De stoelgang van mevrouw Berkeley

“Toen ik op mijn veertiende voor het eerst tegen mijn ouders zei dat ik schrijver wilde worden, zeiden ze: 'Nou, opa is schrijver. Lees zijn boeken maar eens'.” De Amerikaanse schrijver John Irving hield bij het dertigjarige bestaan van het VU-ziekenhuis een lezing over de geschiedenis van de verloskunde, de literatuur, abortus en zijn grootvader. “En naar ik meen rijst dan dus een Vermoeden van coïtus, Wat onverlet zou stroken met Haar huid'ge toestanditis.” Dit is een bekorte versie van de lezing.

JOHN IRVING

Zo kwam het dat ik ongeveer in dezelfde tijd dat ik Charles Dickens begon te lezen kennismaakte met de auteur Frederick Irving. Ik moet zeggen dat voor de veertienjarige die ik was de klinische details uit de pionierstijd van de gynaecologie opzienbarender waren dan het oeuvre van Charles Dickens, maar desondanks is Dickens' invloed op mijn schrijverschap uiteindelijk groter gebleken dan die van dokter Irving.

Toch was mijn grootvader een ongewone arts: weliswaar een man van de wetenschap, maar ook iemand met renaissance-achtige ambities en een retorische stijl van schrijven. Ik volsta met een kort voorbeeld van het laatste.

De student in de geneeskunde begint zijn opleiding wanneer hij medicijnen gaat studeren; maar zijn feitelijke leerschool dient hij al veel eerder te hebben betreden, namelijk zodra hem in zijn voorafgaand onderricht een vrije keus wordt gelaten. Op dat moment zijn er twee wegen die hij kan bewandelen: de ene, recht en smal, voert door de natuurwetenschap en kent slechts een enkel zijpad naar de algemene ontwikkeling; de andere, bochtig en slingerend, gaat ver het vrije veld in, duikt dieper in een breed terrein van kennis en keert slechts naar de hoofdweg terug als de noodzaak zulks vereist. De laatste weg is het betoverendst, want er staan meer bloemen in de berm, en vanaf de oeroude heuvels waar hij overheen loopt heeft men ruimer zicht op de wereld. Hoewel de arts die deze weg aflegt hem een wijle moet verlaten als zijn opleiding begint, kan hij er later in zijn vrije uren naar terugkeren om de uitnodigende zijpaden te verkennen die zich aan weerskanten afsplitsen; maar wie er nooit een voet gezet heeft, hem blijven ze altijd verborgen.

Hoe behartigenswaardig dit mag zijn voor artsen (of andere beta's), mij was al op vrij jonge leeftijd duidelijk dat mijn weg alleen die bochtige en slingerende zou zijn, de weg met meer bloemen in de berm. Voor een studie medicijnen had ik de academische vaardigheden niet. Maar toch was dus in mijn jeugd de enige schrijver die ik persoonlijk kende een gynaecoloog van naam met een genadeloos gevoel voor humor.

Ter introductie van een zijn patiëntes bij de lezer schreef Grootvader: 'Mevrouw Berkeley had de wereld niets te bieden dan haar constipatie.' Ik moet zeggen: dat lijkt me geen slecht begin van een roman. Ik heb het altijd jammer gevonden dat mijn opa geen romans schreef, want zijn gevoel voor humor bleef niet beperkt tot zijn medische schrifturen. Hij is ook de auteur van De ballade van Chambers Street, een schandaaldicht zo uitbundig goor en ordinair dat ik er niet meer dan twee strofen van wil aanhalen. Het geheel bestaat uit zeventien strofen, waarvan er vier antisemitisch zijn en nog eens vier ten diepste obsceen. Alleen om een idee te geven van hoe het klinkt, volgen hier de twee minst aanstootgevende strofen van het gedicht, dat handelt over de ongewenste zwangerschap van een lichte jonge vrouw die Roos heet en een catastrofale abortus ondergaat bij ene Charlie Green - in werkelijkheid was dokter Green een gerespecteerd hoogleraar gynaecologie en verloskunde op Harvard.

Zo is 't geschied in Chambers Street Uit louter plichtsbetrachting Dat men haar van heur kleed ontdeed Want Roos leek in verwachting. Reeds lei men haar op een brancard (haar dijen moest ze spreiden) En voorshands zacht werd toen getracht Haar toegang te verwijden.

“'t Introïtus ontvangt mijn hand Alsof 't eraan gewaagd is, Wat doet voorzien”, sprak Charlie Green, “Dat Roosje hier geen maagd is. En naar ik meen rijst dan dus een Vermoeden van coïtus, Wat onverlet zou stroken met Haar huid'ge toestanditis.”

Ook toen mijn grootvader al jaren dood was, kreeg mijn vader nog handgeschreven en getypte kopieën van deze infame ballade; de collega's en studenten van dokter Irving hadden uit het hoofd De ballade van Chambers Street uitgeschreven. Grootvader was een zeer onderlegd man met een onverklaarbare (maar wel geestige) voorkeur voor het onverfijnde; daardoor had hij een fantastische romanschrijver kunnen worden, want een goede roman paart een verfijnd inzicht in het menselijk gedrag aan volkomen anarchisme ten aanzien van de conventies van de fijne smaak.

Dokter Frederick Irving had het gevoel van de schrijver voor het absurde en het instinct van de schrijver voor het malicieuze. Zo was hem opgevallen dat veel Ierse vrouwen zwanger werden op de feestdag van St. Patrick. Als ze dan in de kraam kwamen, gaf Grootvader ze een kleine dosis methyleenblauw, een onschadelijk middel waar hun urine groen van werd, hetgeen deze Ierse vrouwen opvatten als teken dat St. Patricks persoonlijke zegen op de bevalling rustte.

Mijn vader, Colin Franklin Newell Irving, is vernoemd naar een leermeester van mijn grootvader, dokter Franklin Newell, die als pionier in de aseptiek in 1903 het gebruik van rubberhandschoenen invoerde in de kraaminrichting van Boston. Voordien werd in de verloskunde een sterftecijfer van een op de dertig kraamvrouwen min of meer gelaten als norm gehanteerd. Het was van het grootste belang, schreef mijn grootvader, om de obstetrie te bevrijden van wat hij zag als 'de overblijfselen van de barbarij'.

In de historie van de verloskunde is de geschiedenis van de Boston Lying-In zonder weerga. Zo is daar in 1894 voor het eerst een keizersnede uitgevoerd, een ingreep die zesenveertig minuten duurde. Er werd in de buikwand een incisie gemaakt van wel vijfentwintig centimeter, waarna de uterus erdoor naar buiten werd getrokken - 'een enorm orgaan', zoals mijn grootvader het omschreef, 'met de kleur van een rijpe pruim.' De uterus werd op de buik van de kraamvrouw gelegd en vervulde (in de woorden van mijn grootvader) 'de omstanders met verbazing en ontzag'. Zijn beschrijving gaat dan als volgt verder: “Na het opensnijden van de uterus spoot een mengsel van bloed en ander vocht meters de kamer in. Het kind en de nageboorte werden snel naar buiten gehaald, waarna de uterus zich meteen samentrok en er geen verdere bloedingen volgden.” Bij die eerste keizersnede werd een jongetje geboren van zeven pond. Toen moeder en kind de kliniek drie weken later in goede gezondheid verlieten, was de jongen een pond aangekomen.

En mijn grootvader schreef: “De ingreep zoals hij thans wordt uitgevoerd is hierbij vergeleken een weinig opzienbarende aangelegenheid. De incisie is veel kleiner en de uterus wordt in de buikholte geopend. Te beleven is er nog maar weinig.”

Bij het onderzoek dat ik heb gedaan voor mijn boek De regels van het ciderhuis ben ik getuige geweest van een darmoperatie; toen begreep ik ongeveer hoe vroeger een keizersnede in z'n werk moet zijn gegaan.

Ten aanzien van abortus beperkte mijn grootvader zich tot het bezonnen inzicht dat er “zolang er ongewenste zwangerschappen zijn, vrouwen zullen zijn die proberen zich ervan te ontdoen”. Ik was veertien toen ik dat las. Ik was drieënveertig toen De regels van het ciderhuis verscheen. Ik vlei me weleens met de gedachte dat mijn grootvader het een mooi boek zou hebben gevonden. Ik denk niet dat hij zou zijn geschrokken van het verhaal over hoe de brave dokter Larch (weeshuisarts en gynaecoloog/verloskundige) aborteur werd. Dat deel zou, denk ik, hebben kunnen rekenen op mijn grootvaders goedkeuring. Maar er is een ander deel waarvan ik zeker weet dat het zijn misprijzen zou hebben gewekt. Dat dokter Larch een van de beste en slimste van zijn onadopteerbare wezen opleidt tot mede-obstetricus en aborteur is onverenigbaar met de opvatting die mijn grootvader had van een juiste medische scholing. Grootvader kwam tenslotte van Harvard. De gedachte dat een dokter in z'n eentje een pupil tot arts opleidt (en hem daarbij ook nog eens van valse papieren voorziet) zou mijn grootvader niet welkom zijn geweest.

Want hij was dan wel een pionier op zijn terrein, maar hij geloofde in opleidingsinstituten; hij geloofde in de traditie van de geneeskunde (ondanks bovengenoemde 'overblijfselen van de barbarij'); hij geloofde in een onderwijsprogramma. Het ging hem in de geneeskunde om het verleggen van grenzen, maar academische scholing en de daarbij opgelegde beperkingen waren goden waarin hij geloofde. Grootvader zou dokter Larch geen gevangenisstraf (of ontzegging van zijn bevoegdheid) hebben toegewenst alleen omdat hij abortussen verrichtte. Maar ik weet zeker dat hij Homer Wells wel achter de tralies zou hebben gewenst omdat die de juiste opleiding niet had. Dokter Irving had namelijk geen hoge dunk van vroedvrouwen, en als hij mijn roman had kunnen lezen, zou Grootvader in Homer Wells vast niet meer gezien hebben dan een veredelde vroedvrouw.

Bij mijn eerdergenoemde onderzoek heb ik een aantal bevallingen meegemaakt en een aantal abortussen en andere chirurgische ingrepen. Ik ben nooit flauwgevallen en heb nooit overgegeven, maar bij die darmoperatie die veel weg had van een ouderwetse keizersnede kreeg ik het wel benauwd. Toen op een bepaald moment de volledig verdoofde patiënte haar ogen opendeed en naar haar ingewanden leek te kijken, die op een hoop op haar buik lagen, niet erin, waar ze thuishoorden, kreeg ik voor mijn gevoel niet genoeg lucht meer door mijn maskertje. 'Ze is wakker!' fluisterde ik tegen de anesthesist, die in slaap leek te zijn gevallen. Hij wierp een kalme blik op de patiënte en zei: “Doe uw ogen maar dicht”, en dat deed ze. Later zei de anesthesist tegen me: “Er zijn gradaties, hoor, in wat jullie schrijvers 'wakker' noemen.”

Bij alle ontwikkelingen in de medische wetenschap zou je weleens vergeten hoe recent de meeste daarvan zijn. Anesthesie, antibiotica, een juist begrip van sepsis - allemaal van recente datum. Toen mijn grootvader als jongeman in de zuidelijke wijken van Boston werkte, had hij voornamelijk arme immigranten als patiënt, van wie er velen in sloppen woonden. “Alle sociale ondeugden waren er te vinden”, schreef Grootvader, “zoals prostitutie, opiumverslaving en alcoholisme; handlezers, waarzegsters, Chinese kruidendokters, aborteurs en zedendelinquenten completeerden het geheel.”

Grootvader deed in die tijd ook bevallingen thuis. Zo kwam hij eens bij een Litouws gezin in de buurt van Haymarket Square; de bevalling was normaal verlopen, maar de placenta wilde niet loslaten. De moeder van de kraamvrouw had haar dochter in een bierfles laten blazen; soms helpt dat door de verhoging van de druk op de buik. Maar dit keer had de bierflesmethode geen resultaat. Aangezien de jonge vrouw hevig bloedde, achtte mijn grootvader haast geboden. Hij greep door de buikwand heen de bovenkant van de uterus vast en zette kracht. De kraamvrouw gilde en probeerde zijn handen weg te trekken. De grootmoeder greep hem om zijn middel en beet hem in zijn rug. De ook aanwezige echtgenoot probeerde hem te wurgen, maar de placenta liet los en kwam weldra naar buiten - net toen mijn grootvader vreesde te bezwijken. “De familie”, schreef hij, “zag zich haar kans ontnomen om mij letsel toe brengen en liet me onder nors stilzwijgen gaan.”

Aan dit soort ervaringen ontleende mijn grootvader misschien zijn patricische, neerbuigende kijk op de armen en onontwikkelden en de vele etnische minderheden die in zijn tijd het zuiden van Boston bevolkten. Ik herinner me hem als een heerszuchtige, laatdunkende man, altijd gekleed in een driedelig pak met in het vestzakje de bolling van een gouden zakhorloge. Hij droeg bretels en gouden manchetknopen. De lucht van ether hing als een lijkkleed om hem heen. Hij had twee zoons en drie dochters, van wie er geen medicijnen is gaan studeren. Hij had acht kleinkinderen, van wie er ook niet een arts is geworden. Hij had de gevreesde gewoonte ons allen daar tijdens familiediners over te onderhouden; het moet hem teleurgesteld hebben dat niemand in zijn voetsporen trad. Bij een zo'n gelegenheid, op kerstavond 1957, verslikte grootvader zich in een stuk rosbief en stierf voor onze ogen aan een hartaanval; als een van ons nu arts was geworden, had die hem misschien kunnen redden. Toch is zijn voorbeeld niet helemaal aan mij verspild geweest, want dokter Frederick Irving leefde en stierf als een romanfiguur.

Ik spreek nog weleens kinderen die hij ter wereld heeft helpen komen; de meesten van hen zijn ouder dan ik. Doorgaans is het enige wat ze van hem weten dat hij een gedicht heeft geschreven dat absoluut niet door de beugel kon. Sommigen sturen me er later een handgeschreven of getypte kopie van, en een keer heb ik een gepensioneerde gynaecoloog aan de telefoon gehad die uit zijn hoofd de gehele Ballade van Chambers Street voordroeg.

Het is natuurlijk ook 'net een roman' dat een van Amerika's pioniers op het gebied van de verloskunde en gynaecologie in de herinnering voortleeft als schrijver van een schunnig gedicht. Zoals mijn vader laatst tegen mij zei: “Wat je grootvader op een vrije dag in elkaar heeft gedraaid, heeft hem en zijn reputatie nu al bijna veertig jaar overleefd.”

Toen ik in 1981 aan De regels van het ciderhuis begon, stelde ik me de relatie voor tussen een weeshuisarts en een onadopteerbare wees, een kind dat hij ter wereld helpt maar dat geen plaats in de wereld kan vinden. Steeds als de jongen wordt geadopteerd, gaat er iets mis en komt hij terug naar het tehuis. De arts wordt daardoor als een vader voor de jongen. Maar als ze de liefde kennen van een vader-zoonrelatie, dan kennen ze ook het conflictueuze daarvan. Wat het conflict zou zijn wist ik aanvankelijk niet, alleen dat er een moest zijn.

Hoe meer ik las over weeshuizen, des te beter begreep ik dat toen abortus in de VS verboden was, een ongewenst zwangere vrouw de beste kans op een veilige abortus had in een weeshuiskliniek. Een arts in een weeshuis wist wat er gebeurde, en wat er maar al te vaak niet gebeurde, met een kind dat door de moeder werd afgestaan.

Nog maar een paar jaar geleden noemde de meest vooraanstaande kardinaal van de VS het een 'positief gevolg' van het opnieuw verbieden van abortus dat er dan 'meer kinderen beschikbaar komen voor adoptie'. Waar de kardinaal daarbij aan dacht is natuurlijk dat er niet genoeg blanke baby's zijn om aan de vraag van blanke kandidaat-adoptiefouders te voldoen. Ook zonder een nieuw verbod op abortus zijn er heus baby's zat om te adopteren. De opmerkingen van de kardinaal waren niet alleen racistisch maar ook historisch onnauwkeurig en maatschappelijk onverantwoord. In de dagen van dokter Larch zaten de weeshuizen vol met kinderen - en dan vooral de niet helemaal gezonde of niet zo aantrekkelijke - die nooit werden geadopteerd.

Ik besloot dus van dokter Larch een aborteur te maken; van de jonge wees die hij opleidt tot dokter maakte ik een tegenstander van abortus. Dat werd het conflict dat dokter Larch en zijn geliefde pupil Homer Wells uit elkaar zou drijven. Homer leert wel aborteren, maar hij weigert het te doen.

Na vijftien jaar in de wereld buiten de poort beleeft Homer dan de crisis waardoor hij uiteindelijk terugkeert naar het tehuis om er de vervanger (als arts en aborteur) van dokter Larch te worden. Homer krijgt namelijk te maken met een jonge vrouw die zelfs in zijn ogen recht heeft op een abortus; hij beseft dat in een wereld waarin zij daarvoor niet kan kiezen, hij ook geen keus heeft. Met andere woorden: als hij weet hoe het moet, dan moet hij het ook doen, want het is niet zijn keus maar de hare.

Het blijft een complex vraagstuk, en Homer leerde een bittere les: namelijk dat er een groot verschil is tussen wat je wilt en waaraan behoefte bestaat. Geen enkele arts wil een abortus verrichten; geen enkele vrouw wil er een ondergaan. Maar er bestaat een onmiskenbare behoefte aan de ingreep. Over dit conflict tussen wil en behoefte gaat De regels van het ciderhuis.

In de roman heb ik gebruikgemaakt van een van de verhalen van mijn grootvader. Zijn patiënte was een vrouw met inwendige bloedingen. Grootvader opereerde en zag dat het bloeden werd veroorzaakt door een ruptuur van vijftien centimeter in de baarmoeder. Met de keizersnede verloste hij de vrouw van een dood kind. Maar toen hij de uterus wilde dichtnaaien, bleek het weefsel zo zacht dat zijn hechtingen geen houvast vonden. Hij had geen andere keus dan de baarmoeder te verwijderen.

Drie dagen later had de vrouw opnieuw bloedingen. Toen mijn grootvader de wond weer opende, trof hij minder bloed aan dan de eerste keer, maar bij het opdeppen daarvan perforeerde hij de darm, en toen hij het beschadigde stuk darm wat naar zich toe wilde halen, gingen zijn vingers erdoorheen alsof het gelatine was. Zijn patiënte was letterlijk aan het ontbinden. Nog eens drie dagen later was ze dood.

Van de patholoog kreeg mijn grootvader te horen dat hij in het lijk geen spoortje vitamine C had aangetroffen en dat er veel bindweefsel beschadigd was: ze was gestorven aan scheurbuik. Maar de overledene, wist mijn grootvader, was een ongetrouwde vrouw van vijfendertig, geen zeeman die het maanden zonder verse groente had moeten stellen. En toen vond mijn vader tussen de persoonlijke bezittingen van de ongelukkige vrouw wat hij zocht: een abortivum onder de naam 'Franse zilveroplossing' - in werkelijkheid wormkruidolie. De vrouw had er zolang zulke hoeveelheden van ingenomen dat haar darmen geen vitamine C meer konden opnemen.

Toch wil christelijk rechts ook vandaag nog dat elke vrouw elke zwangerschap uitdraagt, terwijl op dit punt het gezond verstand de doorslag zou moeten geven. Wie abortus afkeurt, moet er geen ondergaan. Laat artsen hun vak beoefenen. Laat godsdienstfanaten hun godsdienst beoefenen, maar laat ze hun godsdienst bij zich houden. Godsdienstvrijheid hoort naar twee kanten te werken: we horen vrij te zijn om de godsdienst te beoefenen die we willen, maar we horen er ook voor gevrijwaard te blijven dat iemand anders zijn godsdienst op ons gaat beoefenen.

Copyright John Irving Copyright Nederlandse versie: Sjaak Commandeur

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden