De strijd tegen het water als politieke mythe

,,Dat de Nederlandse mentaliteit gevormd is door het water, is een politieke mythe. De overheid heeft die strijd tegen het water uitgebuit om het draagvlak van grote waterbouwkundige projecten zoals de Zuiderzeewerken te vergroten.'' De milieuhistoricus Wybren Verstegen kritiseert 'De macht van het water' van Meerten B. ter Borg (Letter & Geest, 24 februari).

De strijd tegen het water zou de identiteit van de Nederlander hebben gemaakt. Dat is in het kort de boodschap van socioloog Meerten ter Borg aan zijn toehoorders van de universiteit van de Sorbonne. Aanvankelijk geïsoleerd levende groepjes inwoners waar feodale heren geen interesse voor hadden, die zich bij hoog water en storm moesten terugtrekken op hun terpen, wierden en achter hun dijken, vonden elkaar in de gezamenlijke strijd tegen de vijand H 2O. Die lotsverbondenheid leidde tot een cultuur van compromissen en een afkeer van grandeur.

Het is een mooie theorie waarbij Ter Borg voortdurend teruggrijpt op de Nederlandse geschiedenis. Hij begint in de Middeleeuwen en schetst een beeld van Nederland bestaande uit meren, rivieren, kreken, moerassen en open verbindingen met de zee. Dat natte land was de basis van waaruit de Nederlander ontstond.

Wat hij vergeet te vermelden is dat Nederland wat dat betreft nu ook weer niet zo uitzonderlijk is. Van Le Havre tot Riga bestond namelijk de hele Noord- en Oostzeekust uit meren, rivieren en moerassen. The Wash in East -Anglia ten noorden van Londen, was een Zuiderzee in wording, tot de Engelsen besloten grote delen van deze baai in te polderen. Dat geldt ook voor de Dollard in het Duits-Groningse grensgebied, de Jade bij Bremen, de bocht van Lübeck en de Golf van Riga. De wadden stoppen niet bij Rottum.

De Biesbosch is gevormd na de St. Elizabeth's vloed. De vloed van 1421 waarbij 72 parochies werden overspoeld en er 34 definitief verloren gingen, werd symbool van de strijd tussen Nederland en het water. Maar de gevolgen van die vloed wijken in karakter niet af van de Allerheiligenvloed van 1570, toen de westkust van Sleeswijk-Holstein en Denemarken zijn huidige aanzicht kreeg en grote stukken ingedijkt land voorgoed in de golven verdwenen.

Deze relativering van het belang van de strijd tegen het water kan men vooral ontlenen aan het boek van de Duitse milieuhistoricus Helmut Jüger uit 1994: Einführung in die Umweltgeschichte. Jüger stelt bijvoorbeeld, en terecht, Sleeswijk-Holstein, Neder-saksen en Holland op één lijn als het gaat over zompigheid. Wie het hoofdstuk over de Noord-Duitsers en het water leest, wordt doodgegooid met Wohnhügel, Deichbau, Deichbruchen en grossen Wasserbaumassnahmen. Duidelijk wordt in zijn boek dat in de Middeleeuwen niet alleen West-Nederland, maar grote delen van het noorden van Midden-Europa 's winters blank stonden.

Jüger becijferde dat in Midden-Europa sedert de Middeleeuwen meer dan tienduizend meren in alle soorten en maten zijn drooggelegd en liet ook zien dat niet alleen in Nederland de rivieren traag door oneindig laagland gaan. Dat deden in vroeger tijd namelijk alle rivieren in Europa die naar het noorden stromen. Een voorbeeld: toen de Metropoliet Isidor in 1437 van Moskou via Duitsland naar Italië reisde, berekende hij dat de Elbe een breedte van 3,2 km had, dat wil zeggen: ongeveer de breedte van het Haringvliet nu. Dat was op de plaats waar de rivier in de loop van de volgende eeuwen via bedijking werd ingesnoerd in een bedding van nog maar 300 meter breed. Hetzelfde kan worden verteld voor het stroomgebied van de Oder of de Weser. De Oder 'pendelde' aldus Jüger voor de dijkbouw in een bedding van 2 tot 7 km breedte. Al die rivieren meanderden vroeger dat het een aard had en de enorme wateroverlast was er de oorzaak van dat hier bruggen van hout waren en niet van steen. Je wist namelijk niet waar volgend jaar de rivier stroomde en stenen bruggen zouden dan al binnen enkele jaren verloren in het landschap staan.

De talloze meren in het noorden van de voormalige DDR getuigen nog van het eindeloze gezwabber van de rivieren. Grote delen van de Europese bevolking zijn in vroeger tijd de strijd met het water aangegaan: rivieren werden met dijken in een keurslijf gedwongen, ook de Seine bijvoorbeeld, meren werden drooggelegd en land werd op de zee veroverd. Dat laatste niet alleen in Nederland, maar ook in East-Anglia en in Noord-Duitsland, en op een manier die in niets afweek van hoe dat in Friesland gaat. Dat deden die buitenlanders niet slechter of beter dan in Nederland. De vrije boeren, die Ter Borg als de helden van de Nederlandse mentaliteit opvoert, moeten we in dat opzicht niet idealiseren.

Dat geldt ook voor de veel geroemde samenwerking van al die koene polderjongens die de basis van de Nederlandse mentaliteit hebben gelegd. Die zou wel eens een illusie uit een jongensboek kunnen zijn. Mij is in ieder geval bekend dat bij hoog water in de Gelderse IJssel de stad Deventer er in de achttiende eeuw niet vies van was om aan de Gelderse kant de dijk door te steken om de stad een overstroming te besparen. De dijkwachten aan de Gelderse kant hadden in tijden van hoog water dan ook de uitdrukkelijke opdracht van de dijkgraaf om te schieten op ieder bootje dat aan wilde leggen. Ook is het nog maar de vraag of die boerensamenwerking op de lange termijn afdoende was. Vele waterschappen werkten tot vér in de negentiende eeuw vrolijk langs elkaar heen. Zonder krachtige eenheidsstaat was bijvoorbeeld het Gelderse rivierengebied in de negentiende eeuw vermoedelijk voor eeuwig in het moeras gezakt. De echte overwinningen in de strijd tegen het water in Nederland in de afgelopen eeuwen: de inpolderingen in Noord-Holland, de drooglegging van de Haarlemmermeer, de Zuiderzee- en de Deltawerken, zijn een produkt van ofwel het Amsterdamse handelskapitaal, zoals de Beemster of de Schermer, ofwel van een sterke staat. Met een soort boerendemocratie hadden die projecten weinig te maken.

Grote waterstaatkundige projecten vind je trouwens ook in Noordwest- Italië bij de monding van de Po (een gebied dat in omvang vergelijkbaar is met Holland en Zeeland), waar steden zoals Padua en meer nog Venetië al eeuwenlang worstelen en knutselen met water. En Italianen hebben toch onmiskenbaar gevoel voor grandeur.

Het verhaal van Meerten ter Borg riekt te veel naar wat vroeger 'geografisch determinisme' werd genoemd: de Engelsen zijn flegmatiek omdat het bij hen veel regent, de Fransen hartstochtelijk omdat in Frankrijk de zon stijgt. Dat zijn natuurlijk karikaturen, maar Ter Borg komt wel in die richting als hij stelt dat Nederland een handelsland is geworden door zijn gunstige ligging. Alle steden aan grote rivieren langs de Noordzeekust liggen namelijk, als ze tenminste de verzanding van de monding in de hand wisten te houden, gunstig voor de handel: Londen, Antwerpen, Rotterdam, Bremen, Hamburg enzovoorts.

De belangrijkste handelsstad van de Gouden Eeuw, Amsterdam, was hierop juist een uitzondering. De stad ligt vanuit maritiem gezichtspunt in een echte pishoek: niet aan een rivier die toegang geeft tot de Noordzee zoals de anderen. Je moest eerst met een grote boog om de kop van Noord-Holland heen alvorens je in de baai uitkwam die vroeger de Zuiderzee heette. En veel verder kwam je dan niet. De VOC-schepen konden de haven niet eens in, maar lagen op de rede van Texel of voor Pampus. De lading van bijvoorbeeld de VOC-schepen moest eerst in kleinere schepen worden overgeladen. Dat de handelsstad zo machtig werd, had een institutionele oorzaak, geen geografische: de stedelijke magistraten en handelaars zorgden voor 'eerlijke' handel, wettige contracten die stipt werden nageleefd, geen geknoei met maten en gewichten, havenfaciliteiten, een beurs, geen koninklijke willekeur en geen gezeur over het ware geloof van de neringdoenden en bouwden zo een uitstekende reputatie op die de geografische tekortkomingen ruimschoots ophieven. Dat laatste deelde Amsterdam overigens met het Noord-Duitse Hamburg, waar uitgeweken Antwerpenaars en Portugese joden in de zeventiende eeuw de positie van de stad in de internationale handel versterkten.

Even terzijde: niet geheel toevallig had Hamburg in de Gouden Eeuw een opmerkelijke voorkeur voor de Amsterdamse bouwkunst. Door de grote brand van 1842 en de Tweede Wereldoorlog is daar helaas niets meer van te zien.

Dat de Nederlandse mentaliteit gevormd is door het water, is niet minder dan een politieke mythe, eenvoudigweg omdat het een claim is die iedere kustbewoner langs de Noordzee kan waarmaken. Het verschil is alleen dat in Nederland die strijd tegen het water politiek is uitgebuit. Met name in het Interbellum was het een welgekozen methode van de Nederlandse overheid om het draagvlak van grote waterbouwkundige projecten zoals de Zuiderzeewerken, waar behoorlijk veel kritiek op was, te vergroten. Nederland had, na de al lang vervlogen tachtigjarige oorlog, weinig militaire grandeur op zijn naam staan, zoals Engeland, Frankrijk of Duitsland.

De strijd tegen het water is toen als substituut van oorlogvoering in ons collectieve geheugen gepompt, met bioscoopjournaals en ander propagandamateriaal. 'De strijd tegen het water' als natievormende kracht van - overigens maar een deel van - Nederland is, zoals de Engelsen dat ironisch zeggen, een invention of tradition. Ook tijdens de aanleg van de Deltawerken is die strijd tegen het water als 'natievormend' middel naar voren geschoven. Het komt er op neer dat Ter Borg zich door de sfeer van oude polygoonjournaals heeft laten inpakken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden