een afwisselend beheer van maaien, beweiden of anderszins kan de vegetatie weer kruidenrijker worden, opener en dus ook insectenrijker. "Onderzoek moet het nog uitwijzen, maar mochten er door gewijzigd beheer inderdaad meer 'bovengrondse' insecten als vlinders, sprinkhanen en motten komen, dan kan het aandeel daarvan in het tapuitenmenu groeien."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden